ECLI:NL:RBROT:2026:7284

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
C/10/688738 / FA RK 24-8228
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c BWArt. 1:253a BWArt. 1:377a lid 3 BWArt. 1:377a lid 2 BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging gezamenlijk gezag en aanhouding omgangsregeling wegens therapie minderjarigen

In deze zaak staat de regeling van het ouderlijk gezag en de omgangsregeling over twee minderjarigen centraal. De man verzoekt gezamenlijk gezag over beide kinderen, terwijl de vrouw het gezamenlijk gezag over één kind wil beëindigen en eenhoofdig gezag wil verkrijgen. De rechtbank overweegt dat gezamenlijk gezag alleen mogelijk is als ouders in staat zijn tot behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening, wat hier niet het geval is vanwege verstoorde communicatie en het verleden van verslavings- en psychiatrische problematiek bij de man.

De man heeft de kinderen ruim twee jaar niet gezien en is nog in pril herstel met ambulante begeleiding. De vrouw heeft moeite met het nemen van beslissingen door het gezamenlijke gezag en het ontbreken van vertrouwen. De raad voor de kinderbescherming adviseert eenhoofdig gezag aan de vrouw toe te kennen over het oudste kind en het verzoek van de man af te wijzen. De rechtbank volgt dit advies en beëindigt het gezamenlijk gezag over het oudste kind.

Ten aanzien van de omgangsregeling verzoekt de man om contact met de kinderen, maar de rechtbank acht dit op dit moment niet in het belang van de minderjarigen vanwege hun traumatische ervaringen en lopende therapie. De rechtbank houdt de beslissing over de omgangsregeling zes maanden aan om de therapie en psycho-educatie te laten plaatsvinden, waarna contactherstel onder begeleiding kan worden overwogen.

De informatieregeling blijft van kracht, waarbij de vrouw de man regelmatig informeert over de ontwikkeling en therapie van de kinderen. De proceskosten worden nog niet beslist omdat de omgangsregeling nog niet definitief is vastgesteld.

Uitkomst: Het gezamenlijk gezag over het oudste kind wordt beëindigd en het eenhoofdig gezag aan de moeder toegekend; de omgangsregeling wordt aangehouden voor therapie en contactherstel.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/688738 / FA RK 24-8228
Beschikking van 8 april 2026 over het ouderlijk gezag en de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dan wel de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht
in de zaak van:
[naam 1], hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. A. Apistola te Zwijndrecht,
t e g e n
[naam 2]hierna: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. L.J.W. van Kesteren te Zoetermeer.
deze zaak gaat over de minderjarigen;
[naam 3], geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats 1] , [geboorteland] ;
[naam 4] ,geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats 2] .

1.De verdere procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
  • de beschikking van deze rechtbank van 4 april 2025;
  • het raadsrapport van 17 september 2025;
  • het bericht van de vrouw van 19 september 2025;
  • het bericht van de man van 23 september 2025;
  • het bericht met bijlagen van de vrouw van 28 januari 2026;
  • het bericht met bijlage van de vrouw van 3 februari 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 10 februari 2025. Daarbij zijn verschenen:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • mentor van de man, [naam 5] , als informant;
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam 6] .

2.De verdere vaststaande feiten

2.1.
De vrouw oefent van rechtswege alleen het ouderlijk gezag uit over [naam 4] . Partijen hebben gezamenlijk het gezag over [naam 3] .
2.2.
Bij beschikking van 4 april 2025 is bepaald dat de vrouw de man eenmaal per drie maanden zal informeren omtrent de ontwikkelingen van de minderjarigen op het gebied van school en gezondheid en dat zij daarbij een goed gelijkende kleurenfoto van de minderjarigen zal voegen. Ten aanzien van het ouderlijk gezag en de zorg- dan wel omgangsregeling heeft de rechtbank de raad om advies gevraagd. De behandeling van de zaak over het gezag en de zorgregeling is aangehouden in afwachting van de rapportage van de raad. De rechtbank verwijst naar dat wat in voornoemde beschikking ten aanzien van deze onderwerpen is opgenomen.

3.De beoordeling

3.1.
Gezag
3.1.1.
De man verzoekt te bepalen dat de man en de vrouw gezamenlijk met het ouderlijk gezag over de minderjarigen worden belast.
3.1.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer en verzoekt bij wege van zelfstandig verzoek het gezamenlijk gezag over [naam 3] te beëindigen door de vrouw uitsluitend met het
(eenhoofdig) gezag over [naam 3] te belasten en als zodanig het ouderlijk gezag van de man over
[naam 3] te doen beëindigen.
3.1.3.
Op grond van artikel 1:253c lid 1 BW kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Als de andere ouder met het gezamenlijk gezag niet instemt, wordt een dergelijk verzoek op grond van het tweede lid van genoemd wetsartikel slechts afgewezen als (a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
3.1.4.
Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Zij moeten hiervoor belangrijke beslissingen over hun kinderen samen kunnen nemen of in ieder geval in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen. Het kind mag in beginsel niet klem of verloren raken tussen de ouders als de ouders dat niet kunnen. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer met zich dat er geen gezamenlijk gezag kan worden toegekend.
3.1.5.
Er is tijdens de mondelinge behandeling uitgebreid gesproken met partijen. Het staat vast dat er veel gebeurd is in het verleden.
De man vertelt tijdens de mondelinge behandeling dat hij de minderjarigen daardoor nu twee jaar niet heeft gezien. De man zegt dat het op dit moment goed met hem gaat en dat hij niet meer de man is die hij vroeger was. Hij stelt niet langer verslaafd te zijn aan drugs. De man kreeg verplichte zorg voor zijn psychische problemen op grond van een zorgmachtiging. Deze zorgmachtiging is in december 2025 afgelopen. Hij krijgt op dit moment hulp van een ambulant begeleider en hij heeft een mentor die betrokken is.
De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat alles wat er in het verleden heeft plaatsgevonden veel impact heeft gehad op de minderjarigen. [naam 3] is op dit moment net begonnen met een traject om het trauma dat zij heeft opgelopen te verwerken. Ook de vrouw heeft therapie (EMDR) gehad om haar trauma te verwerken. De vrouw stelt dat dit haar heeft geholpen. De vrouw heeft nog wel veel last van de onzekerheid die het gezamenlijk gezag met zich meebrengt. Het is voor haar, omdat partijen nog gezamenlijk belast zijn met het gezag over [naam 3] , heel lastig om beslissingen over haar te nemen. Dit is niet in belang van [naam 3] . Het lukt de vrouw niet om afspraken met de man, zeker niet zonder tussenkomst van de man zijn mentor. Het aanvragen van een nieuw paspoort voor [naam 3] is echter niet gelukt, ook niet met hulp van de mentor van de man. De man stelt dat dit te maken had met de Poolse bureaucratie. Wat daar ook van zij, het zijn uiteindelijk de advocaten van partijen geweest die er voor hebben gezorgd dat het paspoort kon worden aangevraagd. De vrouw voorziet problemen als zij samen met de man het gezag over [naam 4] zal krijgen. De man is daarnaast volgens de vrouw niet in staat beslissingen te nemen in het belang van de minderjarigen. Hij heeft hen inmiddels ruim twee jaar niet gezien en weet niet goed wat er speelt in hun leven.
3.1.6.
De raad heeft in haar raadsrapport geadviseerd om de vrouw eenhoofdig te belasten met het gezag over [naam 3] en het verzoek van de man tot wijziging van het gezag over [naam 4] af te wijzen. De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld nog steeds achter dit advies te staan, ondanks dat wat de man nu naar voren brengt.
3.1.7.
De rechtbank sluit zich aan bij het advies van de raad. De man is door alcohol- en drugsgebruik in een psychose geraakt. Hij is daarvoor behandeld en lijkt nu stabiel te zijn. Hij krijgt nog ambulante begeleiding. Het herstel van de man is evenwel nog pril. Tussen de man en de minderjarigen is al lange tijd niet gezien. De man weet daardoor niet of nauwelijks wat zich in het leven van de minderjarigen afspeelt en de man is daardoor naar het oordeel van de rechtbank niet goed in staat om beslissingen te nemen over de minderjarigen. Bovendien ontbreekt een goede communicatie tussen partijen. De relatie is verstoord en er is een gebrek aan vertrouwen. Het is voor de vrouw, zelfs met tussenkomst van derden, heel lastig om benodigde toestemming van de man te krijgen. Het lukt partijen (nog) niet om samen te overleggen over de minderjarigen. De rechtbank acht het daarom op dit moment niet in het belang van de minderjarigen als partijen gezamenlijk het gezag over hen uitoefenen. De rechtbank zal het verzoek van de man om gezamenlijk met het gezag over [naam 4] te worden belast afwijzen en het verzoek van de vrouw om met het eenhoofdig gezag over [naam 3] belast te worden toewijzen.
3.1.8.
Omdat de vrouw alleen het ouderlijk gezag over de minderjarigen heeft zal in het vervolg van deze beschikking worden gesproken over een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht (hierna: omgangsregeling).
3.2.
Omgangsregeling
3.2.1.
De man verzoekt een omgangsregeling te bepalen waarbij de minderjarigen eenmaal in de twee weken op zaterdag van 10:00 uur tot 18:00 uur bij de man verblijven, waarbij de omgangsregeling bij de man thuis plaatsvindt in de aanwezigheid van de tante van de man, danwel een door de rechtbank te bepalen omgangsregeling. Daarnaast verzoekt de man te bepalen dat de minderjarigen de helft van de zomervakantie en de feestdagen bij hem verblijven. De man zal de minderjarigen ophalen bij de vrouw en de vrouw zal de minderjarigen weer bij de man ophalen. De man verzoekt een dwangsom aan de nakoming van de omgangsregeling te verbinden van € 250,- per keer dat de vrouw de omgangsregeling niet nakomt.
3.2.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
3.2.3.
Op grond van artikel 1:253a BW kan de rechtbank op verzoek van de gezaghebbende ouders of een van hen een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen alsmede, met overeenkomstige toepassing van artikel 1:377a lid 3 BW, een tijdelijk verbod aan een ouder opleggen om met het kind contact te hebben indien:
omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of
omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
3.2.4.
De rechtbank kan op verzoek van de ouders of van een van hen op grond van artikel 1:377a lid 2 BW in verbinding met artikel 1:377e BW een beslissing over de omgang of een door ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
3.2.5.
De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft inmiddels ruim twee jaar geen fysiek contact gehad met de minderjarigen. Er is sprake van verslavings- en psychiatrische problematiek. Uit de stukken blijkt dat er sprake was van fors geweld vanuit de manr. Het gedrag van de man was zodanig dat Veilig Thuis aanleiding heeft gezien de zaak over te dragen aan de Safegroup, waar de vrouw en de minderjarigen enige tijd hebben verbleven. De minderjarigen hebben veel meegemaakt. Hoewel de situatie van de man op dit moment enigszins lijkt te zijn verbeterd, hebben zij daar last van (gehad). [naam 3] krijgt inmiddels therapie. Na afronding van deze therapie zullen de minderjarigen en de vrouw nog psyco-educatie krijgen en leren over hoe wat er met de man aan de hand is. Net als de raad is de rechtbank van oordeel dat moet worden gewerkt aan contactherstel. Daarvoor is het echter wel van belang dat [naam 3] de traumatherapie heeft gevolgd. Ook is het noodzakelijk dat psycho-educatie heeft plaatsgevonden ter voorbereiding op contactherstel, zoals de raad adviseert. Pas daarna kan met passende hulp en onder begeleiding aan contactherstel worden gewerkt. Contactherstel is daarom op dit moment naar het oordeel van de rechtbank nog niet mogelijk. De rechtbank zal de beslissing in over de omgangsregeling daarom aanhouden voor de duur van zes maanden. In deze periode kan [naam 3] haar therapie volgen en kan een aanvang worden gemaakt met de psycho-educatie. Partijen kunnen vervolgens bezien of zij bijvoorbeeld met behulp van het wijkteam en/of het Rotterdams Omgangshuis stappen in het contactherstel kunnen zetten. De rechtbank verzoekt partijen om twee weken voorafgaand aan de pro forma datum waartegen de zaak zal worden aangehouden om te laten weten wat de stand van zaken is en wat hun proceswensen zijn.
3.2.6.
De rechtbank wijst de vrouw er op dat de informatieregeling zoals deze is bepaald in de beschikking van 4 april 2025 van kracht blijft. Dat betekent dat de vrouw de man een maal per drie maanden moet blijven informeren over hoe het met de minderjarigen gaat. Dat brengt ook mee dat de vrouw de man in elk geval eenmaal in de drie maanden moet informeren over de voortgang van de therapie en psycho-educatie.
3.3.
Proceskosten
3.3.1.
Omdat ten aanzien van de omgangsregeling geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
beëindigt het gezamenlijk gezag en bepaalt dat het gezag over
[naam 3], geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats 1] , [geboorteland] , voortaan aan de vrouw toekomt;
4.2.
bepaalt dat van deze beslissing aantekening wordt gemaakt in het in artikel 1:244 BW Pro genoemde openbare gezagsregister;
4.3.
verklaart deze beschikking – tot zover - uitvoerbaar bij voorraad;
en alvorens verder te beslissen:
4.4.
bepaalt dat de behandeling van de zaak ten aanzien van de omgangsregeling wordt aangehouden tot
1 oktober 2026 PRO FORMAmet het verzoek aan de advocaten van partijen de rechtbank vóór deze datum schriftelijk te informeren omtrent de huidige stand van zaken;
4.5.
bepaalt dat partijen, hun advocaten en de raad voor de kinderbescherming op de pro forma-datum niet tijdens de mondelinge behandeling behoeven te verschijnen.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.H.L. van Dijkman (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. B.J. Louter, griffier, op 8 april 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.