Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7246

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
FT RK 17-2359
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 320 FwArt. 349a FwArt. 354 FwArt. 356 FwBesluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvullend salarisverzoek bewindvoerder in schuldsaneringsregeling kinderopvangtoeslagaffaire

Mevrouw [naam] werd op 19 februari 2018 toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, die tussentijds werd verlengd tot 19 december 2021. De rechtbank verleende haar op 14 januari 2022 een schone lei en stelde het salaris van de bewindvoerder vast op € 3.900,63. De bewindvoerder vroeg op 22 december 2025 een extra vergoeding van € 4.490,00 toe te kennen, bovenop het reeds toegekende aanvullend salaris van € 657,03 conform het Besluit compensatie gedupeerden in schuldentraject.

De rechtbank nam kennis van het verzoek, het advies van de rechter-commissaris en de reactie van de bewindvoerder. De bewindvoerder stelde dat zij recht had op salaris over de volledige looptijd van de schuldsaneringsregeling, inclusief de periode tot het verbindend worden van de slotuitdelingslijst, en dat zij kosten had gemaakt door het dossier bijna vier jaar te moeten aanhouden in afwachting van de beslissing van de Belastingdienst.

De rechter-commissaris adviseerde afwijzing, stellende dat het salaris alleen over de looptijd van de schuldsaneringsregeling (19 februari 2018 tot 19 december 2021) kan worden toegekend en dat de extra vergoeding van € 657,03 reeds was toegekend. De rechtbank volgde dit advies en wees het verzoek af, omdat geen wettelijke grondslag bestond voor de extra vergoeding en omdat de bewindvoerder reeds salaris had ontvangen over de betreffende periode.

Uitkomst: De rechtbank wijst het aanvullend salarisverzoek van de bewindvoerder af wegens gebrek aan wettelijke grondslag en reeds toegekende vergoedingen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

afwijzing (aanvullend) salarisverzoek bewindvoerder

Insolventienummer: [nummer]
In de schuldsaneringsregeling van:

[naam] ,

[adres] ,
[postcode] [woonplaats] ,
bewindvoerder: N.T. van den Deijssel.

Waar gaat deze zaak over?

De bewindvoerder heeft op 22 december 2025 een salarisverzoek ingediend, waarbij zij de rechtbank verzoekt een extra vergoeding van € 4.490,00 – die de Belastingdienst reeds heeft toegekend – vast te stellen. De rechtbank neemt in deze beschikking daarop een beslissing.

Wat aan het salarisverzoek van 22 december 2025 voorafging

Mevrouw [naam] is op 19 februari 2018 toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechter-commissaris heeft de termijn van de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds verlengd tot 19 december 2021. De rechtbank heeft bij vonnis van 14 januari 2022 aan mevrouw [naam] een zogeheten schone lei verleend. De rechtbank heeft daarbij ook het salaris van de bewindvoerder van € 3.900,63 vastgesteld. De rechtbank heeft verder de financiële afwikkeling (het indienen van de slotuitdelingslijst) aangehouden, omdat mevrouw [naam] zich bij de Belastingdienst had gemeld als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire en de Belastingdienst daarop nog niet (definitief) had beslist.
Uit de zogenoemde garantiebrief van de Belastingdienst van 17 oktober 2025 volgt dat mevrouw [naam] is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. De bewindvoerder heeft daarna op 20 oktober 2025 bij de Belastingdienst een volledige aanvraag tot compensatie ingediend. Daaronder valt ook het salaris van de bewindvoerder, bestaande uit:
het salaris van de bewindvoerder conform het vonnis van 14 januari 2022. Dit betreft een bedrag van € 3.900,63;
aanvullend salaris van de bewindvoerder conform het Besluit compensatie gedupeerden in schuldentraject. Dit betreft een bedrag van € 657,03, en;
aanvullend salaris van de bewindvoerder conform de ‘Procestoelichting oplossen WSNP-boedels’. Dit betreft een bedrag van € 4.490,00.
De Belastingdienst heeft bij brief van 17 november 2025 de aanvraag van de bewindvoerder goedgekeurd.
De rechtbank heeft op 27 november 2025 een aanvullende salarisbeschikking afgegeven waarbij zij conform het Besluit compensatie gedupeerden in schuldentraject een extra vergoeding van € 657,03 heeft toegekend aan de bewindvoerder.
De bewindvoerder heeft op 27 november 2025 een ‘Verzoek goedkeuring uitdelingslijst’ ingediend, waaruit blijkt dat zij een bedrag van € 4.490,00 aan aanvullend salaris heeft opgenomen van de boedelrekening.

Het procesverloop

De rechtbank heeft kennisgenomen van het aanvullende salarisverzoek van de bewindvoerder van 22 december 2025, het advies van de rechter-commissaris van 3 februari 2026 (met bijlagen) en de reactie van de bewindvoerder daarop van 12 februari 2026.
Ter zitting van 4 maart 2026 is M. Zomerdijk, waarnemend bewindvoerder, door de rechtbank gehoord.
De rechtbank heeft bepaald dat op 1 april 2026 uitspraak zal worden gedaan.

Standpunt van de bewindvoerder

De bewindvoerder stelt dat zij recht heeft op een aanvullend salaris van € 4.490,00, omdat (i) de schuldsaneringsregeling eindigt op het moment van het verbindend worden van de slotuitdelingslijst en (ii) zij het dossier (bijna vier jaar) heeft moeten aanhouden in afwachting van de beslissing van de Belastingdienst inzake de kinderopvangtoeslagaffaire en zij daarvoor kosten heeft moeten maken.
( i)
De schuldsaneringsregeling eindigt op het moment van het verbindend worden van de slotuitdelingslijst
De bewindvoerder stelt dat zij recht heeft op salaris over de ‘volledige’ looptijd van de schuldsaneringsregeling en verwijst daarbij naar de ‘Procestoelichting oplossen WSNP-boedels, opgesteld door Belastingdienst/Toeslagen i.s.m. de BBW, op 11 augustus 2021’ (Procestoelichting). Uit die toelichting volgt namelijk dat een bewindvoerder het reguliere salaris over de volledige looptijd van de schuldsaneringsregeling mag opvoeren. De bewindvoerder is van mening dat de ‘volledige’ looptijd ook de periode betreft tussen de verlening van de schone lei en het verbindend worden van de slotuitdelingslijst. Het aanvullend salaris van € 4.490,00 ziet dan ook op de periode 10 oktober 2019 tot en met 15 november 2025. Niet alleen de Belastingdienst heeft hiermee ingestemd en het aanvullend salaris goedgekeurd, ook de rechtbanken Den Haag, Amsterdam en Midden-Nederland hebben in andere dossiers met een dergelijke vergoeding ingestemd en het financieel eindverslag goedgekeurd. De bewindvoerder overlegt daarbij van elke rechtbank één zaak ter onderbouwing van haar standpunt.
( ii)
De bewindvoerder heeft het dossier moeten aanhouden in afwachting van de beslissing van de Belastingdienst inzake de kinderopvangtoeslagaffaire en heeft daarvoor kosten moeten maken
De bewindvoerder stelt verder dat zij dossierkosten heeft moeten maken, omdat zij het dossier van mevrouw [naam] drie jaar en tien maanden heeft moeten aanhouden in afwachting van de beslissing van de Belastingdienst inzake de kinderopvangtoeslagaffaire. De (extra) kosten voor een dossier bedragen per maand € 3,81 en dit is exclusief de basiskosten. Daarnaast heeft de bewindvoerder in die periode ook maandelijks contact moeten leggen met de Belastingdienst om te informeren naar de stand van zaken. Daarmee is een dossier in afwachting van de beslissing van de Belastingdienst nooit helemaal afgesloten en heeft de bewindvoerder er werk aan.

Standpunt van de rechter-commissaris

De rechter-commissaris stelt dat de bewindvoerder recht heeft op salaris over de periode waarop de schuldsaneringsregeling van toepassing is (geweest) en verwijst daarbij naar het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering (Besluit) en artikel 349a van de Faillissementswet (Fw). Onder looptijd wordt volgens artikel 1 onder Pro g van het Besluit verstaan de termijn van de schuldsaneringsregeling bedoeld in artikel 349a Fw, in dit geval dus van 19 februari 2018 tot en met 19 december 2021. Daarnaast stelt de rechter-commissaris dat de bewindvoerder in zaken waarbij de schuldenaar is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire recht heeft op een extra vergoeding van € 657,03. Dat volgt immers uit artikel 4.6 lid 6 van de Wet hersteloperatie toeslagen. Deze vergoeding heeft de rechtbank bij beschikking van 27 november 2025 reeds aan de bewindvoerder toegekend. De rechter-commissaris ziet daarom geen aanleiding en ruimte om daarbovenop nog een extra vergoeding van € 4.490,00 toe te kennen.
Ten overvloede merkt de rechter-commissaris op dat het verzoek van de bewindvoerder deels ziet op een periode waarover het salaris door de rechtbank al is vastgesteld in het vonnis van 14 januari 2022.
De rechter-commissaris adviseert de rechtbank dan ook om het verzoek van de bewindvoerder af te wijzen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank wijst het salarisverzoek van de bewindvoerder van 22 december 2025 af en licht dit als volgt toe.
Vaststellen salaris bewindvoerder ex artikel 320 lid 1 Fw Pro
De beëindiging van de schuldsaneringsregeling kan worden onderscheiden in twee deelperioden, ten eerste de in artikel 349a Fw bedoelde termijn (de looptijd) en de uitspraak van de rechtbank op de voet van artikel 354 lid 1 Fw Pro (ook wel de materiële looptijd genoemd) en ten tweede de periode tussen die uitspraak en het in artikel 356 lid 2 Fw Pro bedoelde van rechtswege eindigen van die regeling (ook wel de formele looptijd genoemd).
De rechtbank heeft bij vonnis van 14 januari 2022 (ex artikel 354 Fw Pro) aan mevrouw [naam] de schone lei verleend. Daarmee is de schuldsaneringsregeling materieel geëindigd. Bij dit vonnis heeft de rechtbank het salaris van de bewindvoerder overeenkomstig het Besluit vastgesteld op € 3.900,63. Dat salaris ziet op de periode 19 februari 2018 tot en met 19 december 2021 en betreft de periode waarop de schuldsaneringsregeling ex artikel 349a Fw van toepassing is geweest.
Het verzoek van de bewindvoerder ziet op het looptijdafhankelijke deel
Op grond van artikel 3 lid 1 in Pro samenhang met artikel 2 lid 1 van Pro het Besluit bestaat de vergoeding voor de bewindvoerder uit een looptijdonafhankelijk en een looptijdafhankelijk deel. Het salarisverzoek van de bewindvoerder van 22 december 2025 van € 4.490,00 ziet op het looptijdafhankelijke deel. Dat blijkt namelijk uit het door de bewindvoerder ingevulde formulier ‘Verzoek berekening vergoeding en vaststelling salaris Wsnp-bewind’ (ook wel het salarisformulier) dat zij bij haar verzoek heeft gevoegd. Daarin heeft zij een berekening gemaakt van het looptijdafhankelijke deel dat ziet op de periode 10 oktober 2019 tot en met 15 november 2025.
Het looptijdafhankelijke deel wordt overeenkomstig artikel 2 lid 3 in Pro samenhang met artikel 1 onder Pro g van het Besluit berekend over iedere maand waarop de schuldsaneringsregeling ex artikel 349a Fw van toepassing is. De termijn van de schuldsaneringsregeling van mevrouw [naam] bedroeg ex artikel 349a Fw drie jaar en tien maanden en liep zoals al eerder overwogen van 19 februari 2018 tot en met 19 december 2021. Dat betekent dat het looptijdafhankelijke deel in beginsel berekend kan worden tot 20 december 2021.
De rechtbank ziet geen reden de vergoeding in afwijking van het Besluit aan te passen
De rechtbank kan op grond van artikel 3 lid 2 van Pro het Besluit afwijken van artikel 2 van Pro dat Besluit, indien daartoe gronden zijn. De bewindvoerder stelt dat die gronden er zijn en verwijst daarbij in de eerste plaats (i) naar de eerdergenoemde Procestoelichting. Volgens die Procestoelichting mogen bewindvoerders de volgende onderdelen van het salaris opvoeren: het reguliere salaris van de bewindvoerder over de ‘volledige looptijd’ van de schuldsaneringsregeling en vier uur extra salaris voor de complexiteit van de afwikkeling. Daarnaast (ii) wijst de bewindvoerder er op dat de Belastingdienst en andere rechtbanken de extra vergoeding zonder vragen of commentaar hebben toegekend. Tot slot (iii) stelt de bewindvoerder dat sprake is van extra gemaakte kosten.
De rechtbank ziet op grond van hetgeen de bewindvoerder stelt geen aanleiding om van het Besluit af te wijken en de vergoeding aan te passen. Zij legt hierna uit waarom zij zo beslist.
( i)
Uitleg ‘volledige looptijd’
De bewindvoerder heeft verklaard dat de toenmalig voorzitter van de BBW met de Belastingdienst heeft afgesproken dat de Belastingdienst het salaris van de bewindvoerder betaalt tot aan het verbindend worden van de slotuitdelingslijst ex artikel 356 Fw Pro (de ‘volledige looptijd’). De bewindvoerder heeft ter onderbouwing daarvan weliswaar verwezen naar een e-mail van de toenmalige voorzitter van de BBW, waarin deze afspraak zou zijn bevestigd, maar heeft deze e-mail niet kunnen overleggen. De rechtbank kan daarom niet zonder meer van het bestaan van deze afspraak uitgaan. Bovendien volgt uit artikel 4.6 lid 6 van de Wet hersteloperatie toeslagen dat de vergoeding van de bewindvoerder berekend wordt overeenkomstig het Besluit, zoals dat hiervoor uiteen is gezet en, waarbij ervan wordt uitgegaan dat de schuldsaneringsregeling ten minste drie jaren (oud) heeft geduurd. Bewindvoerders kunnen daardoor in schuldsaneringsregelingen waarbij de regeling eerder eindigt door verkorting (ex artikel 349a Fw) of tussentijds wordt beëindigd (ex artikel 350 lid 3 sub a Fw Pro) een salarisverzoek indienen over de volledige materiële looptijd van ten minste drie jaar ex artikel 349a Fw. De rechtbank volgt de bewindvoerder dan ook niet in haar lezing van de Procestoelichting dat met ‘volledige looptijd’ ook de periode tot aan het verbindend worden van de slotuitdelingslijst wordt bedoeld. Integendeel, gelet op hetgeen volgt uit de Wet hersteloperatie toeslagen moet in de Procestoelichting met de ‘volledige looptijd’ de materiële looptijd van de schuldsaneringsregeling zijn bedoeld. Verder volgt zowel uit de Procestoelichting als uit artikel 4.6 lid 6 van de Wet hersteloperatie toeslagen dat de bewindvoerder recht heeft op een extra vergoeding van € 657,03, in verband met de extra werkzaamheden vanwege de kinderopvangtoeslagaffaire. Dit bedrag is in dit geval ook als extra salaris toegekend.
( ii)
De Belastingdienst en andere rechtbanken hebben de extra vergoeding – zonder commentaar of vragen – toegekend
Dat andere rechtbanken, te weten rechtbank Amsterdam, Den Haag en Midden-Nederland, deze extra vergoeding zouden hebben toegekend zoals de bewindvoerder heeft aangevoerd, maakt niet dat de rechtbank Rotterdam om die reden ook in deze zaak de extra vergoeding moet toekennen. Daarvoor ontbreekt namelijk een wettelijke grondslag. Ook ziet de rechtbank hierin geen aanleiding om op grond van artikel 3 lid 2 van Pro het Besluit de vergoeding aan te passen. Bovendien is niet gebleken dat in de zaken bij de andere rechtbanken sprake is van gelijke gevallen, omdat de bewindvoerder geen gemotiveerde salarisbeschikkingen van die rechtbanken heeft overgelegd. Ook het feit dat de Belastingdienst in meerdere zaken – zonder commentaar – de extra vergoeding voor de periode tot aan het verbindend worden van de slotuitdelingslijst heeft toegekend, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Aan deze toekenning lijkt immers geen inhoudelijke beoordeling te zijn voorafgegaan. Zeker niet nu, zoals ook de rechter-commissaris in zijn advies heeft opgemerkt, uit deze zaak volgt dat de Belastingdienst over dezelfde periode twee keer een looptijdafhankelijk deel heeft vergoed. Het gaat daarbij om de periode
10 oktober 2019 tot en met 19 december 2021 en het betreft een bedrag van € 1.500,00. De bewindvoerder heeft namelijk bij het vonnis van 14 januari 2022 al een salaris ontvangen over de periode 19 februari 2018 tot en met 19 december 2021, terwijl de bewindvoerder in het thans voorliggende verzoek verzoekt een salaris vast te stellen over de periode
10 oktober 2019 tot en met 15 november 2025. De rechtbank acht het onzorgvuldig dat de bewindvoerder nogmaals salaris vraagt over een periode waarover zij al salaris heeft ontvangen.
( iii)
De extra vergoeding van € 4.490,00 ziet ook op gemaakte kosten
De bewindvoerder heeft verklaard dat de extra vergoeding ook ziet op de kosten die zij heeft moeten maken voor het aanhouden van het dossier van mevrouw [naam] in afwachting van de beslissing van de Belastingdienst inzake de kinderopvangtoeslagaffaire. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de bewindvoerder een extra vergoeding (salaris) toe te kennen voor kosten die zij heeft moeten maken die vallen onder de normale bedrijfsvoering.

De rechtbank:

- wijst af het verzoek van de bewindvoerder.
Deze beslissing is op 1 april 2026 gegeven door mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Hulsegge, griffier.