Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7229

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2604753:R-RK – NL:TZ:2604756:R-RK
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing dwangakkoord bij nulaanbod schuldregeling ondanks verzet schuldeisers

Verzoeker diende een verzoek in op grond van artikel 287a Faillissementswet om schuldeisers te dwingen in te stemmen met een aangeboden schuldregeling. De regeling betrof een nulaanbod waarbij geen uitdeling aan schuldeisers plaatsvindt, gebaseerd op de NVVK-norm en de Participatiewet-uitkering van verzoeker.

Negen van de twaalf schuldeisers stemden in met het akkoord, maar Havensteder, Bruski en Menzis, die samen 27% van de schuldenlast vertegenwoordigen, weigerden. Havensteder verwees naar de onrechtmatigheid van haar vordering en eerdere mislukte schuldhulpverleningstrajecten. Menzis stelde voorwaarden waaronder zij zou instemmen, waaronder een langere doorlooptijd en geen nieuwe betalingsachterstanden.

De rechtbank oordeelde dat verzoeker geen afloscapaciteit heeft en ook niet binnen afzienbare tijd zal verkrijgen, wat werd onderbouwd met ontheffingen van sollicitatieplicht en een vtlb-berekening. De rechtbank vond het belang van verzoeker bij een schuldenvrije toekomst zwaarder wegen dan het belang van de weigerende schuldeisers. Het verzoek tot dwangakkoord werd daarom toegewezen en het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling werd afgewezen.

Uitkomst: Rechtbank wijst dwangakkoord toe en beveelt schuldeisers in te stemmen met nulaanbod schuldregeling.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummer: [nummer 1] – [nummer 2]
Vonnis van 22 mei 2026
op het verzoek van
[naam 1],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres]
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 25 februari 2026, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om een aantal schuldeisers, te weten:
  • Stichting Havensteder (hierna: Havensteder);
  • Bruski, in behandeling bij Inkassier Gerechtsdeurwaarders (hierna: Bruski);
  • Zekur Schadeverzekeringen, in behandeling bij EDR Incasso (hierna: Zekur Schadeverzekeringen);
  • Menzis t.a.v. Debiteuren/ SOVK, in behandeling bij GGN Mastering Credit B.V. (hierna: Menzis);
die weigeren mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Menzis heeft voorafgaand aan de zitting op 15 april 2026 een verweerschrift aan de rechtbank toegezonden.
Ter zitting van 11 mei 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • mevrouw [naam 2] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
  • mevrouw Y.D.M.C. Kolijn, mevrouw H. Lamou en mevrouw N. Nadaerkelens alle drie werkzaam bij Van den Bosse Bewindvoeringen B.V. (hierna: beschermingsbewind);
  • mevrouw [naam 3] , werkzaam bij Havensteder.
De overige weigerende schuldeisers zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
Ter zitting heeft schuldhulpverlening verklaard dat Zekur Schadeverzekeringen aan schuldhulpverlening te kennen heeft gegeven alsnog in te stemmen met de aangeboden schuldregeling. Het verzoek ten aanzien van Zekur Schadeverzekeringen wordt als ingetrokken beschouwd.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.Het verzoek

Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift twaalf schuldeisers, waarvan één preferente en elf concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 133.401,45 van verzoeker te vorderen. Verzoeker heeft bij brief van 21 januari 2025 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, die inhoudt dat geen uitdeling zal plaatsvinden aan de schuldeisers en waarbij aan de schuldeisers verzocht wordt de betreffende schulden kwijt te schelden.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoeker is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van zijn Participatiewet-uitkering. Verzoeker heeft een ontheffing van zijn sollicitatieverplichting van de gemeente Rotterdam over de periode 29 augustus 2024 tot en met 28 augustus 2025. Ook heeft verzoeker een ontheffing van zijn sollicitatieverplichting van de gemeente Rotterdam over de periode 21 november 2025 tot en met 20 november 2026. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat zij niet verwacht dat de afloscapaciteit van verzoeker binnen afzienbare tijd zal toenemen. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en zijn vaste lasten worden door zijn beschermingsbewindvoerder voldaan.
Negen schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. Havensteder, Bruski en Menzis stemmen hier niet mee in. Zij hebben een vordering van € 35.938,81 op verzoeker, welke 27% van de totale schuldenlast beloopt.

3.Het verweer

Havensteder
In haar contacten met schuldhulpverlening heeft Havensteder te kennen gegeven dat haar voorkeur uit gaat naar toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. De vordering van Havensteder heeft betrekking op de voormalige woning van verzoeker. De woning is destijds door de burgemeester gesloten in verband met een illegale seksinrichting in de woning. De vordering van Havensteder is dan ook niet te goeder trouw ontstaan. Daarnaast heeft verzoeker eerder, namelijk in 2021 en 2022, geprobeerd met zijn schuldeisers tot een oplossing te komen. Deze schuldhulpverleningstrajecten hebben geen doorgang gevonden. Havensteder verzoekt dan ook het verzoek af te wijzen.
Menzis
In haar verweerschrift heeft Menzis aangegeven dat zij bereid is mee te werken aan het voorstel zonder uitdeling aan de schuldeisers, met de voorwaarde dat een doorlooptijd van achttien maanden wordt aangehouden. Menzis stelt daarnaast de voorwaarde dat gedurende de doorlooptijd geen nieuwe betalingsachterstanden mogen ontstaan. Een directe afboeking van de vordering biedt onvoldoende inzicht in de mogelijkheid van de klant om toekomstige betalingsverplichtingen na te komen. Ook merkt Menzis op dat normaliter sprake is van een financieel voordeel bij het instemmen met een minnelijke regeling. Dit heeft te maken met de hoge kosten van een wettelijke schuldsaneringsregeling. In dit geval is er geen sprake van een financieel voordeel, omdat er sprake is van een zogeheten nulaanbod. De wettelijke schuldsaneringsregeling biedt de schuldeisers dan betere waarborgen om tot een uitdeling van hun vordering te komen. Menzis verzoekt de rechtbank haar standpunt in overweging mee te nemen.
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft Bruski geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid zijn standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.

4.De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van Havensteder, Bruski en Menzis bij hun weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Havensteder, Bruski en Menzis in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij hebben bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vorderingen van Havensteder, Bruski en Menzis een aandeel vormen in de totale schuldenlast van 27%.
Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk negen van de twaalf schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.
De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Geldplein. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoeker inkomen ontvangt uit een Participatiewet-uitkering. Verzoeker heeft een ontheffing van de sollicitatieverplichting van de gemeente Rotterdam overgelegd over de periode 29 augustus 2024 tot en met 28 augustus 2025. Ook heeft verzoeker een ontheffing van de sollicitatieverplichting van de gemeente Rotterdam over de periode 21 november 2025 tot en met 20 november 2026 overgelegd. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat zij niet verwacht dat de afloscapaciteit van verzoeker binnen afzienbare tijd zal toenemen. Voorts is ter onderbouwing van het verzoek een vtlb-berekening aangeleverd, waaruit blijkt dat verzoeker onder de huidige omstandigheden geen afloscapaciteit heeft. Gelet op het voorgaande is voor de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat verzoeker in de komende jaren geen afloscapaciteit zal verkrijgen.
Uit het bovenstaande vloeit ook voort dat er geen reëel perspectief is op afloscapaciteit binnen een wettelijke schuldsaneringsregeling, zoals subsidiair verzocht. Dat betekent dat ook in de situatie dat de schuldsaneringsregeling (eventueel met een eerdere ingangsdatum) op verzoekster van toepassing zou zijn, er geen vooruitzicht is op een uitdeling aan de schuldeisers. Dat terwijl toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling aanzienlijke kosten met zich brengt, bestaande uit onder meer salaris voor de bewindvoerder en griffierecht. De verwachting is dat een groot deel van de wsnp-gerelateerde kosten ten laste van de Staat zouden moeten komen.
Gelet op die omstandigheden en het belang van verzoeker bij een schuldenvrije toekomst, dient het belang van verzoeker in dit geval naar het oordeel van de rechtbank te prevaleren boven het belang van Havensteder, Bruski en Menzis.
Het verzoek om Havensteder, Bruski en Menzis te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
Havensteder, Bruski en Menzis zullen als de in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoeker niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoeker zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden en dat hij niet verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- beveelt Havensteder, Bruski en Menzis om in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt Havensteder, Bruski en Menzis in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op nihil;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;
- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. de Jong, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.