Verzoeker diende een verzoek in op grond van artikel 287a Faillissementswet om schuldeisers te dwingen in te stemmen met een aangeboden schuldregeling. De regeling betrof een nulaanbod waarbij geen uitdeling aan schuldeisers plaatsvindt, gebaseerd op de NVVK-norm en de Participatiewet-uitkering van verzoeker.
Negen van de twaalf schuldeisers stemden in met het akkoord, maar Havensteder, Bruski en Menzis, die samen 27% van de schuldenlast vertegenwoordigen, weigerden. Havensteder verwees naar de onrechtmatigheid van haar vordering en eerdere mislukte schuldhulpverleningstrajecten. Menzis stelde voorwaarden waaronder zij zou instemmen, waaronder een langere doorlooptijd en geen nieuwe betalingsachterstanden.
De rechtbank oordeelde dat verzoeker geen afloscapaciteit heeft en ook niet binnen afzienbare tijd zal verkrijgen, wat werd onderbouwd met ontheffingen van sollicitatieplicht en een vtlb-berekening. De rechtbank vond het belang van verzoeker bij een schuldenvrije toekomst zwaarder wegen dan het belang van de weigerende schuldeisers. Het verzoek tot dwangakkoord werd daarom toegewezen en het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling werd afgewezen.