Verzoeker heeft op grond van artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet een voorlopige voorziening gevraagd om de ontruiming van zijn huurwoning te schorsen. Eerder was een soortgelijk verzoek afgewezen vanwege onvoldoende aannemelijkheid dat verzoeker een schuldhulpverleningstraject zou doorlopen en vanwege het ontbreken van beschermingsbewind.
De omstandigheden zijn gewijzigd doordat verzoeker inmiddels onder beschermingsbewind staat, waardoor de huurbetalingen vanaf oktober 2025, zij het steeds te laat, zijn voldaan en het minnelijk schuldhulpverleningstraject nu zal worden opgestart. Verweerster betwistte dit en wees op het niet betalen van de huur van mei 2026 en het weigeren van eerdere hulp.
De rechtbank oordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming en dat het belang van verzoeker om in de woning te blijven en schuldhulp te ontvangen zwaarder weegt dan het belang van verweerster. De voorlopige voorziening wordt daarom toegewezen voor zes maanden, met de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen voor de 15e van de maand worden voldaan.
Daarnaast wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, vanwege het lopende moratorium. De rechtbank bepaalt dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject uiterlijk twee weken voor het einde van de voorziening verslag moet uitbrengen.