Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 4 april 2025;
- het bericht met bijlagen van de vrouw van 3 juni 2025;
- het bericht van de vrouw van 1 april 2026;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op 12 april 2026.
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] .
2.De vaststaande feiten
3.De beoordeling
- Welke zorgregeling komt het meest tegemoet aan het belang van de minderjarige?
- Hoe moet de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om in het advies te vermelden?
4.De beslissing
voorlopige zorgregelingdie partijen hebben afgesproken in afwachting van en gedurende het hulpverleningstraject ouderschapsbemiddeling, te weten:
- vanaf 18 april 2026 verblijft de minderjarige elke zaterdag van 12:00 tot 15:00 uur bij de man;
- vanaf 6 juni 2026 verblijft de minderjarige elke zaterdag van 10:00 uur tot 17:00 uur bij de man;
1 februari 2027 PRO FORMA.