Verzoeker heeft op 30 april 2026 een verzoek ingediend op grond van artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet, om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van zijn huurwoning opschort. De rechtbank stelde de behandeling vast op 13 mei 2026, waarbij verweerster niet ter zitting verscheen maar een verweerschrift indiende waarin zij zich conformeerde aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank constateerde een bedreigende situatie omdat een vonnis tot ontruiming van 15 april 2025 en een exploot van 8 april 2026 tot uitvoering van de ontruiming op 6 mei 2026 waren overgelegd. Verzoeker heeft sinds april 2026 een inkomen uit arbeid en heeft de huurtermijn van mei 2026, zij het te laat, betaald. Daarnaast staat verzoeker onder beschermingsbewind, wat waarborgt dat toekomstige huurtermijnen tijdig worden voldaan.
De belangenafweging leidde tot de conclusie dat het belang van verzoeker om in de woning te blijven en het schuldhulpverleningstraject voort te zetten zwaarder weegt dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren. De rechtbank legde een voorwaarde op dat de lopende huurtermijnen tijdig moeten worden voldaan en wees het moratorium toe voor zes maanden vanaf 1 mei 2026.
Verder verklaarde de rechtbank verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, gezien het nog lopende minnelijk traject. De rechtbank bepaalde dat schuldhulpverlening uiterlijk twee weken voor het aflopen van de voorziening verslag moet uitbrengen.
De uitspraak werd gedaan door rechter M.C. Snel-van den Hout op 21 mei 2026.