Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7215

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
C/10/714042 / JE RK 26-174
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BWArt. 1:265j BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige in belang van verzorging en opvoeding

De rechtbank Rotterdam heeft op 15 mei 2026 de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige verlengd tot 1 september 2026. De minderjarige verblijft sinds drie jaar in een behandelgroep en is deze situatie ontgroeid, wat zijn ontwikkeling belemmert. De ondertoezichtstelling is verlengd tot 10 februari 2027.

De gecertificeerde instelling (GI) verzocht om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling. De moeder betoogde dat het traject stagneert door het ontbreken van een vaste jeugdbeschermer en dat de omgang met de minderjarige al twee maanden stilligt. De rechtbank constateert dat de begeleiding van Needed People, bedoeld om de omgang te begeleiden, ondanks financiering nog niet is gestart.

De rechtbank benadrukt het belang van een gefaseerde opbouw van de omgang en een mogelijke thuisplaatsing. Zij stelt dat de omgang uiterlijk 30 mei 2026 moet zijn hervat, ook als de begeleiding van Needed People nog niet kan starten. Tevens wordt een vaste jeugdbeschermer aan de zaak verbonden om regie te voeren. De behandeling van het resterende verzoek wordt aangehouden en een nader te bepalen zitting gepland.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing tot 1 september 2026 en stelt voorwaarden voor het hervatten van omgang en het aanstellen van een vaste jeugdbeschermer.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/714042 / JE RK 26-174
Datum uitspraak: 15 mei 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbende aan:
[moeder],
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. S. Epema, kantoorhoudende in Capelle aan den IJssel.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 20 maart 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • de e-mail van iHub, binnengekomen op 30 april 2026;
  • de e-mail met bijlage van Needed People van 7 mei 2026;
  • het adviesrapport van iHub van 12 mei 2026;
  • de briefrapportage van de GI met bijlagen van 13 mei 2026
  • de e-mails met bijlagen van de advocaat van de moeder van 8 mei 2026,
13 mei 2026 en 15 mei 2026.
1.2.
Op 15 mei 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger] .
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft bij iHub, locatie [locatie behandelgroep] .
2.3.
Bij beschikking van 6 februari 2026 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 10 februari 2027. Ook is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 3 april 2026. Het overige verzochte is aangehouden.
2.4.
Bij beschikking van 20 maart 2026 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 3 juni 2026, waarbij het overige verzochte is aangehouden. De behandeling van het resterende deel van het verzoek en de beslissing daarop is verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.

3.Het aangehouden verzoek

De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling (tot 10 februari 2027) en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek ter zitting en verwijst daarbij naar de briefrapportage van 13 mei 2026. Daarin is aangegeven dat begeleiding gedurende de contactmomenten met de moeder in het weekend van belang is om zicht te houden op de veiligheid en stabiliteit thuis. Hiervoor is begeleiding van Needed People aangevraagd. De financiering hiervan is sinds april 2026 rond. Needed People heeft echter op 12 mei 2026 bij de GI aangegeven dat het contract nog niet rond is en dat zij in afwachting zijn van de beschikking voordat de begeleiding kan starten. Zodra de begeleiding van Needed People is gestart, kunnen de contactmomenten tussen de moeder en [minderjarige] in de weekenden worden opgebouwd en de voortgang hiervan worden gemonitord. Volgens de GI heeft iHub geadviseerd het contact geleidelijk op te bouwen, zodat dit voor zowel [minderjarige] als de moeder behapbaar blijft.
Verder geeft de GI aan dat [minderjarige] de groep bij [locatie behandelgroep] is ontgroeid. Er wordt nu gezocht naar een passende vervolgplek in de buurt van de moeder.
De GI meldt ook dat er momenteel geen jeugdbeschermer bij de zaak is betrokken en dat zo spoedig mogelijk een jeugdbeschermer aan de zaak zal worden gekoppeld.
Het is de GI niet bekend of de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) in deze zaak is gevraagd om op grond van artikel 1:265j, lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) advies uit te brengen over het verzoek om de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing te verlengen.
4.2.
Door en namens de moeder is het volgende naar voren gebracht. Omdat er geen vaste jeugdbeschermer is, wordt er geen regie gevoerd en is er niemand die de hulpverlening coördineert. Daardoor stagneert het traject van Needed People en ligt de omgangsregeling al twee maanden stil. De moeder begrijpt dat [minderjarige] niet zomaar terug kan naar huis en dat er een opbouw moet plaatsvinden, maar het is van groot belang dat de GI de regie gaat pakken.
Sterk in Regie is (ook) betrokken bij [minderjarige] en de moeder en kan, totdat de begeleiding van Needed People is gestart, de ondersteuning in de thuissituatie uitbreiden door vaker langs te komen.
De moeder vraagt zich af hoe lang het nog moet duren voordat de (weekend) omgang weer wordt hervat. De moeder heeft de resultaten van de urinecontroles overgelegd en die zijn alle negatief.
Als de begeleiding van Needed People is gestart, kan er gekeken worden naar de mogelijkheden voor thuisplaatsing, zodat kan worden voorkomen dat [minderjarige] twee keer moet verhuizen. De moeder is met het oog op een eventuele thuisplaatsing zelf op zoek gegaan naar een dagbesteding voor [minderjarige] en heeft hem aangemeld bij [dagbesteding] , waar [minderjarige] nu op de wachtlijst staat. Daarnaast heeft de moeder [minderjarige] aangemeld bij [logeerhuis] . Ook de oma moederszijde kan de moeder ondersteunen als [minderjarige] weer thuis komt wonen.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de rechtbank van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. [1]
5.2.
Uit de overgelegde stukken en dat wat ter zitting is besproken blijkt dat [minderjarige] de behandelgroep van [locatie behandelgroep] (waar hij al drie jaar verblijft), al langere tijd is ontgroeid. Daardoor stagneert zijn ontwikkeling en dat is (zeer) zorgelijk. In de laatste beschikking van 20 maart 2026 heeft de kinderrechter de GI, mede gelet op het voorgaande, de opdracht gegeven om duidelijk te krijgen of [minderjarige] zonder eerst nog uit [locatie behandelgroep] naar een andere plek te moeten verhuizen, naar huis kan, en zo ja, op welke termijn en onder welke voorwaarden. De rechtbank betreurt dat er ook op de zitting van vandaag nog steeds onduidelijkheid bestaat over de opvoedsituatie bij de moeder en de mogelijkheden tot thuisplaatsing.
5.3.
Een gefaseerde opbouw richting een mogelijke thuisplaatsing wordt door alle betrokkenen noodzakelijk geacht. Daarvoor is het noodzakelijk dat de omgang in het weekend tussen [minderjarige] en de moeder wordt hervat. Om dit te begeleiden en te monitoren is de inzet van Needed People geadviseerd. Deze begeleiding is echter, ondanks dat de financiering rond is, niet van de grond gekomen. De rechtbank constateert dat dit vooral komt omdat er geen vaste jeugdbeschermer is betrokken die de hulpverlening kan coördineren en regie kan voeren.
5.4.
De rechtbank acht het van belang dat [minderjarige] en de moeder op korte termijn duidelijkheid en perspectief worden geboden, waarbij de moeder de kans moet krijgen om te laten zien of een thuisplaatsing tot de mogelijkheden behoort. Om de inmiddels te lang durende impasse te doorbreken, bepaalt de rechtbank dat de omgang tussen [minderjarige] en de moeder (al dan niet begeleid door Needed People) uiterlijk op 30 mei 2026 moet zijn hervat. Dat geldt ook in het geval Needed People (om administratieve redenen) nog niet kan worden ingezet.
5.5.
Tot slot merkt de rechtbank op dat sprake is van een complexe zaak waar meer vaart in moet komen. Tegen die achtergrond acht de rechtbank het noodzakelijk dat op korte termijn een vaste jeugdbeschermer aan de zaak wordt verbonden.
5.6.
De machtiging tot uithuisplaatsing zal gelet op het vorenstaande worden verlengd tot 1 september 2026 en voor het overige worden aangehouden tot een nader te bepalen zitting.
5.7.
De GI wordt verzocht om
uiterlijk twee wekenvoor de nader te bepalen zitting de rechtbank (met afschrift aan de moeder en mr. S. Epema) te rapporteren over de laatste stand van zaken.
Daarbij dient de GI ook het (tot nu toe ontbrekende) advies van de Raad (op grond van artikel 1:265j, lid 3 BW) te overleggen.
5.8.
De rechtbank verklaart de beslissing (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 1 september 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
en alvorens verder te beslissen:
6.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en roept de GI, de moeder en [minderjarige] op te verschijnen tijdens de nader te bepalen zitting;
6.4.
gelast de oproeping van [minderjarige] tegen de nader te bepalen zittingsdatum;
6.5.
verzoekt de GI om uiterlijk twee weken voor de nader te bepalen zittingsdatum de rechtbank (met afschrift aan de moeder en haar advocaat) schriftelijk te rapporteren over de laatste stand van zaken en het toetsingsadvies van de Raad te overleggen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2026 door mr. A.A.J. de Nijs, voorzitter, tevens kinderrechter, en mr. D.G.J. Roset en mr. J. Groot, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. E.M. Borges Dias als griffier, en op schrift gesteld op 12 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.