Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7213

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2600790:R-RK
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FaillissementswetArt. 285 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot toelating tot wettelijke schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende nakoming verplichtingen

Mevrouw heeft een verzoek ingediend om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) vanwege een problematische schuldensituatie met een schuldenlast van bijna €75.000. Tijdens de zitting op 7 mei 2026 is gebleken dat zij inkomsten ontvangt uit een PW-uitkering en dat er twijfels zijn over haar bereidheid en vermogen om de verplichtingen van de regeling na te komen.

De rechtbank oordeelt dat mevrouw onvoldoende saneringsgezind is. Zij heeft aangegeven geen gebruik te willen maken van de regeling en uitte kritiek op de beschermingsbewindvoerder over het beheer van een nieuwe schuld. Tevens verliet zij de zitting voortijdig uit boosheid. De beschermingsbewindvoerder verklaarde dat mevrouw recent een auto op haar naam heeft gezet, die zij wil verkopen om extra geld te verkrijgen.

Gezien de zware verplichtingen die rusten op een schuldenaar tijdens de Wsnp en de houding van mevrouw, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat zij aan deze verplichtingen zal voldoen. Daarom wijst de rechtbank het verzoek af. Dit betekent niet dat er geen andere gronden voor afwijzing zijn, maar deze zijn niet nader uitgewerkt in het vonnis.

Uitkomst: Het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid dat de verzoekster haar verplichtingen zal nakomen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie
Afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
Rekestnummer: [nummer]
Uitspraakdatum: 13 mei 2026
[naam 1],
wonende te [adres 1]
.
Waar deze zaak over gaat
Mevrouw [naam 1] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft mevrouw [naam 1] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Dit verzoek wordt afgewezen.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1.De procedure

Mevrouw [naam 1] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 7 mei 2026. Op de zitting zijn verschenen:
  • mevrouw [naam 1] ;
  • mevrouw [naam 2] , schuldhulpverlener bij Geldplein;
  • mevrouw I. Boerakker en mevrouw T. Jansen, beiden werkzaam bij Van den Bosse Bewindvoering B.V., beschermingsbewindvoerder;
  • mevrouw [naam 2] , begeleider.

2.De feiten

Mevrouw [naam 1] ontvangt inkomsten uit een PW-uitkering. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet Pro € 74.995,84.

3.De beoordeling

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als, onder andere, voldoende aannemelijk is dat verzoekster de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is. Mevrouw [naam 1] heeft tijdens de zitting aangegeven dat zij niet per se gebruik wil maken van de schuldsaneringsregeling. Mevrouw [naam 1] is van mening dat de beschermingsbewindvoerder verkeerde keuzes heeft gemaakt bij het afbetalen van een nieuwe schuld. Er was een regeling getroffen met betrekking tot deze nieuwe schuld. De beschermingsbewindvoerder heeft er echter voor gekozen deze nieuwe schuld in een keer af te lossen in plaats van de regeling na te komen, waardoor mevrouw [naam 1] niet de beschikking kreeg over extra geld om leuke dingen te doen met haar kinderen. Mevrouw [naam 1] heeft, nadat de rechtbank haar enige vragen heeft gesteld over de aard van de CJIB-schuld en de mededeling dat zij geen nieuwe schulden mag maken, de zittingszaal boos verlaten. Daarnaast heeft de beschermings-bewindvoerder ter zitting verklaard dat mevrouw [naam 1] onlangs een auto op haar naam heeft gezet. Mevrouw [naam 1] heeft deze auto gekregen van haar broer. Zij wil deze auto schorsen en dan verkopen, zodat zij extra geld heeft voor de zomer. Mevrouw [naam 1] heeft ter zitting verklaard dat zij in januari 2026 enige tijd in detentie heeft gezeten waardoor haar uitkering is gekort. Naar de mening van mevrouw [naam 1] heeft de beschermingsbewindvoerder onvoldoende haar best gedaan om ervoor te zorgen dat de uitkering tijdig werd hersteld.
Gedurende de schuldsaneringsregeling rusten op een schuldenaar voortdurend zware verplichtingen en van hem worden in deze periode forse inspanningen gevergd. Gelet op de houding van verzoekster is onvoldoende aannemelijk dat zij de verplichtingen, voortvloeiend uit de schuldsaneringsregeling naar behoren zal nakomen. De uitlatingen van mevrouw [naam 1] dat zij nooit extra geld krijgt om leuke dingen te doen, stroken niet met de verplichting om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De houding van mevrouw [naam 1] tijdens de zitting en het halverwege verlaten van de zitting geven geen blijk van een saneringsgezinde houding. De rechtbank weegt hierbij tevens mee dat mevrouw [naam 1] tijdens de zitting diverse malen heeft aangegeven dat zij geen gebruik wenst te maken van de schuldsaneringsregeling.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.

4.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit is de beslissing van mr. E.A. Vroom, rechter, in samenwerking met C. van der Velde, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026. [1]