Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7200

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
-NL:TZ:2612318:R-RK - NL:TZ:2612319:R-RK
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b FwArt. 287 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing moratoriumverzoek en opschorting ontruiming huurwoning voor zes maanden

Verzoekster heeft een moratoriumverzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om de ontruiming van haar huurwoning op te schorten. Zij verkeerde in een moeilijke situatie door een echtscheidingsprocedure en een huurachterstand, mede veroorzaakt door conservatoir beslag op haar zakelijke rekening. Verzoekster exploiteert een café en heeft voldoende inkomsten om de lopende huur te voldoen.

Verweerster betwist de betaling van de huur en heeft weinig vertrouwen in de betalingscapaciteit van verzoekster. De rechtbank beoordeelt dat er sprake is van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming en weegt het belang van verzoekster om met haar kinderen in de woning te blijven en schuldhulpverlening te doorlopen, tegen het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren.

De rechtbank acht aannemelijk dat de lopende huurtermijnen kunnen worden voldaan, mede omdat verzoekster een betaalbewijs heeft overgelegd. Schuldhulpverlening kan op korte termijn worden opgestart. Daarom wordt het moratoriumverzoek toegewezen voor zes maanden onder de voorwaarde dat de huur tijdig wordt betaald. Het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: De rechtbank wijst het moratoriumverzoek toe en schort de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden op onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] - [nummer 2]
uitspraakdatum: 8 juni 2026
[naam 1] ,
wonende te [adres]
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 15 mei 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 15 mei 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 2 juni 2026.
Ter zitting van 2 juni 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • mr. J. Pearson, advocaat van verzoekster;
  • de heer [naam 2], werkzaam bij Zuidweg en Partners (hierna: schuldhulpverlening);
  • mevrouw [naam 3] en mevrouw [naam 4], beiden werkzaam bij de stichting Stichting Maasdelta Groep, gevestigd te Spijkenisse (hierna: verweerster).
De heer / mevrouw [naam 5], werkzaam bij GGN Mastering Credit B.V., heeft namens verweerster voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden.
Verzoekster heeft op 5 juni 2026 een betaalbewijs toegezonden aan de rechtbank met betrekking tot de huur over de maand juni 2026.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 maart 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster heeft een vervelende periode doorgemaakt. Zij was verwikkeld in een echtscheidingsprocedure. Omdat haar ex-partner geen vaste woon- of verblijfplaats heeft het enige maanden geduurd voordat zij de echtscheiding kon laten inschrijven. Alle correspondentie met betrekking tot de vaste lasten ging naar de ex-partner van verzoekster. Verzoekster stelt dat zij niet op de hoogte was van de huurachterstand. Vanaf december 2025 staat de huurovereenkomst alleen op naam van verzoekster. Op dat moment was zij niet in staat om de huur te voldoen vanwege conservatoir beslag op haar zakelijke rekening. Verzoekster is zich ervan bewust dat de lopende huur tijdig moet worden voldaan. Verzoekster exploiteert een cafébedrijf en heeft voldoende inkomsten om de lopende huurtermijnen te voldoen. Zij ontvangt inmiddels ook huur-en zorgtoeslag. Verzoekster heeft ter zitting meegedeeld dat zij de huur voor de maand juni 2026 heeft voldaan. Zij kan dit ter zitting echter niet aantonen omdat zij niet kan inloggen in haar bank-app. Verzoekster is zich er van bewust dat zij de lopende huurtermijnen tijdig dient te voldoen. Zij wenst een oplossing voor haar schuldenproblematiek. De advocaat van verzoekster heeft ter zitting bevestigd dat er sprake is van een sluitend budget. Schuldhulpverlening heeft verklaard dat alle aangiftes voor 2025 zijn voldaan. Er is ook geen belastingschuld. Er kan een spaartraject worden gestart of een BBZ-krediet worden aangevraagd. Dit zal op korte termijn moeten worden onderzocht. Schuldhulpverlening acht het verstandig dat verzoekster zich onder budgetbeheer stelt.

3.Het verweer

Verweerster stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Er is sprake van een lange geschiedenis met verzoekster. In 2021 is de laatste kansovereenkomst ondertekend. De huurachterstand is toen voldaan. In 2023, 2024 en in 2026 hebben er weer procedures plaatsgevonden over de huurachterstand. Verzoekster stelt dat de huur over de maand juni 2026 is voldaan. Verweerster heeft ter zitting navraag gedaan bij een collega van de financiële administratie. Er is geen betaling binnengekomen. Dat verzoekster niet van de procedures op de hoogte was is niet waarschijnlijk. Verzoekster heeft tijdens de laatste zitting zichzelf en haar ex-partner vertegenwoordigd. Verweerster heeft er geen enkel vertrouwen in dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 mei 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 29 april 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 19 mei 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning met haar kinderen kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 20 maart 2026 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. De rechtbank heeft verzoekster na de zitting in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 5 juni 2026 een betaalbewijs toe te sturen waaruit blijkt dat de huur over de maand juni 2026 is voldaan. Verzoekster heeft op 5 juni 2026 een betaalbewijs aan de rechtbank toegezonden, waaruit blijkt dat de huur over de maand juni 2026 op 1 juni 2026 is voldaan. Verzoekster heeft voldoende inkomsten om de lopende huurtermijnen te voldoen. Zij is zich er van bewust dat zij de lopende huurtermijnen tijdig moet voldoen. De administratie van verzoekster is bijgewerkt en zij heeft al haar belastingaangiften gedaan. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat het schuldhulpverleningstraject op korte termijn kan worden opgestart, hetzij in de vorm van een spaartraject, hetzij in de vorm van een BBZ-krediet. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster. De rechtbank geeft verzoekster in overweging zich onder budgetbeheer te laten stellen.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster, gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 20 maart 2026 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan het [adres] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 15 mei 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026.