Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.De procedure
- verzoekster;
- mevrouw [naam 2], schuldhulpverlener;
- mevrouw [naam 3], schuldhulpverlener;
- de heer [naam 4], namens de verhuurder, Stichting Woonstad Rotterdam (hierna: verweerster).
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster heeft op 29 april 2026 een verzoek ingediend op grond van artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet, om een voorlopige voorziening (moratorium) te treffen die de ontruiming van haar woonruimte zou moeten voorkomen. Dit verzoek betrof dezelfde ontruiming als in het vonnis van 21 april 2022.
De rechtbank stelde vast dat verzoekster eerder, op 27 oktober 2025, al een moratorium van zes maanden was toegekend. De wettelijke maximale duur van een moratorium is zes maanden, en de wet voorziet niet in verlenging daarvan. Daarom is het nieuwe verzoek niet ontvankelijk.
Daarnaast oordeelde de rechtbank dat het minnelijk traject nog in een beginstadium verkeert en dat het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Verzoekster kan te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
De rechtbank wees het verzoek om een moratorium af en verklaarde verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling. De uitspraak werd gedaan door rechter B.J. Tideman op 20 mei 2026.
Uitkomst: Het verzoek om een moratorium wordt afgewezen omdat eerder al een moratorium van zes maanden is toegekend en de wettelijke termijn is verstreken.