ECLI:NL:RBROT:2026:7136

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
C/10/716365 / FA RK 26-2035 en C/10/717647 / JE RK 26-648
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 BWArt. 1:247 BWArt. 1:276 BWArt. 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ouderlijk gezag en benoeming voogd over minderjarige wegens ernstige bedreiging ontwikkeling

De kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam behandelde op 2 juni 2026 het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming om het gezag van de moeder over de minderjarige te beëindigen en de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting tot voogd te benoemen.

De minderjarige, een 15-jarige jongen met ASS, ADHD, PTSS en hechtingsstoornis, vertoont ernstige gedragsproblematiek en heeft een verstoorde relatie met zijn moeder. Pogingen tot terugplaatsing bij de moeder zijn mislukt. De moeder is onvoldoende in staat om de zorg te dragen en neemt beslissingen die niet in het belang van de minderjarige zijn, wat leidt tot conflicten en vertraging in noodzakelijke zorg.

De kinderrechter oordeelt dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd en dat de moeder niet binnen een aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid kan dragen. Daarom wordt het gezag van de moeder beëindigd en wordt de gecertificeerde instelling benoemd tot voogd. De moeder moet verantwoording afleggen over het vermogen van de minderjarige. Het verzoek tot verlenging van ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing wordt afgewezen wegens gebrek aan belang.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: Het ouderlijk gezag van de moeder wordt beëindigd en de gecertificeerde instelling wordt benoemd tot voogd over de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/716365 / FA RK 26-2035 en C/10/717647 / JE RK 26-648
Datum uitspraak: 2 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter
in de zaken van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
en
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de GI, gevestigd te Amsterdam,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum 1] 2011 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming als belanghebbende aan:
de GI,zoals voornoemd.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de tussenbeschikking van de kinderrechter in deze kinderrechter van 22 mei 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • het bericht van de kinderrechter aan de moeder van 22 mei 2026, in de zaak met zaaknummer C/10/716365 / FA RK 26-2035.
1.2.
Op 2 juni 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger 1] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger 2] .
1.3.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen mening gegeven.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft bij woongroep [woongroep] in [plaats] .
2.3.
De GI heeft zich bij brief van 10 december 2025 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 mei 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 30 juli 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 30 juli 2026.

3.De (aangehouden) verzoeken

In de zaak met zaaknummer C/10/716365 / FA RK 26-2035
3.1.
De Raad verzoekt het gezag van de moeder te beëindigen en de GI tot voogd over [minderjarige] te benoemen. De Raad verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De kinderrechter heeft het verzoek van de Raad bij beschikking van 22 mei 2026 aangehouden.
In de zaak met zaaknummer C/10/717647 / JE RK 26-648
3.2.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van
een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een
accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar. Over de periode tot 30 juli 2026 is reeds een beslissing genomen. Er resteert nu een beslissing over de periode tot 30 juli 2027.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het verzoek onder verwijzing naar het standpunt uit de beschikking van 22 mei 2026, welke als volgt luidt. Er is sprake van kindeigenproblematiek bij [minderjarige] . Er is meerdere keren geprobeerd om [minderjarige] terug bij de moeder thuis te plaatsen, maar dit is niet gelukt. Het perspectief van [minderjarige] ligt niet meer bij de moeder. De relatie tussen de moeder en [minderjarige] is ernstig verstoord en er is sprake van een escalatie-patroon. Er is veel hulpverlening ingezet, zowel systematisch als individueel. De moeder heeft een belast verleden en is hierdoor onvoldoende beschikbaar voor [minderjarige] en niet in staat om de zorg over hem te dragen. Het is in het belang van [minderjarige] dat er een stabiel iemand betrokken is die de juiste beslissingen over hem kan nemen. Indien het gezag van de moeder niet wordt beëindigd, stemt de Raad in met het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlengen.
4.2.
De GI ondersteunt het verzoek van de Raad en licht het ter zitting als volgt toe. De moeder heeft nauw contact met de vaste jeugdbeschermer en zij is op de hoogte gesteld van deze zitting. Zij heeft hierop aangegeven niet bij de zitting aanwezig te zullen zijn. Als het verzoek tot gezagsbeëindiging wordt toegewezen, is een beslissing op het verzoek tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing niet meer nodig. Indien het verzoek tot gezagsbeeindiging wordt afgewezen, handhaaft de GI het verzoek.

5.De beoordeling

In de zaak met zaaknummer C/10/716365 / FA RK 26-2035
Het wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de
kinderrechter het gezag van een ouder beëindigen, indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt
bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en
opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon
en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
De toelichting op de beslissing
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor beëindiging van het gezag van de moeder is voldaan en zal het verzoek toewijzen. De kinderrechter legt hierna uit waarom.
5.3.
[minderjarige] is een 15-jarige jongen met een belast verleden. In het verleden zijn ASS, ADHD en PTSS vastgesteld en daarbij signalen van een hechtingsstoornis. [minderjarige] vertoont ernstige gedragsproblematiek en heeft een verstoorde relatie met zijn ouders, met wie hij wisselend contact heeft. De moeder heeft een belast verleden waardoor het de moeder niet goed lukt aan te sluiten bij [minderjarige] . Het lukt moeder eveneens niet om haar emoties en gevoelens op een juiste en passende manier richting [minderjarige] te uiten. Dit heeft tot spanningen, ruzies en zowel fysieke als verbale conflicten tussen moeder en [minderjarige] geleid. Ook [minderjarige] kan de moeder afwijzen in haar rol als moeder, ouder en opvoeder. [minderjarige] heeft sinds 2021 meerdere woon- en verblijfplekken gekend: bij de moeder thuis, maar ook binnen de open en gesloten jeugdzorg. Dit maakt dat hij weinig vertrouwen heeft in de mensen om hem heen en zelfbepalend gedrag vertoont. Vanwege deze problematiek heeft [minderjarige] veiligheid, regelmaat, voorspelbaarheid, duidelijkheid en structuur nodig. Dit lijkt [minderjarige] op dit moment te krijgen. [minderjarige] verblijft sinds 15 april 2026, na een korte tijd in een gesloten setting te hebben verbleven, weer op een open groep genaamd [woongroep] . Hier krijgt hij 1-op-1-begeleiding. Tijdens de zitting op 22 mei 2026 is door de persoonlijk begeleider van [minderjarige] verklaard dat [minderjarige] zich aan de afspraken op de groep houdt, zich op dit moment openstelt voor de begeleiding en stappen in de goede richting worden gezet, zoals richting onderwijs. [minderjarige] lijkt nu dus op de juiste plek te zitten waar hij de passende structuur en begeleiding krijgt. [minderjarige] wil hier ook graag blijven wonen.
5.4.
Naar het oordeel van de kinderrechter wordt de ontwikkeling van [minderjarige] dus ernstig bedreigd en kan de moeder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] niet binnen een aanvaardbare termijn dragen. [1] Zowel de moeder als [minderjarige] als de GI zijn het erover eens dat zijn perspectief al langere tijd niet bij de moeder ligt. Hoewel de moeder haar gezag niet misbruikt, vertraagt de moeder de gezagsbeslissingen. Dit is niet in het belang van [minderjarige] . Zo heeft de moeder niet meegewerkt aan het verkrijgen van een identiteitsbewijs voor [minderjarige] waardoor de nodige behandeling bij [zorginstelling 1] en [zorginstelling 2] niet kan starten. Ook heeft zij laat toestemming gegeven voor een schoolinschrijving. De moeder moet herhaaldelijk worden benaderd voor het verkrijgen van toestemming. De moeder sluit ook niet aan bij evaluatiegesprekken op de groep of bij afspraken met de hulpverlening. Daarnaast neemt de moeder gezagsbeslissingen die niet in het belang van [minderjarige] zijn. Hierdoor ontstaan er conflicten tussen de moeder en [minderjarige] . De kinderrechter vindt deze situatie niet goed voor [minderjarige] . Hij moet daardoor onnodig lang op zaken wachten en dat brengt onduidelijkheid en onzekerheid voor hem mee. De kinderrechter begrijpt dan ook dat de GI en de Raad het belangrijk vinden dat er duidelijkheid komt voor [minderjarige] .
5.5.
De moeder heeft bij de GI aangegeven dat zij niet langer belast wil en kan zijn met het gezag over [minderjarige] . De kinderrechter vindt het spijtig dat de moeder niet heeft gereageerd op de verzoeken van de Raad om in contact te komen, waardoor het niet is gelukt hierover met haar het gesprek aan te gaan. Hierdoor is zij niet betrokken in het Raadsonderzoek. In deze gerechtelijke procedure heeft de moeder volgens de aangewezen advocaat aangegeven geen bijstand te wensen van een advocaat. Ook is de moeder niet op de zitting verschenen noch heeft zij gereageerd op het schriftelijke verzoek van de kinderrechter om haar visie over het verzoek van de Raad kenbaar te maken. De kinderrechter stelt vast dat de moeder hiermee voldoende gelegenheid heeft gehad haar standpunt over het verzoek tot beëindiging van haar gezag kenbaar te maken. De vader is niet betrokken bij [minderjarige] en heeft geen contact met [minderjarige] . De vader heeft overigens ook niet gereageerd op de contactpogingen vanuit de Raad en de GI.
5.6.
Dat leidt tot de conclusie dat het gezag van de moeder beëindigd moet worden. Dat betekent niet dat de moeder in de toekomst geen rol meer speelt in het leven van [minderjarige] . Integendeel, zij blijft altijd de moeder van [minderjarige] en zij is daarom erg belangrijk voor hem. Er is op dit moment wisselend contact tussen de moeder en [minderjarige] . De kinderrechter gunt het de moeder en [minderjarige] dat er door deze beslissing rust in hun relatie ontstaat, dat hun contact wordt hersteld en dat dit contact niet meer over belangrijke beslissingen, maar vooral over leuke dingen gaat. De kinderrechter gaat ervan uit dat de GI de moeder actief blijft betrekken bij de zorg over [minderjarige] en dat de GI oog houdt voor het contact tussen de moeder en [minderjarige] .
Voogdij
5.7.
Omdat het gezag van de moeder wordt beëindigd, moet er een voogd worden benoemd. Er moet namelijk iemand zijn die de belangrijke beslissingen over [minderjarige] kan nemen omdat hij nog minderjarig is. De Raad adviseert om de GI met de voogdij over [minderjarige] te belasten. De GI is het met de Raad eens. De moeder en de overige belanghebbenden hebben hiertegen geen bezwaar gemaakt. De kinderrechter volgt dan ook het advies van de Raad en zal de GI met de voogdij over [minderjarige] belasten.
5.8.
De kinderrechter zal bepalen dat de moeder aan de GI die tot voogd wordt benoemd rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van [minderjarige] . [2] Dit betekent dat zij de GI op de hoogte moet stellen van alle geldzaken die over [minderjarige] gaan, zodat de GI vanaf nu voor [minderjarige] de geldzaken kan regelen.
5.9.
De beslissing tot beëindiging van het gezag van de moeder wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [3]
5.10.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
In de zaak met zaaknummer C/10/717647 / JE RK 26-648
5.11.
Gelet op de beslissing van de kinderrechter inzake de beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder en de bepaling van de voogdij over [minderjarige] , komt de kinderrechter niet meer toe aan de beoordeling van het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. De kinderrechter zal daarom het verzoek van de GI afwijzen bij gebrek aan belang.

6.De beslissing

De kinderrechter:
in de zaak met zaaknummer C/10/716365 / FA RK 26-2035
6.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van [moeder] , geboren op [geboortedatum 2] 1986 in [geboorteplaats] , over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 in [geboorteplaats] ;
6.2.
benoemt tot voogd over de genoemde minderjarige de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam;
6.3.
bepaalt dat de moeder rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van [minderjarige] ;
6.4.
vraagt de griffier om van deze beslissing een aantekening te maken in het gezagsregister;
6.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
in de zaak met zaaknummer C/10/717647 / JE RK 26-648
6.6.
wijst het meer of anders verzochte door de GI af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026 door mr. K.T.F. Chocolaad-de Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. E.T. van Ringelesteijn als griffier, en op schrift gesteld op 12 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:266, eerste lid, onder a, BW.
2.Artikel 1:276, eerste lid, BW.
3.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.