Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7134

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
C/10/716303 / JE RK 26-478
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in moeder-kindvoorziening

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige samen met de moeder in een moeder-kindvoorziening. De moeder en minderjarige verblijven sinds maart 2026 in deze voorziening en maken positieve ontwikkelingen door, maar de situatie blijft kwetsbaar. Er is onvoldoende zicht op de opvoedvaardigheden van de vader en de dynamiek binnen het gezin, mede door beperkte omgangsmomenten en afstand.

De gecertificeerde instelling ondersteunt het verzoek vanwege zorgen over de belastbaarheid van de ouders en het ontbreken van een goed plan voor terugkeer naar huis. De moeder en vader verzetten zich tegen verlenging en stellen dat de begeleiding ook thuis kan plaatsvinden en dat zij openstaan voor hulpverlening. Een informant bevestigt de positieve groei van de moeder, maar benadrukt het kwetsbare karakter van de situatie en het belang van een goed plan.

De kinderrechter oordeelt dat verlenging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De positieve ontwikkeling van de moeder moet worden voortgezet in een stabiele en veilige omgeving. Er moet op korte termijn een plan worden opgesteld voor terugkeer naar huis met inzet van hulpverlening en netwerkondersteuning. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en is in hoger beroep aanvechtbaar.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een moeder-kindvoorziening wordt verlengd tot 11 juni 2026 en is direct uitvoerbaar.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/716303 / JE RK 26-478
Datum uitspraak: 8 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2026 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. Roos, kantoorhoudende te Rotterdam,
[vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] ,
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de tussenbeschikking van 17 maart 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
- de aanvullende rapportage van de Raad van 4 mei 2026 met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum.
1.2.
Op 8 mei 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder (via een digitale verbinding), bijgestaan door advocaat;
  • de vader;
  • een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger 1] ;
  • twee vertegenwoordigers van de GI, [vertegenwoordiger 2] en [vertegenwoordiger 3] .
1.3.
Bijzondere toegang is (via een digitale verbinding) verleend aan [persoon A] , begeleider bij [gezinshuis] . Zij is ter zitting gehoord als informant.
2.
De feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft met de moeder bij [gezinshuis] in [plaats] .
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 maart 2026 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 11 juni 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 maart 2026 de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een moeder-kindvoorziening verlengd tot 11 mei 2026. Het verzoek is voor het overige aangehouden.

3.Het (aangehouden) verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Hierop is al beslist. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een moeder-kindvoorziening te verlenen voor de duur van drie maanden. Over de periode tot 11 mei 2026 is reeds beslist. Er resteert een beslissing over de periode tot 11 juni 2026.
3.2.
De Raad handhaaft het (aangehouden) verzoek en licht het ter zitting als volgt toe. Het is voor moeder lastig om goed aan te sluiten bij de behoeften van [minderjarige] . De moeder wordt hierin begeleid door [gezinshuis] , maar ook ontlast. De moeder had eerder last van de gebroken nachten, waardoor de begeleiders in de ochtenden de zorg voor [minderjarige] overnamen zodat de moeder kon bijslapen. [minderjarige] heeft contact met de vader, maar dit is niet altijd mogelijk vanwege de grote afstand. Om het contact tussen [minderjarige] en de vader te bevorderen, zijn de moeder en [minderjarige] aangemeld bij een moeder-kindvoorziening in de regio. Helaas bedraagt de wachtlijst hier zes tot negen maanden. Als alternatief kan een gezinsopname worden overwogen. Hoewel de moeder stappen maakt bij [gezinshuis] en de ouders denken samen de zorg voor [minderjarige] te kunnen dragen, moet er eerst meer zicht komen op de opvoedvaardigheden van beide ouders en de dynamiek binnen hun relatie. Ook moeten de ouders leren aan te geven wanneer zij hulp nodig hebben. Hier moet de komende maand aan worden gewerkt. Ook moet worden onderzocht hoe het netwerk de ouders kan ondersteunen bij een terugkeer naar huis.

4.De standpunten

4.1.
De GI ondersteunt het verzoek van de Raad en licht het ter zitting als volgt toe. Een verlenging van de maatregel is nodig omdat er nog zorgen zijn over de belastbaarheid van de ouders. Er is nog onvoldoende zicht op hun mogelijkheden, de punten waarbij zij ondersteuning behoeven en de emotieregulatie van de vader. De GI heeft contact gehad met de reclassering en hieruit volgt dat de vader zijn afspraken onvoldoende nakomt en de ambulante begeleiding niet van de grond is gekomen. De moeder en [minderjarige] zijn inmiddels bij drie verschillende moeder-kindvoorzieningen in de regio aangemeld, maar deze hebben allemaal lange wachtlijsten of een aanmeldstop. Ondanks de grote afstand, hebben de vader en [minderjarige] een aantal keer omgang met elkaar gehad. De omgang tussen [minderjarige] en de ouders verloopt positief, maar gezien wordt dat zij niet alle adviezen opvolgen. Het is daarom te vroeg voor de moeder en [minderjarige] om naar huis terug te keren. Ook moet onderzocht worden
op welke manier het netwerk de ouders kan ondersteunen bij een terugkeer naar huis en welke hulpverlening ingezet moet worden. Daarbij geldt dat de moeder bij [gezinshuis] altijd op de begeleiders kan terugvallen. Hulpverlening in de thuissituatie is een stuk minder intensief en het komt dan aan op de opvoedkwaliteiten van de moeder.
4.2.
Door en namens de moeder wordt ter zitting verweer gevoerd tegen het verzoek van de Raad. Alleen de kraamverzorger en [gezinshuis] kunnen daadwerkelijk verklaren over het functioneren van de ouders. Uit de rapportage van [gezinshuis] volgt dat dit positief verloopt en dat de moeder goed bij de behoeften van [minderjarige] aansluit. Wel heeft de moeder nog begeleiding nodig, maar uit de rapportage volgt niet dat deze begeleiding enkel bij [gezinshuis] kan worden geboden. Dit kan ook in de thuissituatie. De GI wil hiervoor een goed plan opstellen, maar dit is tot op heden nog niet gebeurd. De zorgen zien op dit moment vooral op de omgang tussen [minderjarige] en de vader en hoe de ouders als gezin fungeren. Hierop kan ook zicht komen in de thuissituatie met afspraken, bijvoorbeeld dat de vader [minderjarige] in het begin enkel begeleid ziet. Er zijn geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat de emotieregulatie van de vader een gevaar vormt voor de terugkeer van [minderjarige] en de moeder naar huis. Daarbij komt dat de vader fulltime werkt en enkel in het weekend thuis is. De ouders begrijpen dat er zorgen zijn en staan open voor hulpverlening. Het verzoek van de Raad moet worden afgewezen. De moeder en [minderjarige] kunnen naar huis terugkeren en er moet op korte termijn een plan worden opgesteld hoe dat vormgegeven kan worden met de inzet van intensieve hulpverlening en de ondersteuning van het netwerk.
4.3.
De vader sluit zich aan bij hetgeen door en namens de moeder ter zitting naar voren is gebracht. De vader betreurt dat de begeleide omgang lang op zich heeft laten wachten, waardoor er geen zicht is op zijn opvoedvaardigheden. Daarnaast kan de omgang niet frequent plaatsvinden vanwege de afstand en omdat de vader fulltime werkt. Daarnaast loopt het contact met de GI niet soepel. In tegendeel tot wat de GI verklaart, heeft de vader wekelijks contact met de reclassering en elke twee weken een afspraak. Dit verloopt goed.

5.De informatie van de informant

5.1.
[persoon A] brengt ter zitting het volgende naar voren. In het begin van haar verblijf bij [gezinshuis] , had de moeder veel hulp nodig en was zij erg vermoeid. Hierdoor nam de begeleiding de zorg voor [minderjarige] ’s ochtends over. De moeder heeft inmiddels een mooie groei doorgemaakt. De situatie is nog wel kwetsbaar en de moeder kan nog steeds hulp gebruiken. Er is bovendien weinig zicht op de opvoedvaardigheden van de vader en hoe de ouders als gezin functioneren. De begeleiding van de contactmomenten met de vader is beperkt geweest, [gezinshuis] richt zich uitsluitend op hulp voor de moeder. Desgevraagd kan de moeder met [minderjarige] naar huis terugkeren, wanneer er een goed plan wordt opgesteld en de moeder in de thuissituatie voldoende begeleiding ontvangt.

6.De beoordeling

6.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] De kinderrechter overweegt hiertoe het volgende.
6.2.
[minderjarige] verblijft sinds 6 maart 2026 samen met de moeder in een moeder-kindvoorziening van [gezinshuis] . De moeder en [minderjarige] maken het hier goed. De plaatsing in de moeder-kindvoorziening viel de moeder eerder zwaar; zij had veel begeleiding en ondersteuning nodig. Inmiddels is de moeder aan de omgeving gewend geraakt en maakt zij een mooie groei door. Het is positief dat de moeder steeds beter aansluit bij de behoeften van [minderjarige] , zij erg liefdevol is en hem de nodige nabijheid biedt.
6.3.
Ondanks dat er sprake is van een positieve ontwikkeling, is de situatie nog kwetsbaar. De moeder doet het goed met intensieve begeleiding, maar deze begeleiding kan niet direct in de thuissituatie worden geboden als [minderjarige] en de moeder naar huis terugkeren. Daarnaast is er nog onvoldoende zicht op de opvoedvaardigheden van de vader, nu er slechts enkele begeleide omgangsmomenten hebben plaatsgevonden. Eenmaal per week hebben [minderjarige] en de moeder anderhalf uur omgang met de vader. Dit verloopt goed, maar gezien wordt dat de ouders nog begeleiding nodig hebben en het hen niet altijd lukt de gegeven adviezen op te volgen. De kinderrechter is daarom van oordeel dat een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] samen met de moeder in een moeder-kindvoorziening noodzakelijk is. Het is in het belang van [minderjarige] dat de moeder de positieve ontwikkeling die zij doormaakt de komende periode doorzet. Vanuit deze stabiele en veilige situatie kan door de GI een plan worden gemaakt hoe de moeder, met de inzet van hulpverlening en ondersteuning van het netwerk, naar huis kan terugkeren. Belangrijk is dat dit plan op korte termijn wordt opgesteld en dat alle betrokkenen zich inzetten voor de uitvoering hiervan, nu de moeder en [minderjarige] op grote afstand van de vader verblijven en de vader [minderjarige] maar zeer beperkt ziet. Juist in de eerste maanden van het leven van een baby is het belangrijk dat zij tijd doorbrengen met hun beide ouders, zodat zij zich veilig kunnen hechten.
6.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een moeder-kindvoorziening tot 11 juni 2026;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026 door mr. S. Riege, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. E.T. van Ringelesteijn als griffier, en op schrift gesteld op 29 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.