ECLI:NL:RBROT:2026:7098

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
C/10/719313 / HA RK 26-433
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek wegens te late indiening

Verzoeker heeft op 6 mei 2026 een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. V.F. Milders, rechter in een civielrechtelijke hoofdzaak tussen verzoeker en E-Legal Incasso Advocaten B.V. De wrakingskamer heeft het verzoek behandeld op 18 juni 2026.

De wrakingskamer oordeelt dat het wrakingsverzoek niet tijdig is ingediend, omdat de feitelijke grond voor wraking, namelijk uitlatingen van de rechter tijdens de mondelinge behandeling op 19 maart 2026, bij verzoeker bekend waren. Het verzoek is pas bijna zeven weken later ingediend, wat de termijn ruimschoots overschrijdt.

Hoewel de gemachtigde van verzoeker ernstig ziek is geweest en daardoor enige vertraging heeft opgelopen, acht de wrakingskamer dit geen voldoende reden om de termijnoverschrijding te verontschuldigen. De kamer verwachtte dat het verzoek binnen enkele dagen na het herstel en het inwinnen van informatie zou worden ingediend.

Daarom verklaart de wrakingskamer verzoeker niet-ontvankelijk in het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Wrakingskamer
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/719313 / HA RK 26-433
Beslissing van 18 juni 2026 (bij vervroeging)
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker],
woonplaats: [woonplaats],
hierna te noemen: verzoeker,
gemachtigde: [naam 1],
strekkende tot de wraking van
mr. V.F. Milders,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

1.1.
Verzoeker heeft op 6 mei 2026 een wrakingsverzoek gedaan. Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de civielrechtelijke zaak met zaaknummer / rolnummer 11960019 CV EXPL 25-24252 (de hoofdzaak). De hoofdzaak betreft een geschil tussen verzoeker en E-Legal Incasso Advocaten B.V. Het dossier van de hoofdzaak is ter beschikking gesteld aan de wrakingskamer.
1.2.
Het verloop van de wrakingsprocedure blijkt uit:
  • het schriftelijke wrakingsverzoek van verzoeker van 6 mei 2026, met bijlagen;
  • de schriftelijke reactie van de rechter van 28 mei 2026;
  • de aanvullende reactie op het verweerschrift van de rechter van verzoeker van 31 mei 2026.
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek is de gemachtigde van verzoeker verschenen. Verder is namens E-Legal Incasso Advocaten B.V. [naam 2] verschenen. De rechter heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling laten weten niet te kunnen verschijnen. Tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft de gemachtigde van verzoeker een pleitnotitie, met bijlagen, overgelegd. Dat stuk is aan het procesdossier toegevoegd.

2.De ontvankelijkheid van het verzoek

2.1.
Een wrakingsverzoek moet worden gedaan zodra de feiten en omstandigheden waarop het wrakingsverzoek is gegrond aan verzoeker bekend zijn geworden. Dit is op grond van artikel 37 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vereist.
2.2.
De wrakingskamer is van oordeel dat verzoeker het wrakingsverzoek in strijd met het voorgaande niet tijdig heeft ingediend.
2.3.
Verzoeker baseert zijn wrakingsverzoek op uitlatingen van de rechter tijdens de mondelinge behandeling van de hoofdzaak op 19 maart 2026. Verzoeker was, bijgestaan door zijn gemachtigde, daarbij aanwezig.
2.4.
Het is vaste rechtspraak dat de zinsnede “
zodra de feiten en omstandigheden bekend zijn” betekent dat een wrakingsverzoek moet worden gedaan onmiddellijk nadat de feitelijke grond tot wraking bekend is geworden, waarbij een korte tijd voor beraad acceptabel is. In dit geval is die termijn ruimschoots overschreden. De gewraakte uitlatingen van de rechter hebben zich immers voorgedaan tijdens de mondelinge behandeling op 19 maart 2026, terwijl het wrakingsverzoek pas is ingediend op 6 mei 2026 en dus bijna zeven weken na de mondelinge behandeling.
2.5.
De gemachtigde van verzoeker heeft toegelicht dat er tijdens de mondelinge behandeling onvoldoende aandacht was voor haar opname op de Intensive Care in januari 2025, dat zij na de mondelinge behandeling twee en een halve week de tijd nodig heeft gehad om zichzelf bij elkaar te rapen en vervolgens tijd nodig heeft gehad om informatie in te winnen over hoe zij de ontstane situatie kon aanpakken. Volgens de gemachtigde was het om deze redenen niet mogelijk om het wrakingsverzoek eerder in te dienen en is de termijnoverschrijding daarom verschoonbaar. De wrakingskamer volgt verzoeker daar niet in. De wrakingskamer twijfelt niet aan het gegeven dat de gemachtigde van verzoeker ernstig ziek is (geweest). Maar zelfs als aan haar een termijn van twee en een halve week zou worden gegund om zichzelf bij elkaar te rapen en vervolgens nog enige tijd om informatie in te winnen over het eventueel indienen van een wrakingsverzoek, had naar het oordeel van de wrakingskamer mogen worden verwacht dat het wrakingsverzoek vervolgens binnen enkele dagen werd ingediend. De gemachtigde van verzoeker heeft niet uitgelegd waarom dit nog bijna vier en een halve week heeft geduurd nadat zij zichzelf weer bij elkaar had geraapt, terwijl het inwinnen van informatie over het eventueel indienen van een wrakingsverzoek niet zo lang hoeft te duren. Onder deze omstandigheden was indiening van het wrakingsverzoek op 6 mei 2026 geen indiening meer “
zodra de feiten of omstandigheden bekend zijn geworden”. Het verzoek is dus te laat gedaan.
2.6.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verzoeker niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het wrakingsverzoek.

3.De beslissing

De wrakingskamer:
3.1.
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het wrakingsverzoek ten aanzien van mr. V.F. Milders in de civielrechtelijke zaak met zaaknummer / rolnummer 11960019 CV EXPL 25-24252.
Deze beslissing is gegeven door mr. F. Aukema-Hartog, voorzitter, mr. C. Sikkel en mr. J. van Dort, rechters, in aanwezigheid van mr. R.W.H. van Rijkom, griffier, en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.