De burgemeester van Rotterdam heeft besloten de woning van verzoeker voor drie maanden te sluiten vanwege de vondst van een handelshoeveelheid harddrugs en een volledig ingerichte versnijdingsruimte in de woning. Verzoeker, huurder van de woning, maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij het verzoek, aangezien hij sinds 17 februari 2026 in voorarrest zit en voornemens is de huurovereenkomst vrijwillig op te zeggen. Tevens kan zijn familie de woning ontruimen ondanks de sluiting. De verhuurder steunt het besluit en heeft aangegeven de huurovereenkomst te zullen ontbinden indien nodig.
Daarnaast is het besluit niet evident onrechtmatig. Hoewel verzoeker stelt dat hij geen zienswijze kon indienen vanwege het niet ontvangen van een brief, wordt dit gebrek gepasseerd omdat verzoeker alsnog gelegenheid heeft gehad om zijn gronden naar voren te brengen. De politie vond voldoende bewijs voor sluiting en de woning was feitelijk al drie maanden niet toegankelijk door beslag, maar dit vervangt geen bestuursrechtelijke sluiting.
De voorzieningenrechter concludeert dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting en dat de sluiting noodzakelijk is voor het herstel van de openbare orde en het voorkomen van herhaling. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.