Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7082

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
ROT 26/3063
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.1 Wet brpArt. 2.38 Wet brp
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening voor gemeentelijk briefadres na afwijzing college

Verzoeker heeft op 2 maart 2026 een gemeentelijk briefadres aangevraagd nadat hij sinds augustus 2025 als 'vertrokken, onbekend waarheen' stond geregistreerd in de basisregistratie personen. Het college wees het verzoek af omdat verzoeker niet consistent en eenduidig verklaarde over zijn verblijfplaatsen.

Tijdens de zitting op 7 mei 2026 verklaarde verzoeker dat hij wisselend op verschillende adressen sliep zonder vaste woonplaats, wat door de voorzieningenrechter werd bevestigd. Het college kon niet aantonen welke aanvullende gegevens nodig waren om het ontbreken van een woonadres te bewijzen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker duidelijk geen woonadres heeft en daarom recht heeft op een briefadres. Het besluit van het college werd geschorst en verzoeker kreeg een briefadres toegewezen tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Tevens werd het college veroordeeld tot betaling van proceskosten van €1.868,-. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening voor gemeentelijk briefadres wordt toegewezen en besluit van het college geschorst.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/3063
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 mei 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker

(gemachtigde: mr. M. van Viegen),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam

(gemachtigde: mr. S. Duinhouwer).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een briefadres.
1.1.
Verzoeker heeft op 2 maart 2026 een gemeentelijk briefadres aangevraagd. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 30 maart 2026 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college.
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Wat is er gebeurd?
3. Verzoeker stond sinds 18 oktober 2000 ingeschreven in de basisregistratie personen (brp) van de gemeente [gemeente] , laatstelijk op het adres [adres 1] in [woonplaats] . Omdat de hoofdbewoner besloot te verhuizen moest verzoeker deze woning verlaten. Sinds 21 augustus 2025 staat hij in de brp geregistreerd als ‘vertrokken, onbekend waarheen’. Verzoeker is bankslaper.
3.1.
Bij zijn aanvraag van 2 maart 2026 heeft verzoeker verklaard afwisselend op de volgende twee adressen te slapen: [adres 2] en [adres 3] in [verblijfplaats] . Hij kan zich naar eigen zeggen op deze adressen niet inschrijven met een woonadres, omdat de hoofdbewoners daarvoor geen toestemming geven. Op de vraag waar hij in de komende maanden zal slapen heeft verzoeker geen antwoord kunnen geven, behalve dat dit ergens in [plaats 1] zal zijn.
3.2.
Tijdens het intakegesprek aan de balie van de Stadswinkel Kralingen Crooswijk op 26 maart 2026 heeft verzoeker wederom verklaard op verschillende adressen te slapen. Van 23 maart tot 26 maart 2026 was dat op het adres [adres 2] in [verblijfplaats] . Daarbij kon verzoeker niet aangeven waar hij die komende nacht, of in de komende weken of maanden zal verblijven. Verder heeft verzoeker tijdens het intakegesprek verklaard dat het verblijfadres [adres 3] in [verblijfplaats] tijdelijk was komen te vervallen. Hij verwachtte daar echter in de komende weken wel weer terecht te kunnen. Verzoeker heeft tijdens het intakegesprek ook een adres aan de Hillevliet in [plaats 2] genoemd, maar wist daarvan niet het huisnummer te noemen.
3.3.
Het college heeft vervolgens het bestreden besluit genomen en daarmee besloten dat verzoeker geen briefadres krijgt. Het college vindt dat de informatie die verzoeker heeft verstrekt niet compleet is en dat zijn verklaringen niet consistent zijn. Het college heeft daarom niet kunnen vaststellen dat verzoeker geen woonadres heeft. Verzoeker heeft twee verschillende adressen genoemd en door het afleggen van wisselende verklaringen hierover niet inzichtelijk gemaakt op welke van deze adressen hij het meest verblijft. Daarom kan het college niet vaststellen of verzoeker al dan niet een woonadres heeft. Verzoeker is het met dit besluit niet eens. Hij heeft naar eigen zeggen alle informatie verstrekt waar het college om heeft gevraagd. Het is hem niet duidelijk welke gegevens het college nog van hem verlangt. Verzoeker heeft een briefadres nodig voor, onder meer, het verkrijgen en behouden van een bijstandsuitkering en een zorgverzekering.
Waarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek toe?
4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat niet in geschil is dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek.
5. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college de aanvraag met name heeft afgewezen, omdat verzoeker volgens het college niet consistent en eenduidig heeft verklaard over zijn verblijfplaats. De voorzieningenrechter kan het college in dit standpunt niet volgen. Voor de voorzieningenrechter is duidelijk dat verzoeker geen woonadres [1] heeft. Uit de aanvraag van verzoeker en zijn verklaring bij het intakegesprek volgt dat hij steeds van verblijfadres wisselt, al naar gelang hij op een van de door hem genoemde adressen terecht kan. Dit verschilt per week. Er is geen adres eenduidig aan te wijzen als woonadres. Daarbij is op de zitting, ook voor de voorzieningenrechter, niet duidelijk geworden welke gegevens verzoeker nog bij het college had moeten aanleveren om aan te tonen dat hij niet over een woonadres beschikt. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat verzoeker vooralsnog recht heeft op een briefadres. [2]
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom toe, schorst het bestreden besluit van 30 maart 2026 en bepaalt daarbij dat verzoeker een gemeentelijk briefadres krijgt op het adres [adres 4] in [plaats 1] , tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
7. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst krijgt verzoeker ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
8. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- schorst het besluit van 30 maart 2026 en bepaalt dat verzoeker een gemeentelijk briefadres krijgt op het adres [adres 4] in [plaats 1] , tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2026 door mr. S.E.C. Debets, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 1.1, aanhef en onder o, van de Wet brp.
2.Op grond van artikel 2.38, eerste lid, van de Wet brp.