Verzoekster heeft op 12 december 2025 een tweede verzoek ingediend voor een voorlopige voorziening ex artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet, gericht op het opschorten van de ontruiming van haar huurwoning. Eerder was reeds een voorlopige voorziening voor drie maanden toegekend. De rechtbank overweegt dat een moratorium maximaal zes maanden kan duren en dat een tweede verzoek hogere eisen stelt, met name omtrent de nakoming van lopende huurbetalingen en het doel van het verzoek.
De rechtbank constateert een bedreigende situatie vanwege het vonnis tot ontruiming en het exploot dat de ontruiming aankondigt. Verzoekster heeft inmiddels weer een netto inkomen van circa € 2.400 per maand en heeft de huurtermijnen van december 2025 en januari 2026, zij het te laat, voldaan. Tevens is het schuldhulpverleningstraject hervat met een positief budgetplan.
De belangenafweging leidt tot de conclusie dat het belang van verzoekster om in de woning te blijven en het schuldhulpverleningstraject voort te zetten zwaarder weegt dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren. De rechtbank kent daarom een tweede voorlopige voorziening toe voor drie maanden, onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden betaald. Tevens wordt verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw.