ECLI:NL:RBROT:2026:707

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2504067:R-RK – NL:TZ:2504068:R-RK en NL:TZ:2504069:R-RK – NL:TZ:2504075:R-RK
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing moratorium en opschorting ontruiming huurwoning voor zes maanden

Verzoekers hebben op grond van artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet een voorlopige voorziening gevraagd om de ontruiming van hun huurwoning op te schorten. De rechtbank beoordeelde dat sprake was van een bedreigende situatie, aangezien een vonnis tot ontruiming was uitgesproken en een exploot was betekend met een datum voor ontruiming.

Verzoekers hebben drie huurtermijnen voldaan en een stabiel inkomen van circa €3.500,- per maand, waarmee voldoende aannemelijk is dat zij de lopende huurtermijnen kunnen blijven voldoen. Verzoekers laten hun inkomen overmaken op een rekening van schuldhulpverlening, wat de zekerheid vergroot.

De belangenafweging tussen verzoekers en verweerders leidt tot toewijzing van het moratorium voor zes maanden, onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan. Tevens verklaart de rechtbank verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, met de mogelijkheid een nieuw verzoek in te dienen.

De voorziening verlengt de huurovereenkomst en geeft verzoekers de gelegenheid het minnelijk schuldhulpverleningstraject voort te zetten, waarbij schuldhulpverlening uiterlijk twee weken voor afloop verslag moet uitbrengen.

Uitkomst: De rechtbank wijst het moratorium toe voor zes maanden en schort de ontruiming op onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummer: [nummer]
Uitspraak van 16 januari 2026
In de zaak van
[verzoeker 1] en [verzoeker 2],
wonende te [adres],
[postcode] te [plaatsnaam],
hierna: verzoekers.

1.De procedure

Verzoekers hebben op 15 december 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 15 december 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 8 januari 2026.
[naam], werkzaam bij BoitenLuhrs Gerechtsdeurwaarders heeft namens verweerders voorafgaand aan de zitting op 7 januari 2026 aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden. Verweerders zullen niet ter zitting verschijnen.
Ter zitting van 8 januari 2026 zijn verschenen en gehoord:
- de heer mr. D.A. IJpelaar, werkzaam bij JAW Advocaten (hierna: advocaat).
Hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen zijn verzoekers – zonder bericht van verhindering – niet ter zitting verschenen. De advocaat heeft ter zitting verklaard dat verzoekers zich, voor inkomensverwerving, op Curaçao bevinden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerders te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 7 november 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers ten uitvoer te leggen.
Verzoekers hebben inkomsten uit onderneming van circa € 3.500,- per maand. De huur bedraagt € 925,- per maand. Verzoekers hebben op 2 november 2025 een bedrag van € 1.070,- betaald. Vervolgens op 1 december 2025 nogmaals een bedrag van € 1.070,- en op 5 december 2025 een bedrag van € 975,-. Daarnaast zullen verzoekers hun inkomen laten overmaken op een betaalrekening van schuldhulpverlening, waardoor voldoende aannemelijk is dat de lopende huurtermijnen zullen worden voldaan.

3.Het verweer

In hun verweerschrift hebben verweerders aangegeven dat niet is gebleken dat verzoekers over voldoende inkomsten beschikken om de lopende huurtermijnen te voldoen. Verzoekers hebben weliswaar op 2 november 2025 (€ 1.070,-), 1 december 2025 (€ 1.070,-) en
30 december 2025 (€ 1.027,-) betalingen verricht, maar onvoldoende aannemlijk gemaakt dat zij in staat zijn om de lopende huurtermijnen te blijven voldoen. Verzoekers hebben onvoldoende onderbouwd dat hun inkomsten uit onderneming stabiel en hoog genoeg zijn om de lopende huurtermijnen tijdens de duur van het moratorium te voldoen. Verweerders verzoeken het verzoek af te wijzen. Verweerders hebben geen gebruikt gemaakt van de mogelijkheid hun standpunt ter zitting toe te lichten.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekers een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 7 november 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers en een kopie van het exploot van 4 december 2025 hebben overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerders op 23 december 2025 zullen overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekers, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekers enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerders, anderzijds.
Het belang van verzoekers bestaat erin dat zij in de huurwoning kunnen blijven wonen met hun minderjarige kind en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekers kan worden doorlopen.
Het belang van verweerders bestaat erin dat zij het vonnis van 7 november 2025 ten uitvoer kunnen leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. Gesteld is, dat er een maandelijks inkomen is van circa €3.500,-. Verzoekers hebben op 2 november 2025 een bedrag van € 1.070,- betaald. Vervolgens op 1 december 2025 nogmaals een bedrag van € 1.070,- en op 5 december 2025 een bedrag van € 975,-. Verzoekers hebben hiermee – in ieder geval – drie huurtermijnen voldaan. Daarnaast zullen zij hun inkomen laten overmaken op een betaalrekening van schuldhulpverlening, waardoor voldoende is gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen zullen worden voldaan. Zuidweg & Partners heeft het schuldhulpverleningstraject opgestart. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekers zwaarder te wegen dan het belang van verweerders.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerders in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekers gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kunnen verzoekers te zijner tijd een nieuw Wsnp-verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 7 november 2025 op verzoek van verweerders uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekers gelegen aan de [adres], [postcode] te [plaatsnaam], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
15 december 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende huurtermijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekers de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoeken ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van
S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2026.