ECLI:NL:RBROT:2026:7056

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
12054548 CV EXPL 26-153
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • C. van Steenderen - Koornneef
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 7:628 lid 1 BWArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Werknemer niet in strijd met arbeidsovereenkomst bij mededeling opdrachtgevers en geen betaling minuren

De werknemer was in dienst bij Sportpersoneel op basis van een arbeidsovereenkomst van tien maanden die niet werd verlengd. Na beëindiging van het contract werkte hij bij een andere werkgever voor dezelfde opdrachtgevers. Sportpersoneel stelde dat dit in strijd was met geheimhoudings- en relatiebedingen uit de arbeidsovereenkomst en eiste een boete van €7.500,-. Daarnaast vorderde zij betaling van €1.629,68 voor te weinig gewerkte uren.

De kantonrechter oordeelde dat de werknemer het recht had om tijdens een sollicitatieprocedure te vermelden voor welke opdrachtgevers hij werkte, inclusief de namen van het kinderdagverblijf en de basisschool. Sportpersoneel had niet voldoende onderbouwd dat deze informatie vertrouwelijk was of dat er een uitdrukkelijke geheimhouding was opgelegd. Ook was niet bewezen dat de werknemer opdrachtgevers actief had meegenomen naar zijn nieuwe werkgever.

Ten aanzien van de minuren stelde de kantonrechter vast dat de werknemer zich altijd beschikbaar had gehouden en dat het niet maken van de uren voor rekening van Sportpersoneel kwam, omdat zij de werknemer niet voldoende had ingezet. Daarom moest Sportpersoneel het loon over de niet-gewerkte uren betalen. De proceskosten werden aan Sportpersoneel opgelegd.

Uitkomst: Vordering werkgever afgewezen; werknemer hoeft geen boete of betaling voor minuren te doen; werkgever draagt proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Dordrecht
zaaknummer: 12054548 CV EXPL 26-153
datum uitspraak: 25 juni 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Sportpersoneel B.V.,
vestigingsplaats: Baarn,
eiseres,
gemachtigde: mr. A. Robustella,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats],
gedaagde,
gemachtigde: mr. E. Huijser.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 7 januari 2026, met bijlagen;
  • het antwoord;
  • de nadere bijlagen 1 en 2 van Sportpersoneel;
  • de pleitaantekeningen van Sportpersoneel.
1.2.
Op 11 juni 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam] namens Sportpersoneel, met mr. Robustella;
  • [gedaagde] met mr. Huijser en twee belangstellenden.

2.De beoordeling

Wat is de kern?
2.1.
[gedaagde] werkte vanaf 1 januari 2025 bij Sportpersoneel als sportbegeleider op basis van een arbeidsovereenkomst van 10 maanden. Sportpersoneel wilde dit contract niet verlengen. Daarop heeft [gedaagde] op 18 juli 2025 gemaild dat hij ergens anders wil gaan werken en daarom eerder bij Sportpersoneel wil stoppen. De arbeidsovereenkomst is hierdoor op 1 september 2025 geëindigd. Vanaf 1 september 2025 werkt [gedaagde] bij Sportprofessional. Volgens Sportpersoneel werkt [gedaagde] daar voor dezelfde opdrachtgevers als waarvoor hij werkte toen hij in dienst was bij Sportpersoneel en handelt hij daardoor in strijd met twee artikelen uit de arbeidsovereenkomst. Per artikel eist Sportpersoneel een boete van € 7.500,-. Sportpersoneel eist ook dat [gedaagde] € 1.629,68 betaalt, omdat hij tijdens zijn dienstverband te weinig uren heeft gewerkt. [gedaagde] erkent dat hij voor dezelfde opdrachtgevers werkt(e), maar betwist dat hij daardoor in strijd handelt met een artikel uit de arbeidsovereenkomst. Hij voert verder aan dat hij zich altijd beschikbaar heeft gehouden om al zijn uren te werken en daarom betwist hij dat hij enig bedrag aan Sportpersoneel hoeft te betalen. [gedaagde] krijgt op beide punten gelijk. Hierna wordt uitgelegd waarom dit het oordeel is.
Om welke artikelen uit de arbeidsovereenkomst gaat het?
2.2.
Volgens Sportpersoneel heeft [gedaagde] in strijd gehandeld met deze artikelen uit de arbeidsovereenkomst:
Artikel 6.1
Werknemer is gehouden tot geheimhouding gedurende en na beëindiging van de arbeidsovereenkomst ten aanzien van alle feitelijkheden en bijzonderheden, waarvan Werknemer uit hoofde van haar dienstbetrekking kennisneemt of draagt, voor zover Werknemer redelijkerwijs moet begrijpen dat deze feitelijkheden en bijzonderheden een vertrouwelijk karakter hebben, dan wel aan haar ter zake door Werkgever een uitdrukkelijke geheimhouding is opgelegd. Deze geheimhouding betreft in het bijzonder informatie met betrekking tot relaties/klanten van Werkgever en informatie met betrekking tot de organisatie van Werkgever zelf.
Artikel 6.5
Werknemer verklaart tijdens en na beëindiging van het dienstverband op zorgvuldige wijze om te gaan met de contacten, die zij heeft opgebouwd met relaties van Werkgever en zal zowel tijdens als na einde dienstverband de belangen van Werkgever in relatie tot genoemde relaties niet schaden.
[gedaagde] hoeft geen boete te betalen
2.3.
[gedaagde] mocht tegen zijn nieuwe werkgever zeggen voor welke opdrachtgevers hij bij Sportpersoneel werkte. Daarbij mocht hij ook de namen noemen van het betreffende kinderdagverblijf en de basisschool. Het is logisch dat dit in een sollicitatieprocedure aan de orde komt. [gedaagde] hoefde niet te begrijpen dat deze feitelijkheden een vertrouwelijk karakter hadden. Sportpersoneel heeft niet uitgelegd waarom dat wel zo zou moeten zijn. Sportpersoneel heeft daarnaast niet aangevoerd dat hierover een geheimhouding aan [gedaagde] is opgelegd.
2.4.
Sportpersoneel voert aan dat [gedaagde] ook tegen zijn nieuwe werkgever heeft gezegd dat als ze hem zouden nemen hij twee opdrachtgevers mee zou nemen, maar dat betwist [gedaagde] en heeft Sportpersoneel niet (nader) onderbouwd. Het lijkt wel of Sportpersoneel beredeneert dat het ‘zo wel heeft moeten gaan’, maar dat is niet hoe het in een juridische procedure werkt. Sportpersoneel moet feiten stellen, maar dat heeft zij niet gedaan. Uit het enkele feit dat [gedaagde] bij zijn nieuwe werkgever voor dezelfde opdrachtgevers heeft gewerkt als voor Sportpersoneel, blijkt in ieder geval niet dat hij deze opdrachtgevers zelf heeft meegenomen naar zijn nieuwe werkgever. In het voordeel van [gedaagde] spreekt bovendien dat hij onbetwist heeft aangevoerd dat hij zelfs uitgebreid afscheid heeft genomen bij het kinderdagverblijf waar hij via Sportpersoneel werkte. Dat deze opdrachtgever na zijn vertrek niet met een nieuwe medewerker van Sportpersoneel in zee wilde gaan, maar liever weer met [gedaagde] via zijn nieuwe werkgever wilde werken, is het goed recht van de opdrachtgever. Daar staat [gedaagde] buiten. Zijn enige inbreng hierin is (blijkbaar) zijn goede functioneren, maar dat kan niet tegen hem worden gebruikt. Ditzelfde geldt voor de basisschool.
2.5.
[gedaagde] heeft deze artikelen uit de arbeidsovereenkomst niet overtreden. Hij hoeft dus ook geen boete te betalen.
[gedaagde] hoeft niets aan Sportpersoneel te betalen voor te weinig gewerkte uren
2.6.
Het klopt dat [gedaagde] minder uren heeft gewerkt dan de gemiddeld 31 uur per week die de partijen hebben afgesproken. Omdat dat naar het oordeel van de kantonrechter in redelijkheid voor rekening van Sportpersoneel komt, moet Sportpersoneel toch gewoon het loon van [gedaagde] betalen. [1] Ook over de niet gewerkte uren. Het is namelijk de verantwoordelijkheid van Sportpersoneel om ervoor te zorgen dat [gedaagde] gemiddeld 31 uur per week kon werken. Dat heeft Sportpersoneel niet gedaan. [gedaagde] heeft zich altijd beschikbaar gehouden om te werken op de afgesproken dagen. Het is Sportpersoneel die hem voor minder uur heeft ingezet. Sportpersoneel erkent dat het een hele uitdaging is om ‘iedereen zijn uren te laten maken’. Daarvoor heeft zij weliswaar initiatieven ontplooid (sportdagen en -kampen organiseren in de zomervakantie), maar dat is kennelijk niet genoeg om alle werknemers hun gemiddeld overeengekomen uren te kunnen laten werken. Voor het aanmelden voor dit extra werk in de zomervakantie geldt immers naar eigen zeggen van Sportpersoneel vol=vol. Ongeacht wat hierover in de arbeidsovereenkomst staat, is het in dit geval en onder deze omstandigheden niet redelijk om dit voor risico van [gedaagde] te laten komen.
Sportpersoneel moet de proceskosten betalen
2.7.
De proceskosten komen voor rekening van Sportpersoneel, omdat zij ongelijk krijgt. [2] De kantonrechter begroot de kosten die Sportpersoneel aan [gedaagde] moet betalen op € 864,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 432,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.008,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de vordering af;
3.2.
veroordeelt Sportpersoneel in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 1.008,-.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. C. van Steenderen - Koornneef en in het openbaar uitgesproken.
703

Voetnoten

1.Dat staat in artikel 7:628 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
2.Artikel 237 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.