De verdachte werd beschuldigd van het medeplegen van het voorhanden hebben van ruim 21 kilo cocaïne en van voorbereidingshandelingen voor het bewerken en vervaardigen van drugs. De tenlastelegging betrof het bezit van diverse verdovende middelen en materialen, alsmede het voorbereiden van drugshandel op of omstreeks 10 september 2024 te Capelle aan den IJssel.
De officier van justitie stelde dat verdachte, mede door het bezit van een sleutel van het bedrijfspand en communicatie via zijn telefoon, wetenschap had van de drugs en een actieve rol had in de voorbereidingen. De verdediging voerde rechtmatigheidsverweren aan tegen het gebruik van chatberichten en betwistte de bewijslast.
De rechtbank oordeelde dat het enkel aanwezig zijn bij het pand en het bezit van een sleutel onvoldoende is om een bewuste en nauwe samenwerking aan te tonen. Ook al zou uit de chats blijken dat verdachte op de hoogte was van de drugs en de politie, dan nog is dat onvoldoende om hem als mededader aan te merken. De rechtbank sprak verdachte daarom vrij van beide feiten wegens gebrek aan bewijs.