Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7035

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
10-016542-26
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor afleveren van ruim 11 kilo xtc-pillen en vervoeren van ruim 100 gram cocaïne

De rechtbank Rotterdam heeft op 13 mei 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van het afleveren van ruim 11 kilogram xtc-pillen en het vervoeren van ruim 100 gram cocaïne. De verdachte werd tevens verdacht van het voorhanden hebben van versnijdingsmiddelen, waarvan hij werd vrijgesproken.

De bewezenverklaring is gebaseerd op onder meer de inbeslagname van vier vacuümzakken met xtc-pillen en een envelop met witte kristalachtige substantie in de auto van verdachte, verklaringen van verdachte en proces-verbaal van de politie. De rechtbank oordeelde dat verdachte zich willens en wetens bewust was van de aanmerkelijke kans dat het om harddrugs ging, waarmee voorwaardelijk opzet werd aangenomen.

De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de negatieve maatschappelijke effecten van harddrugs, en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn positieve ontwikkeling onder begeleiding van de reclassering en mogelijke psychosociale problematiek. Daarom werd een taakstraf van 240 uur opgelegd, met aftrek van voorarrest, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 jaar met een proeftijd van 2 jaar, verbonden aan bijzondere voorwaarden zoals meldplicht en gedragsinterventie.

De verdachte werd vrijgesproken van het bezit van versnijdingsmiddelen, omdat niet kon worden vastgesteld dat hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat de aangetroffen E-mannitol bestemd was als versnijdingsmiddel. De rechtbank benadrukte dat de voorwaardelijke gevangenisstraf als waarschuwing dient en dat bij overtreding deze alsnog ten uitvoer kan worden gelegd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 240 uur taakstraf en 1 jaar voorwaardelijke gevangenisstraf, vrijgesproken van bezit versnijdingsmiddelen.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-016542-26
Datum uitspraak: 13 mei 2026
Datum zitting: 29 april 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. B.M. Loef
Officier van justitie: mr. M.J.W van Breukelen
Kern van het vonnis
De verdachte heeft ruim 11 kilogram xtc-pillen afgeleverd en heeft ruim 100 gram cocaïne vervoerd. Hij wordt vrijgesproken van het voorhanden hebben van versnijdingsmiddelen. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 240 uur, met aftrek van voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 jaar, met een proeftijd van 2 jaar. Daaraan worden de bijzondere voorwaarden verbonden die door de reclassering zijn geadviseerd.

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij ruim 11 kilogram xtc-pillen en ruim 100 gram cocaïne heeft afgeleverd en/of vervoerd en versnijdingsmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan de verdachte wist dat deze bestemd waren voor de vervaardiging van dan wel de handel in harddrugs. De volledige tenlastelegging houdt in dat:
1
hij op of omstreeks 16 januari 2026 te Rotterdam,
opzettelijk
heeft afgeleverd en/of vervoerd,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer 11343 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal
bevattende MDMA en/of
ongeveer 105 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal
bevattende cocaïne,
zijnde MDMA en/of cocaïne
(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij op of omstreeks 16 januari 2026 te Ulvenhout, gemeente Breda,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet,
voor te bereiden en/of te bevorderen,
te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,
verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen
van cocaïne en/of MDMA en/of amfetamine, in elk geval een middel als bedoeld in
de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a,
vijfde lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te
plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe
gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van
dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen
voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had
om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door versnijdingsmiddelen voorhanden te hebben.

2.Bewijs / vrijspraak

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de feiten.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van feit 2.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte ruim 11 kilogram xtc-pillen heeft afgeleverd en ruim 100 gram cocaïne heeft vervoerd. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen [1] en de onderstaande bewijsmotivering.
1.
Verklaring van de verdachte [2]
Ik ben door iemand anders gevraagd om iets weg te brengen. Ik wist dat het om pillen ging, maar ik wist niet om wat voor pillen het ging. De man voor wie ik de spullen zou wegbrengen, heeft zelf de tassen in de kofferbak van mijn auto gezet.
2.
Proces-verbaal van de politie [3] Op 16 januari 2026 gaf een voertuig, SEAT Ibiza met kenteken [kentekennummer] (hierna: de Seat), een melding op de Automatic Numberplate Recognition (hierna: ANPR). De Seat was in het ANPR-systeem geplaatst met als doel om dit voertuig te controleren in verband met ondermijnende criminaliteit.
De verdachte reed met de Seat naar de parkeerplaats van het Prinsenplein in Rotterdam en parkeerde aldaar. Hij stapte uit en bleef naast de Seat staan. Twee mannen liepen in de richting van de verdachte. Later bleek dat het medeverdachten W [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) betrof. De verdachte liep naar de kofferbak van de Seat, opende deze en kwam daarna met een Aldi-tas in beeld. De verdachte gaf vervolgens de Aldi-tas aan [medeverdachte 1] .
De verdachten zijn hierop aangehouden en de Aldi-tas werd in beslag genomen. In de Aldi-tas zaten vier gesealde zakken met xtc-pillen (goednummer: [beslagnummer 1] ). De Seat is doorzocht. Bij de doorzoeking van de Seat is een envelop aangetroffen met witte brokken van een kristalachtige substantie. De envelop is in beslag genomen (goednummer: [beslagnummer 2] ).
3.
Proces-verbaal van de politie [4] SIN : AASZ4681NL
BVH Goednummer : [beslagnummer 1]
Object omschrijving : 4 vacuümzakken met daarin grijze tabletten
SIN :AASZ4684NL
BVH Goednummer : [beslagnummer 2]
Object omschrijving : 1 vacuümzak met daarin wit poeder en brokken
4.
Deskundigenverslag [5]
5.
Deskundigenverslag [6]
2.3.2.
Bewijsmotivering
De verdachte heeft verklaard dat hij wist dat het om pillen ging, dat hij de tassen met spullen niet zelf achter in zijn auto heeft gelegd en dat hij niet wist om welke pillen het precies ging, maar wel dat hij die pillen voor een ander moest afleveren. Door onder die omstandigheden de pillen te vervoeren en af te leveren, heeft hij zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het harddrugs betrof en heeft hij die kans welbewust aanvaard. Voor het aannemen van dit voorwaardelijk opzet is niet vereist dat de verdachte precies wist om welke soort en hoeveel harddrugs het ging. Dat in het voertuig ook cocaïne is aangetroffen, brengt mee dat het voorwaardelijk opzet van de verdachte zag op het afleveren en/of vervoeren van zowel de xtc-pillen als de aangetroffen cocaïne. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde opzettelijk afleveren en/of vervoeren van de xtc-pillen en cocaïne heeft gepleegd.
2.3.3.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
hij op 16 januari 2026 te Rotterdam opzettelijk heeft afgeleverd en/of vervoerd, 11343 gram van een materiaal bevattende MDMA en 105 gram van een materiaal bevattende cocaïne,
zijnde MDMA en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
2.3.4.
Vrijspraak feit 2
In de schuur van de verdachte zijn drie dozen aangetroffen met een hoeveelheid E-mannitol. De verdachte heeft verklaard dat hij deze dozen bewaarde voor iemand anders en dat hij dacht dat het schoonmaakmiddelen betrof.
Voor een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit is vereist dat kan worden vastgesteld dat de verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat de E-mannitol bestemd was om te worden gebruikt als versnijdingsmiddel. Uit het procesdossier volgt niet dat de verdachte wetenschap had van een dergelijke bestemming. Evenmin zijn relevante feiten of omstandigheden gebleken waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte ernstige reden had om te vermoeden dat de aangetroffen E-mannitol bestemd was voor gebruik als versnijdingsmiddel voor harddrugs.
Het enkele aantreffen van E-mannitol, een stof met ook legale toepassingen, in de schuur van de verdachte is onvoldoende om te kunnen vaststellen dat de verdachte de vereiste wetenschap had dan wel ernstige reden had om te vermoeden dat deze stof was bestemd als versnijdingsmiddel. Het tweede feit waarvan de verdachte wordt beschuldigd, is daarom niet bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod.
3.2.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straf

4.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie is bij het formuleren van de eis uitgegaan van een bewezenverklaring van beide ten laste gelegde feiten. Gevorderd is dat de verdachte voor de feiten moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren (1095 dagen) waarvan 1 jaar (365 dagen) voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de beperkte rol en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdediging verzoekt daarnaast om, indien tot een veroordeling wordt gekomen, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met oplegging van de door de reclassering geadviseerde voorwaarden. Mocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd, dan verzoekt de verdediging geen hogere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de duur van het voorarrest.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft ruim 11 kilogram xtc-pillen afgeleverd en ruim 100 gram cocaïne vervoerd. Het is algemeen bekend dat de handel in harddrugs gepaard gaat met vele andere vormen van (zware) criminaliteit, waaronder geweld en ondermijning. Daarnaast zijn harddrugs slecht voor de volksgezondheid. De verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan het in stand houden van die negatieve effecten.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 26 maart 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Advies van de reclassering
In het rapport van Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) van 15 april 2026 staat het volgende. De verdachte heeft een belast verleden, onder andere op het gebied van zijn thuissituatie, huisvesting, ontbreken van structurele ondersteuning en revalidatie na een ongeval op zeventienjarige leeftijd. De verdachte heeft zich in 2024 aangemeld bij het Jongeren Perspectief Fonds (JPF) van de gemeente Breda, waarbij hij begeleid wordt bij meerdere leefgebieden. Sinds de start van dit traject is sprake van een positieve ontwikkeling op de leefgebieden. De verdachte beschikt inmiddels over zelfstandige huisvesting, is gestart met het aflossen van schulden, maakt gebruik van budgetbeheer en ontvangt ondersteuning bij praktische zaken. Sinds zijn vrijlating heeft de verdachte ook weer werk. De reclassering beschouwt dit als een positieve factor. Daarnaast worden de huidige begeleiding, de positieve steun van zijn vriendin en zijn gemotiveerde houding als positief aangemerkt.
Als risicofactoren ziet de reclassering zijn impulsiviteit, beïnvloedbaarheid door een (negatief) sociaal netwerk en een beperkt vermogen om de gevolgen van eigen handelen te overzien. Daarnaast is er mogelijk sprake van aanvullende problematiek op zijn psychosociaal functioneren naar aanleiding van het ongeval, waarbij niet-aangeboren hersenletsel (NAH) niet kan worden uitgesloten. Er heeft echter tot op heden geen neurologisch of aanvullend diagnostisch onderzoek plaatsgevonden, terwijl de verdachte sinds het ongeval klachten ervaart, zoals gedragsveranderingen, geheugenproblemen en innerlijke onrust. Via zijn begeleider is vernomen dat er een verwijzing voor de psycholoog of neuroloog wordt aangevraagd. De uitkomsten hiervan worden afgewacht om te bezien of aanvullende diagnostiek of behandeling geïndiceerd is.
De verdachte is in het huidige schorsingstoezicht gestart met een CoVa-training. Hij toont hierbij een gemotiveerde houding en zet zich actief in om het maximale uit de training te halen ten behoeve van zijn persoonlijke ontwikkeling en de genoemde risicofactoren. Dit, en het ingeschatte gemiddelde recidiverisico, maakt dat de reclassering adviseert het reclasseringstoezicht met bijzondere voorwaarden voort te zetten. De reclassering vindt het tevens belangrijk dat de verdachte vooralsnog begeleiding blijft ontvangen op de praktische zaken en dat hij stapsgewijs leert om dit zelfstandig uit te kunnen voeren. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld. Het risico op het zich onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als laag. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met de onderstaande bijzondere voorwaarden:
  • meldplicht bij de reclassering;
  • gedragsinterventie cognitieve vaardigheden;
  • ambulante behandeling;
  • praktische begeleiding.
4.3.3.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel passend. De rechtbank ziet echter in de hiervoor beschreven persoonlijke omstandigheden van de verdachte, aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. In plaats daarvan legt de rechtbank een taakstraf van 240 uur op. De rechtbank volgt het verzoek van de verdediging om te volstaan met een geheel voorwaardelijke straf niet, aangezien dit onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten.
Alles afwegend vindt de rechtbank een combinatie van een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf passend. Daarom wordt een gevangenisstraf van 1 jaar opgelegd. De gevangenisstraf wordt geheel voorwaardelijk opgelegd. Deze voorwaardelijke gevangenisstraf dient als waarschuwing: als de verdachte in de toekomst opnieuw in de fout gaat, kan de gevangenisstraf alsnog ten uitvoer worden gelegd. De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd. Deze voorwaarden zijn noodzakelijk om de verdachte op het rechte pad te houden en hem verder te ondersteunen in zijn persoonlijke groei en ontwikkeling. De bijzondere voorwaarden zijn:
  • meldplicht bij de reclassering;
  • gedragsinterventie cognitieve vaardigheden;
  • ambulante behandeling;
  • praktische begeleiding.

5.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

6.Beslissingen

De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 2 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen dat de verdachte feit 1, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 1 (één) jaar;
veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag, zodat
202 (tweehonderdentwee) uur taakstrafmoet worden verricht;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht,
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
101 (honderdeen) dagen;
bepaalt dat
de gevangenisstrafniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op
2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres [adres 2] in [plaats] (bij zijn toezichthouder);
de verdachte binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;
indien uit neurologisch onderzoek blijkt dat behandeling geïndiceerd is, de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door een nader door de reclassering te bepalen zorgverlenersinstantie, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start bij aanmelding van de toezichthouder. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, schuldenproblematiek en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
de verdachte zich houdt aan de afspraken in het kader van het Jongeren Perspectief Fonds van de gemeente Breda of meewerkt aan begeleiding en ondersteuning gericht op praktische zaken door een nader te bepalen instelling, zolang de reclassering de begeleiding nodig vindt;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd onder nummers 1, 2, 3, en 4 en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
  • meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

7.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. P. Joele, voorzitter,
en mrs. A.M.H. Geerars en J. Langeveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. Loggen griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 13 mei 2026.
Mr. A.M.H. Geerars is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op de doorlopende paginanummers uit het eindproces-verbaal met nummer [nummer proces-verbaal 1] .
2.Verklaard tijdens het verhoor door de rechter-commissaris van 19 januari 2026.
3.Pagina 15 e.v. van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 2] .
4.Pagina 250 e.v. van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 3] .
5.Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 256 e.v. van het eindproces-verbaal
6.Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 257 e.v. van het eindproces-verbaal