Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7033

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
10/290782-23; 10/100716-22; 22/000183-21
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:14 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot beëindiging van de ISD-maatregel wegens onvoldoende gedragsverandering

De rechtbank Rotterdam behandelde op 13 mei 2026 een verzoek van de veroordeelde tot tussentijdse beëindiging van de ISD-maatregel, die in augustus 2024 was opgelegd en sinds december 2024 ten uitvoer werd gelegd.

De veroordeelde stelde dat hij zich positief had ontwikkeld, trainingen had gevolgd en praktische zaken voor een terugkeer in de maatschappij had geregeld, waardoor het recidiverisico afwezig zou zijn. De officier van justitie en de directeur van de inrichting betwistten dit en concludeerden tot voortzetting van de maatregel.

Uit de verklaring van de directeur bleek dat de veroordeelde meerdere malen softdrugs had gebruikt, onvoldoende gedragsverandering had getoond ondanks deelname aan agressieregulatie-trainingen, en een problematische conflicthantering vertoonde. Hij weigerde deelname aan CoVa-trainingen die inzicht zouden kunnen geven in zijn gedrag.

De rechtbank oordeelde dat het recidiverisico onverminderd hoog is en dat beëindiging van de maatregel zou leiden tot onveiligheid en overlast. Er was geen omstandigheid buiten de macht van de veroordeelde die het gebrek aan voortgang verklaarde. Daarom werd het verzoek tot beëindiging afgewezen en de voortzetting van de ISD-maatregel bevolen.

Uitkomst: Het verzoek tot beëindiging van de ISD-maatregel wordt afgewezen en de maatregel wordt voortgezet.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3
Parketnummer: 10/290782-23; 10/100716-22; 22/000183-21
Datum uitspraak: 13 mei 2026
Beslissing van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, naar aanleiding van een verzoek als bedoeld in artikel 6:6:14 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) in de zaak tegen de veroordeelde:
[veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1971,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam P.I.] , locatie [detentielocatie] .
Raadsman mr. F.G.J. Staals, advocaat te Amsterdam.

1.Inleiding

Bij vonnis van deze rechtbank van 22 augustus 2024 is aan de veroordeelde opgelegd de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren. Het vonnis is op 28 december 2024 onherroepelijk geworden. De tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel is op deze datum aangevangen. De veroordeelde verblijft sinds 24 januari 2025 in de Penitentiaire Inrichting [naam P.I.] , locatie [detentielocatie] (hierna: de PI).

2.Procesverloop

Op 13 maart 2026 is door de griffie van de rechtbank ontvangen een namens de veroordeelde gedaan verzoek als bedoeld in artikel 6:6:14, eerste lid, Sv tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel.
Op 22 april 2026 heeft de directeur van de inrichting waar de veroordeelde verblijft (hierna:
de directeur) een verklaring omtrent de stand van uitvoering van het plan van aanpak van de
veroordeelde tot de ISD-maatregel opgemaakt.
De zaak is behandeld op de openbare terechtzitting van 29 april 2026. De officier van justitie mr. M.J.W. van Breukelen, de veroordeelde en zijn raadsman zijn gehoord. Tevens is als getuige gehoord [naam getuige] , als senior casemanager ISD verbonden aan de inrichting waar de veroordeelde verblijft.

3.Standpunten van partijen

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot voortzetting van de ISD-maatregel.
De veroordeelde en de raadsman hebben beëindiging van de ISD-maatregel bepleit.
Daartoe is aangevoerd dat er na de vorige tussentijdse beoordeling bij de veroordeelde een knop is omgegaan en hij zich op een positieve manier heeft ingezet. De veroordeelde heeft trainingen gevolgd en hij heeft alle noodzakelijkheden geregeld voor een verblijf buiten de instelling. Zo heeft hij een bankrekening geregeld en kan hij direct aan de slag in de steigerbouw. Hij kan verblijven bij Housing First of, indien daar geen plek vrijkomt, bij zijn zus. Het is aan het door de inrichting vasthouden aan protocollen te wijten dat het traject van de veroordeelde stagneert. Er is bij de veroordeelde geen sprake geweest van terugvallen en het recidiverisico is geheel afwezig. Dit alles tezamen maakt dat voortzetting van de ISD-maatregel geen doel meer dient.

4.Beoordeling

Uit de verklaring van de directeur van de PI van 22 april 2026 omtrent de stand van de uitvoering van het verblijfsplan van de veroordeelde en het verhandelde op zitting, blijkt dat de veroordeelde de afgelopen periode meermaals (soft)drugs heeft gebruikt, waardoor hij geen toestemming kreeg om buiten de instelling te werken. Hoewel de veroordeelde heeft deelgenomen aan de agressieregulatie-training, heeft dit tot op heden onvoldoende tot geen positieve gedragsverandering teweeggebracht. Er is bij de veroordeelde sprake van een problematische conflicthantering, waarbij hij zich slechts kan beheersen als hij iets voor elkaar wil krijgen. Hij kan geen hulpvraag bedenken en dit maakt het des te lastiger om hem te begeleiden. De veroordeelde blijft de schuld van de oplegging van de ISD-maatregel buiten zichzelf leggen. Daarnaast ontbreekt het hem aan het inzicht dat het aan zijn eigen gedrag en drugsgebruik te wijten is, dat hij onvoldoende vooruitgang boekt in zijn traject. Hoewel CoVa-training aan de veroordeelde inzicht in zijn eigen handelen zou kunnen geven, heeft hij deelname daaraan consequent geweigerd. Het recidiverisico is even hoog als bij het opstarten van de maatregel. De rechtbank acht daarom het risico groot dat de veroordeelde bij terugkeer in de maatschappij op dit moment in zijn oude levenspatroon vervalt en opnieuw delicten zal gaan plegen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat beëindiging van de maatregel naar verwachting zal leiden tot onveiligheid, ernstige (drugs)overlast en verloedering van het publieke domein. Voorts is niet gebleken van een omstandigheid die overwegend buiten de macht van de veroordeelde ligt, waardoor het aan de veroordeelde is te wijten dat het traject nog niet voldoende van de grond is gekomen.
Voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel is daarom nog altijd vereist. Er is geen grond om tot beëindiging van de maatregel over te gaan.

5.Beslissing

De rechtbank:
wijst af het verzoek tot beëindiging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders;
bepaalt dat de tenuitvoerlegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders wordt voortgezet.
Deze beslissing is gegeven door:
mr. P. Joele, voorzitter,
en mr. A.M.H. Geerars en mr. J. Langeveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. Loggen, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.
De oudste rechter is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.