Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7012

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
13/031949-25
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 47 SrArt. 77a SrArt. 77g Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging gewapende diefstal en handelen in strijd met WWM door minderjarige

De rechtbank Rotterdam heeft op 24 april 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen een 16-jarige verdachte die samen met een medeverdachte een supermarkt in Diemen heeft overvallen. De verdachte heeft geprobeerd geld en sigaretten te stelen onder bedreiging met een alarmpistool, waarbij het wapen tegen het hoofd van een winkelmedewerkster werd gehouden. De overval werd zonder buit beëindigd.

De verdachte heeft het ten laste gelegde bekend en is strafbaar bevonden voor poging diefstal met geweld en medeplegen van handelen in strijd met de Wet wapens en munitie. De rechtbank heeft rekening gehouden met de ernst van de feiten, de impact op het slachtoffer en de positieve ontwikkeling van de verdachte sinds het delict. De verdachte heeft een onberispelijk strafblad en toont motivatie tot gedragsverandering.

De rechtbank legde een jeugddetentie van 140 dagen op, waarvan 88 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een werkstraf van 60 uur. Tevens is de verdachte veroordeeld tot betaling van €3.000,- immateriële schadevergoeding aan het slachtoffer, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van het delict. De rest van de schadevordering is afgewezen. De verdachte mag geen contact hebben met de medeverdachte en het slachtoffer.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 140 dagen jeugddetentie (waarvan 88 voorwaardelijk), 60 uur werkstraf en €3.000,- schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd
Parketnummers: 13/031949-25
Datum uitspraak: 24 april 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 2008,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres], [postcode] [plaatsnaam],
raadsman: mr. M. Sculic, advocaat in Rotterdam.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 10 april 2026.

2.Tenlastelegging

De verdachte staat terecht op de beschuldiging dat hij samen met een ander een supermarkt heeft overvallen en daarbij geprobeerd heeft geld en/of sigaretten te stelen. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. K. Broere heeft gevorderd:
  • bewezenverklaring van het ten laste gelegde;
  • veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 140 dagen met aftrek
  • veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende jeugddetentie.

4.Waardering van het bewijs

De verdachte heeft het ten laste gelegde bekend. Gelet daarop en de andere bewijsmiddelen genoemd in bijlage II is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
1
hij op
of omstreeks28 januari 2025 te Diemen,
in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een
of meerander
en,
althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader
(s)voorgenomen
misdrijf om geld en
/ofsigaretten,
in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten dele
aan winkelbedrijf CIGO Diemen Zuid
, in elk geval aan een ander dan aan verdachte
en/of zijn mededader(s)toebehoorde
(n
)weg te nemen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen
en deze poging diefstal te doen voorafgaan
,ente doen vergezellen
en/of te doen
volgenvan geweld en
/ofbedreiging met geweld tegen winkelmedewerker [slachtoffer]
,
te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden
ofen
gemakkelijk te maken
, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of
andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het
bezit van het gestolene te verzekeren,
op dreigende toon om geld en
/ofsigaretten heeft gevraagd en
/ofeen
vuurwapen
, te weten een alarmpistool,op die [slachtoffer] en
/ofwinkelklanten heeft gericht en
/ofeen
vuurwapen
, te weten een alarmpistool,tegen het hoofd
, althans tegen het lichaamvan die [slachtoffer] heeft gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op
of omstreeks28 januari 2025 te Diemen,
in elk geval in Nederland,tezamen
en in vereniging met een
of meerander
en,
althans alleen,een wapen in de zin van
artikel 1 onder Pro 4e, gelet op artikel 2 lid 1 van Procategorie III, onder 4 van de Wet
wapens en munitie, te weten een alarmpistool van het merk BBM, model GAP,
kaliber 9mm PAK, voorhanden heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5.Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. poging diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

2. medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6.Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7.Motivering straf

7.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft zich op zestienjarige leeftijd samen met een andere minderjarige verdachte schuldig gemaakt aan een gewapende overval op de winkel CIGO Diemen Zuid. Hierbij hebben de verdachte en zijn medeverdachte geprobeerd om onder bedreiging van een alarmpistool geld en sigaretten weg te nemen. De verdachte heeft tijdens de overval het alarmpistool gepakt en getoond aan de klanten in de winkel en de medewerkster. De medeverdachte heeft daarna het alarmpistool tegen het hoofd van de medewerkster aangehouden. De verdachten zijn uiteindelijk zonder buit weggevlucht. Zij hebben met hun handelen voor de medewerkster een zeer bedreigende en beangstigende situatie gecreëerd, waarbij ernstig inbreuk is gemaakt op haar gevoel van veiligheid. Zij heeft bij de politie verklaard dat zij dacht dat zij dood zou gaan. Ook voor de klanten in de winkel is er een bedreigende situatie ontstaan. De verdachten hebben de overval gepland en een alarmpistool geregeld en hebben daarbij kennelijk alleen oog gehad voor hun eigen financieel gewin. Dit soort feiten veroorzaken ook breder binnen de samenleving gevoelens van angst en onveiligheid en vormen een ernstige inbreuk op de rechtsorde.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De verdachte is niet eerder veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
7.3.2.
Rapportages en verklaringen van deskundige op de terechtzitting
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad)heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 2 april 2026. Dit rapport houdt, voor zover van belang, het volgende in.
Het gaat sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis goed met de verdachte. Hij houdt zich aan de regels van zijn moeder, is aanwezig op school en doet het daar goed. Hij sport, is op zoek naar een bijbaantje en helpt zijn moeder met klusjes in zijn vrije tijd. Ook is de verdachte niet meer in aanraking gekomen met de politie en is er sprake van een betrokken netwerk waar hij op terug kan vallen. De sociale contacten van de verdachte blijven daarentegen een risico, omdat niet duidelijk wordt of de verdachte afstand heeft gedaan van anti-sociale contacten. Wat betreft een strafadvies overweegt de Raad dat een detentiestraf passend is in verhouding tot de feiten, maar nu de verdachte zijn leven heeft gebeterd kan een detentiestraf de positieve ontwikkeling in de weg staan. Daarom adviseert de Raad een onvoorwaardelijke detentiestraf die het voorarrest niet overstijgt. De verdachte moet beseffen dat hetgeen hij heeft gedaan onacceptabel is en dat hij de gevolgen daarvan onder ogen moet komen. Om die reden adviseert de Raad ook een voorwaardelijke jeugddetentie als stok achter de deur en een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf. De Raad vindt het niet nodig dat de verdachte nog langer toezicht krijgt van de jeugdreclassering.
Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: de jeugdreclassering)heeft op 8 april 2026 een rapport over de verdachte opgemaakt. Dit rapport houdt, voor zover van belang, het volgende in. Op alle leefgebieden gaat het goed met de verdachte. Hij heeft spijt van het delict en is niet meer in beeld gekomen bij de politie. De jeugdreclassering adviseert een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest en een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf. De jeugdreclassering vindt begeleiding van de verdachte niet meer noodzakelijk.
Deskundige [naam],werkzaam bij de jeugdreclassering, heeft op de zitting ter aanvulling op het rapport naar voren gebracht dat het goed gaat met de verdachte. Hij heeft een goed netwerk, er is voldoende toezicht en hij heeft zijn leven op de rit. Ook het vertrouwen tussen hem en de moeder is hersteld. Er was een jongerencoach aangevraagd voor de verdachte, maar de afspraken werden door de coach niet nagekomen. In de tussentijd heeft de verdachte alles zelf aangepakt. De verdachte is zo geschrokken van het delict dat de kans op recidive als zeer laag wordt ingeschat.
7.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op de leeftijd van de verdachte ten tijde van de strafbare feiten (16. jaar) is het jeugdstrafrecht van toepassing. In het jeugdstrafrecht ligt de nadruk minder op het straffen zelf, en meer op gedragsverandering, begeleiding en heropvoeding van minderjarigen. Daarbij moet rekening worden gehouden met de fase van hun ontwikkeling.
De vraag is hoe die doelstellingen in dit geval moeten worden bereikt. Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. De verdachte heeft inmiddels 52 dagen vastgezeten. Kijkend naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en de heftige impact op de slachtoffers (met name de medewerkster die een wapen tegen het hoofd gedrukt kreeg), zou een jeugddetentie van langere duur zonder meer gerechtvaardigd zijn. Daar staat echter tegenover dat de verdachte sinds 21 maart 2025 in een schorsing van de voorlopige hechtenis loopt en dat hij zich goed heeft gehouden aan zijn schorsingsvoorwaarden. De verdachte stelt zich begeleidbaar op, is gemotiveerd om stappen te zetten en neemt verantwoordelijkheid voor wat hij heeft gedaan. Er is sprake van een positieve ontwikkeling sinds de strafbare feiten.
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat een straf die tot gevolg heeft dat de verdachte terug moet naar de jeugdgevangenis, niet in het belang van de verdere ontwikkeling van de verdachte is en daarmee ook niet in het belang van de samenleving. Overeenkomstig de adviezen van de Raad legt de rechtbank daarom een deels voorwaardelijke jeugddetentie op, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient ertoe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen of contact op te nemen met de medeverdachte of het slachtoffer.
De rechtbank acht het gelet op de ernst van de feiten niet passend dat het onvoorwaardelijke strafdeel beperkt blijft tot de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank zal daarom naast de jeugddetentie, ook een onvoorwaardelijke werkstraf, opleggen aan de verdachte van hierna te noemen duur.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8.Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd, [benadeelde partij], ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 5.000,- aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering hoofdelijk toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, vanwege het ontbreken van stukken ter onderbouwing van de vordering.
8.3.
Beoordeling
Voor vergoeding van immateriële schade is een wettelijke grondslag vereist, zoals geregeld in artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (verder: BW). Nu bij de benadeelde partij geen sprake is van lichamelijk letsel of van schade in haar eer en goede naam, is de vraag of de benadeelde partij ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast in de zin van genoemd artikel. Van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook als het bestaan van geestelijk letsel niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen.
Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschending, te weten het met een alarmpistool overvallen van de winkel waarin de benadeelde partij als medewerker aan het werk was, waarbij het alarmpistool tegen haar hoofd is gezet en het slachtoffer niet wist dat het geen echt vuurwapen betrof, en de gevolgen daarvan zoals door de benadeelde partij omschreven in de vordering, hoewel summier, mee dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is.
Bij de begroting van de schade heeft de rechtbank acht geslagen op paragraaf 19.1 van de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. De bewezenverklaarde winkeloverval, gepleegd door meerdere daders met gebruikmaking van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, past qua aard en ernst binnen de genoemde categorie. Gelet daarop zal de rechtbank de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid vaststellen op € 3.000,-. De benadeelde partij zal voor het overige deel van de gevorderde immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 28 januari 2025.
Nu de verdachte het strafbare feit, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend, samen met een ander heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.
Nu de vordering van de benadeelde partij deels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
8.4.
Conclusie
De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 3.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg en 312 van het Wetboek van Strafrecht de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11.Beslissing

De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie
voor de duur van 140 dagen (zegge: honderdveertig);
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie groot
88 (zegge: achtentachtig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op
twee jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken
of hebben met de medeverdachte: [medeverdachte], geboren op [geboortedatum 2] 2009;
- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken
of hebben met de aangever: [aangever], geboren op [geboortedatum 3] 1985 (met uitzondering van contact in het kader van eventueel herstelbemiddeling via de officier van justitie);
legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een
werkstrafvoor de duur van
60 (zegge: zestig)
uren;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht,
vervangende jeugddetentiezal worden toegepast voor de duur van
30 dagen;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de
[benadeelde partij], te betalen een bedrag van
€ 3.000,- (zegge: drieduizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 28 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk, samen met zijn mededader,
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen
€ 3.000,-(hoofdsom,
zegge: drieduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. N. Doorduijn, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. A.L. Pöll en R. van den Wildenberg, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van mr. B. de Pater, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 april 2026.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1
hij op of omstreeks 28 januari 2025 te Diemen, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om geld en/of sigaretten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele
aan winkelbedrijf CIGO Diemen Zuid, in elk geval aan een ander dan aan verdachte
en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen
en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen
volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen winkelmedewerker [slachtoffer]
,
te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of
gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of
andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het
bezit van het gestolene te verzekeren,
op dreigende toon om geld en/of sigaretten heeft gevraagd en/of een vuurwapen op
die [slachtoffer] en/of winkelklanten heeft gericht en/of een vuurwapen tegen het
hoofd, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft gehouden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op of omstreeks 28 januari 2025 te Diemen, in elk geval in Nederland, tezamen
en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen in de zin van
artikel 1 onder Pro 4e, gelet op artikel 2 lid 1 van Pro categorie III, onder 4 van de Wet
wapens en munitie, te weten een alarmpistool van het merk BBM, model GAP,
kaliber 9mm PAK, voorhanden heeft gehad;