ECLI:NL:RBROT:2026:701
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking ziektewetuitkering wegens ontbreken spoedeisend belang
Verzoekster, die sinds november 2022 wegens psychische klachten arbeidsongeschikt is, verzocht om een voorlopige voorziening tegen de intrekking van haar ziektewetuitkering door het UWV. Het UWV had de uitkering beëindigd per 16 maart 2024 na een herbeoordeling waaruit bleek dat verzoekster in staat was meer dan 65% van haar maatmanloon te verdienen. Verzoekster betwistte dit en vroeg om een voorlopige voorziening totdat de rechtbank uitspraak zou doen in het beroep.
De voorzieningenrechter oordeelde dat een voorlopige voorziening alleen kan worden toegekend bij een spoedeisend belang. Verzoekster stelde dat zij in acute financiële nood verkeerde, maar zij woont bij haar zus en zwager, die voldoende inkomen hebben om haar te onderhouden. Verzoekster betaalt geen huur en draagt niet bij aan de vaste lasten. Er is geen bewijs dat zij niet langer bij hen kan verblijven of dat er een acute noodsituatie is.
Daarnaast wees de voorzieningenrechter erop dat er een voorliggende voorziening bestaat in de vorm van een bijstandsuitkering, die verzoekster niet heeft aangevraagd. Ook is het bestreden besluit niet evident onrechtmatig; de arbeidsdeskundige hield rekening met haar beperkingen en mogelijkheden. Het psychiatrisch rapport gaf geen overtuigend bewijs van het ontbreken van duurzaam benutbare mogelijkheden.
Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Verzoekster krijgt geen ziektewetuitkering of voorschotten totdat de rechtbank in het bodemgeding uitspraak doet. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de intrekking van de ziektewetuitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.