Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6973

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
10/000881-25
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46 SrArt. 47 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77m Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen voorbereiding brandstichting en overtreding milieuwetgeving met deels voorwaardelijke jeugddetentie en werkstraf

De rechtbank Rotterdam heeft op 27 maart 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen een zestienjarige verdachte die werd verdacht van brandstichting, voorbereiding van brandstichting en het bezit van professioneel vuurwerk. De verdachte werd vrijgesproken van het feit van brandstichting omdat niet kon worden vastgesteld dat hij de brand daadwerkelijk had aangestoken, ondanks aanwijzingen zoals camerabeelden en een deels verbrande schoen.

Wel werd de verdachte wettig en overtuigend bewezen verklaard voor medeplegen van de voorbereiding van brandstichting en/of ontploffing door het voorhanden hebben van gevaarlijke vuurwerk-brandstof-combinaties (VBC’s) en professioneel vuurwerk in een kelderbox. Deze feiten werden als ernstig beschouwd vanwege het gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar.

De rechtbank hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn jonge leeftijd, het ontbreken van een strafblad, positieve ontwikkeling tijdens de schorsingsperiode en steun vanuit zijn omgeving. Ondanks de ernst van de feiten werd daarom afgezien van een onvoorwaardelijke jeugddetentie en werd een taakstraf opgelegd, bestaande uit 140 uur werkstraf waarvan een deel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank zag geen meerwaarde in toezicht door de jeugdreclassering.

De straf weerspiegelt de ernst van de feiten en de maatschappelijke impact van het bezit van gevaarlijke vuurwerkcombinaties, maar houdt ook rekening met de kansen op rehabilitatie van de verdachte.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van brandstichting maar veroordeeld voor medeplegen voorbereiding brandstichting en overtreding milieuwetgeving met deels voorwaardelijke werkstraf en jeugddetentie.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd
Parketnummer: 10/000881-25
Datum uitspraak: 27 maart 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2008,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] , [postcode] te [plaatsnaam] ,
raadsvrouw: mr. T. Gümüs, advocaat te Schiedam

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 13 maart 2026.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. C.J.A. de Bruijn heeft gevorderd:
  • bewezenverklaring van het onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde;
  • veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 17 dagen met aftrek
  • veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen vervangende jeugddetentie, waarvan 50 uren, subsidiair 25 dagen vervangende jeugddetentie, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met de bijzondere voorwaarde dat de verdachte medewerking verleent aan toezicht door de jeugdreclassering;
  • met opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: de jeugdreclassering) tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Vrijspraak – feit 1
4.1.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie acht het onder feit 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie wijst daartoe onder meer op de camerabeelden uit de kelderboxgang waaruit blijkt dat verdachte in de periode voor de brand veelvuldig in de betreffende kelderbox is geweest. Verder acht de officier van justitie ook het onderzoek aan de gevonden (en deels verbrande) schoen van verdachte, die is gevonden voor de betreffende kelderbox, wijzen op betrokkenheid van de verdachte bij de brandstichting.
4.1.2.
Beoordeling
Op grond van de beschrijving van de camerabeelden van de kelderboxgang in het pand aan de Burgemeester Zaneveldstraat in Maassluis is vast komen te staan dat de verdachte in de periode voor de brand, zowel alleen als samen met anderen, in de kelderboxen [nummer 1] en [nummer 2] is geweest en dat daarbij ook goederen, zoals een kerstboom, naar binnen zijn gebracht. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan het proces-verbaal van de politie waarin de verdachte wordt herkend als een van deze personen. Ook staat vast dat er op 30 december 2024 een brand is ontstaan in kelderbox [nummer 2] en dat de verdachte in ieder geval kort daarvoor nog in de kelderboxgang liep. Ten slotte staat vast dat op het moment dat de brand ontstond er meerdere personen in de kelderboxgang liepen en renden en dat is te zien dat twee personen de brand probeerden uit te maken.
Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld hoe de brand precies is ontstaan, of dit opzettelijk is gebeurd en wat de rol van de verdachte daarbij zou zijn geweest. Het aantreffen van de deels verbrande schoen van de verdachte wil niet zeggen dat hij de brand ook heeft aangestoken, dan wel dat hij daarvan medepleger is geweest. Onder deze omstandigheden komt de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde brandstichting en zal zij de verdachte hiervan vrijspreken.
4.1.3.
Conclusie
Het onder 1 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
4.2.
Bewijswaardering – feiten 2 en 3
4.2.1.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten. De verdachte is niet degene die op de beelden te zien is. De verdachte heeft geen opzet gehad op de voorbereiding van brandstichting, danwel een ontploffing. Daarbij is volgens de verdediging ook van belang dat de kelderbox, waar de vuurwerkbommen en het professionele vuurwerk zijn gevonden, niet van de verdachte was. Hij kon dus niet beschikken over de spullen. Het filmpje op zijn telefoon levert op zich onvoldoende bewijs dat hij deze spullen heeft verworven, vervaardigd of voorhanden heeft gehad. Verder acht de verdediging van belang dat het DNA van de verdachte niet op de spullen in de kelderbox is aangetroffen.
4.2.2.
Beoordeling
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan.
4.2.3.
Conclusie
De onder 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten zijn wettig en overtuigend bewezen.
4.3.
Bewezenverklaring
Op grond van de inhoud van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit 2 primair en feit 3 heeft begaan op die wijze dat:
2
hij in
of omstreeksde periode van 27 december 2024 tot en met 30 december 2024
te Maassluis, tezamen en in vereniging met
een ander ofanderen,
althans alleen,ter
voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een
gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het opzettelijk brand
stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor
goederen of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te
duchten is (als omschreven in artikel 157 Wetboek Pro van Strafrecht),
opzettelijk
voorwerpen en
/ofstoffen,
te weten
meerdere flesjes met daarin een brandbare/ontvlambare
(vloei
)stof en
/of
spuitbussen
waarop/waaraan
(een)staalwolschuursponsje
(s
) en/of glaswolen
/of
meerdere stuks zwaar knalvuurwerk
(type cobra 6
)waren
bevestigd/getapet
/geplakt,
bestemd tot het begaan van dat misdrijf,
heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of
voorhanden heeft gehad;
3
hij in
of omstreeksde periode van 27 december 2024 tot en met 30 december 2024
te Maassluis,
tezamen en in vereniging met
een ander ofanderen,
althans alleen,
opzettelijk professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, te weten
meerdere stuks knalvuurwerk van het type Super Cobra 6 voorhanden heeft gehad;
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5.Strafbaarheid feit

De bewezen feiten leveren op:
Feit 2 primair:
medeplegen van voorbereiding van opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
Feit 3
medeplegen van het opzettelijk overtreden van een voorschrift, gesteld bij of krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6.Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7.Motivering straf

7.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft zich op zestienjarige leeftijd schuldig gemaakt aan de voorbereiding van brandstichting en / of het veroorzaken van een explosie door het voorhanden hebben van verschillende vuurwerk-brandstof-combinaties (VBC’s). Daarnaast had hij ook professioneel vuurwerk voorhanden.
Een VBC is een zeer gevaarlijke, illegale samenstelling waarbij zwaar vuurwerk, zoals een cobra 6, wordt gecombineerd met een brandbare vloeistof zoals benzine. Deze combinatie is extreem gevaarlijk. Het voorhanden hebben van deze VBC’s wordt daarom ook beschouwd als een ernstig misdrijf. Dit geldt in dit geval temeer omdat deze in een kelderbox lagen van een pand dat op dat moment nog altijd werd bewoond.
Het teweegbrengen van ontploffingen door gebruik te maken van dergelijke VBC’s is een ernstig strafbaar feit en een zeer intimiderende vorm van geweld. Het zorgt in de samenleving voor grote gevoelens van onrust en onveiligheid en maakt een forse inbreuk op de rechtsorde. De rechtbank neemt het de verdachte zeer kwalijk dat hij voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad die bestemd waren om een dergelijk ernstig misdrijf te plegen.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 15 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
7.3.2.
Rapportages en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad)heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 13 februari 2026. Dit rapport houdt, voor zover van belang, het volgende in.
Het algemeen recidiverisico en het dynamisch risicoprofiel komen uit op laag. De verdachte
is niet eerder in aanraking gekomen met justitie en heeft geen nieuwe strafbare feiten gepleegd in de schorsingsperiode. In het leven van de verdachte zijn meerdere beschermende factoren. Hij krijgt steun vanuit zijn ouders, hij heeft zijn havo diploma gehaald en er zijn geen zorgen over zijn vrijetijdsbesteding. Daar komt bij dat er in de afgelopen periode geen signalen zijn dat de verdachte zorgelijke contacten zou hebben. Gezien de aard van de verdenkingen sluit de Raad echter niet uit dat hij contact heeft gehad met antisociale jongeren. De verdachte lijkt verder over voldoende vaardigheden te beschikken om oplossingen te bedenken voor moeilijke situaties en hij is in staat om in te schatten welke situaties tot problemen kunnen leiden. Daarom zijn de feiten, indien de verdachte schuldig wordt bevonden, niet te rijmen met de vaardigheden en capaciteiten van de verdachte. Een risicofactor is dat de verdachte geen VOG kan krijgen en hij in de toekomst mogelijk problemen kan ervaren met het krijgen van een stageplek. Positief is dat de verdachte zijn plannen en doelen niet opgeeft en wil werken aan zijn toekomst. Het is van belang dat hij gaat studeren, dat hij een baan heeft en dat hij een mogelijkheid heeft om zich verder te ontwikkelen. De Raad adviseert daarom een deels voorwaardelijke werkstraf en een onvoorwaardelijke jeugddetentie, waarbij de jeugddetentie gelijk staat aan het voorarrest. Betrokkenheid van de jeugdreclassering heeft geen meerwaarde, omdat de verdachte zijn eigen weg lijkt te vinden als hij problemen ervaart.
Deskundige [naam], werkzaam bij de jeugdreclassering, heeft op de zitting naar voren gebracht dat het advies van de jeugdreclassering aansluit bij dat van de Raad. De verdachte heeft zich in de schorsingsperiode aan alle voorwaarden gehouden. Hij is bij iedere afspraak geweest en hij heeft de jeugdreclassering op de hoogte gehouden van zijn sollicitaties, het behalen van zijn diploma en zijn rijbewijs. In dat opzicht zijn er dus geen zorgen. Wel is de proceshouding van de verdachte zorgelijk ingeval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt.
7.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van de feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte echter aanleiding om daarvan af te zien. De verdachte is een first-offender en hij heeft zich sinds de bewezen verklaarde feiten, inmiddels alweer geruime tijd geleden, positief ontwikkeld. De verdachte loopt sinds 16 januari 2025 in een schorsing van de voorlopige hechtenis en heeft zich goed gehouden aan zijn schorsingsvoorwaarden. De verdachte stelt zich begeleidbaar op, werkt goed samen met de jeugdreclassering en zet zich in voor een positieve vrijetijdsbesteding. De verdachte is gemotiveerd voor de toekomst.
De rechtbank houdt, in strafverzwarende zin, rekening met de proceshouding van de verdachte ter terechtzitting. De verdachte ontkent zijn betrokkenheid en neemt geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn handelen.
Alles overwegende legt de rechtbank een taakstraf op, in de vorm van een werkstraf. De rechtbank legt een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk op onder de algemene voorwaarde dat de verdachte geen nieuwe strafbare feiten zal plegen. De rechtbank ziet, anders dan de officier van justitie, geen meerwaarde in het opleggen van een toezicht vanuit de jeugdreclassering.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 46, 47, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 157 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 1a, 2 en 4 van de Wet op de Economische Delicten, 9.2.2.1. van de Wet milieubeheer en 1.2.2. van het Vuurwerkbesluit.

9.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10.Beslissing

De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen dat de verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een
werkstrafvoor de duur van
140 (honderdveertig)
uren;
bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf groot
50(
vijftig) uren, subsidiair 25 dagen vervangende jeugddetentie,
niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van hierna te melden voorwaarde;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde werkstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek
56 (zesenvijftig) urente verrichten onvoorwaardelijke werkstraf resteren;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde het onvoorwaardelijke deel van de werkstraf niet naar behoren verricht,
vervangende jeugddetentiezal worden toegepast voor de duur van
28(
achtentwintig) dagen;
stelt de
proeftijdvast op
2(
twee)
jarenonder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:
- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.S. Flikweert, voorzitter,
en mrs. A.L. Pöll en J. Groot, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van mr. B. de Pater, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 maart 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1
hij op of omstreeks 30 december 2024 te Maassluis, tezamen en in vereniging met
een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk
brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met (een)
brandbare/ontvlambare stof(fen),
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten (de inboedel van) kelderbox nr. [nummer 2] en/of
de portiek en/of (een) ruit(en) en/of aangrenzende en/of omliggende kelderboxen
en/of woning(en) en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten
bewoners van aangrenzende woningen en/of omstander(s)
te duchten was;
2
hij in of omstreeks de periode van 27 december 2024 tot en met 30 december 2024
te Maassluis, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter
voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een
gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het opzettelijk brand
stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor
goederen of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te
duchten is (als omschreven in artikel 157 Wetboek Pro van Strafrecht),
opzettelijk
voorwerpen en/of stoffen,
te weten
meerdere flesjes met daarin een brandbare/ontvlambare (vloei)stof en/of
spuitbussen waarop/waaraan (een) staalwolschuursponsje(s) en/of glaswol en/of
meerdere stuks zwaar knalvuurwerk (type cobra 6) waren
bevestigd/getapet/geplakt,
bestemd tot het begaan van dat misdrijf,
heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of
voorhanden heeft gehad;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 27 december 2024 tot en met 30 december 2024
te Maassluis een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te
weten meerdere flesjes met daarin een brandbare/ontvlambare (vloei)stof en/of
spuitbussen waarop/waaraan (een) staalwolschuursponsje(s) en/of glaswol en/of
meerdere stuks zwaar knalvuurwerk (type cobra 6) waren
bevestigd/getapet/geplakt,
zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door
vuur of door middel van ontploffing
voorhanden heeft gehad;
3
hij in of omstreeks de periode van 27 december 2024 tot en met 30 december 2024
te Maassluis,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
opzettelijk professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, te weten
meerdere stuks knalvuurwerk van het type Super Cobra 6 voorhanden heeft gehad;