Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6957

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
C/10/719159 / JE RK 26-852
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in pleegzorgvoorziening

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond verzocht op 30 april 2026 om een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2014, in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van een jaar. De minderjarige verblijft reeds enige tijd bij haar tante aan vaderszijde, wat ook haar uitdrukkelijke wens is. De moeder, die samen met de vader het ouderlijk gezag heeft, stemde tijdens de zitting in met het verzoek, hoewel zij aanvankelijk verweer voerde. De moeder ervaart boosheid over de situatie maar ziet de plaatsing als tijdelijk, met hoop op herstel van de band en terugplaatsing.

De kinderrechter stelde vast dat de moeder momenteel onvoldoende in staat is om voor de minderjarige te zorgen en eerst aan haar eigen problematiek moet werken. De plaatsing bij de tante biedt de minderjarige de benodigde rust en stabiliteit. De machtiging wordt verleend tot 4 februari 2027, gelijklopend met de duur van de ondertoezichtstelling. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt, ook bij hoger beroep.

De zitting vond plaats op 8 juni 2026 met gesloten deuren, waarbij de moeder en vader niet aanwezig waren maar wel correct waren opgeroepen. De kinderrechter heeft de minderjarige gehoord voorafgaand aan de zitting. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag binnen drie maanden na uitspraak of betekening.

Uitkomst: Machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige bij tante verleend tot 4 februari 2027, uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/719159 / JE RK 26-852
Datum uitspraak: 8 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. D. Abotay, kantoorhoudende in Schiedam,
[vader],
hierna te noemen: de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 30 april 2026, door de rechtbank ontvangen op 1 mei 2026;
  • het verweerschrift van de moeder van 5 juni 2026, door de rechtbank ontvangen op diezelfde datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • namens de moeder, haar advocaat;
  • een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger] .
1.3.
De moeder en de vader zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat deze partijen wel juist zijn opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft
hierover voorafgaand aan de zitting een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft bij de tante vaderszijde (vz).
2.3. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 4 februari 2026 [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 4 februari 2027.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft ter zitting het verzoek. [minderjarige] verblijft al een tijdje bij de tante vz. Deze plaatsing is ook de uitdrukkelijke wens van [minderjarige] zelf. Zij lijdt onder de huidige situatie. Het is van belang dat de moeder eerst de hulp en behandeling krijgt die zij nodig heeft om te stabiliseren. Daarna kan worden gekeken naar het opbouwen van contact en een omgangsregeling tussen [minderjarige] en de moeder. De GI merkt op dat een langdurige periode zonder contact het opstarten van omgang in de toekomst moeilijker kan maken.
4.2.
Namens de moeder wordt ter zitting ingestemd met het verzoek van de GI. Namens de moeder is aanvankelijk verweer gevoerd tegen het verzoek. De moeder heeft echter nadien aangegeven zich neer te leggen bij de wens van [minderjarige] om bij de tante vz te verblijven. De moeder ervaart veel boosheid over de ontstane situatie en de gebeurtenissen die daaraan ten grondslag liggen. Zij ziet de plaatsing bij de tante vz als een tijdelijke situatie, waarin zowel zijzelf als [minderjarige] tot rust kunnen komen. De moeder hoopt dat in de toekomst kan worden gewerkt aan herstel van de band en een terugplaatsing van [minderjarige] .

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2. Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [minderjarige] al een poosje bij de tante vz verblijft. [minderjarige] voelt zich daar op haar plek. De kinderrechter vindt het daarom noodzakelijk dat de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend in het belang van [minderjarige] . Daarbij betrekt de kinderrechter dat de moeder op dit moment nog onvoldoende in staat is de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen en dat zij eerst aan haar eigen problematiek moet werken. [minderjarige] heeft bovendien ook zelf aangegeven de komende periode bij de tante vz te willen blijven. De plaatsing bij de tante vz biedt haar momenteel de benodigde rust en stabiliteit die zij nodig heeft.
5.3. Gelet op de duur van de ondertoezichtstelling zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg worden verleend tot 4 februari 2027. Het overig verzochte zal de kinderrechter afwijzen.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 8 juni 2026 tot 4 februari 2027;
6.2.
wijst af het meer of anders verzochte;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026 door mr. C.N. Melkert, kinderrechter, in aanwezigheid van A.L.I. Janssens als griffier, en op schrift gesteld op 15 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.