ECLI:NL:RBROT:2026:6946

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
11728957 CV EXPL 25-2276
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:750 BWArt. 7:752 lid 2 BWArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens niet tijdig waarschuwen voor hogere reparatiekosten auto

Gedaagde gaf zijn auto ter reparatie bij eiseres met een richtprijs van circa €4.000,-. Na uitvoering stuurde eiseres een factuur van €9.269,23, waartegen gedaagde direct protesteerde maar wel €4.769,33 betaalde. Gedaagde betwistte dat hij akkoord was met de hogere kosten en verwees naar het ontbreken van tijdige waarschuwing.

De kantonrechter kwalificeerde de overeenkomst als aanneming van werk en stelde vast dat volgens artikel 7:752 lid 2 BW Pro een richtprijs met maximaal 10% mag worden overschreden tenzij tijdig gewaarschuwd. Eiseres kon niet aantonen dat zij gedaagde tijdig had geïnformeerd over de kostenoverschrijding.

Daarom stelde de kantonrechter de redelijke prijs vast op het reeds betaalde bedrag van €4.769,33, dat binnen de marge van de richtprijs plus 10% valt. De resterende vordering, incassokosten en rente werden afgewezen. Proceskosten werden aan eiseres opgelegd omdat zij in het ongelijk werd gesteld.

Uitkomst: De vordering van eiseres wordt afgewezen omdat zij niet tijdig waarschuwde voor de hogere kosten en de redelijke prijs wordt vastgesteld op het reeds betaalde bedrag.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Dordrecht
zaaknummer: 11728957 CV EXPL 25-2276
datum uitspraak: 18 juni 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
eiseres,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[gedaagde] , (mede) handelend onder de naam [handelsnaam],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
Partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 26 mei 2025, met bijlagen;
  • het antwoord, met bijlagen;
  • het proces-verbaal van de zitting op 21 mei 2026.
1.2.
Op 21 mei 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig [persoon A] namens [eiseres] met mr. D.A.M. Polderman en mr. J.A. Wesdijk namens de gemachtigde. [gedaagde] is, hoewel hij daarvoor op de juiste wijze is opgeroepen, zonder bericht, niet verschenen.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] heeft zijn auto ter reparatie aangeboden bij [eiseres] in verband met motorstoringen. Tussen partijen is gesproken over een geschatte reparatiesom van ongeveer € 4.000,00 voor een revisie/reparatie van de huidige motor. [eiseres] heeft vervolgens een motorreparatie uitgevoerd en hiervoor een factuur gestuurd voor een totaalbedrag van € 9.269,23. [gedaagde] was het niet eens met de hoogte van deze factuur en heeft hier direct tegen geprotesteerd. Hij begon echter wel alvast met termijnbetalingen omdat hij vond dat hij in ieder geval een deel van de factuur verschuldigd was. Voorts is tussen partijen gesproken over een onjuiste diagnose met betrekking tot de LPG-installatie waarvoor [eiseres] [gedaagde] financieel heeft gecompenseerd. [gedaagde] heeft in de loop van de tijd in totaal € 4.769,33 aan [eiseres] betaald. [eiseres] eist nu dat hij het restant van € 4.499,90 betaalt, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten van € 755,00 en rente die tot 25 mei 2025 € 322,45 bedraagt.
2.2.
[gedaagde] is het niet eens met de vordering. Volgens hem hebben partijen een prijs van ongeveer € 4.000,00 afgesproken. [eiseres] heeft de uiteindelijke factuur zonder enig tussentijds overleg of waarschuwing laten oplopen tot € 9.269,23. Bovendien waren de klachten na de motorreparatie toen nog niet verholpen.
2.3.
De kantonrechter wijst de vordering af. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.
De prijs
2.4.
De overeenkomst die partijen met elkaar hebben gesloten, kwalificeert als aanneming van werk (artikel 7:750 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)). Vaststaat dat tussen partijen een richtprijs is besproken van ongeveer € 4.000,00. Op grond van artikel 7:752 lid 2 BW Pro geldt dat indien een richtprijs is afgegeven, deze met niet meer dan 10% mag worden overschreden, tenzij de aannemer ( [eiseres] ) de opdrachtgever ( [gedaagde] ) tijdig heeft gewaarschuwd voor een waarschijnlijke overschrijding om zo de opdrachtgever de gelegenheid te geven de opdracht alsnog te beperken of te vereenvoudigen. [eiseres] heeft gesteld dat de meerkosten gaandeweg mondeling zijn besproken. [gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat dit het geval was. Het is dan aan [eiseres] om te onderbouwen dat de meerkosten zijn besproken en dat zij [gedaagde] hiervoor tijdig heeft gewaarschuwd maar dat heeft zij onvoldoende gedaan. Niet is gebleken dat [gedaagde] expliciet en tijdig is gewaarschuwd dat de kosten zouden oplopen tot € 9.269,23 en dat hij hiermee akkoord is gegaan. De kantonrechter zal daarom een redelijke prijs voor de verrichte werkzaamheden moeten vaststellen. Gelet op de aard van de werkzaamheden en de omstandigheid dat [gedaagde] uit eigen beweging inmiddels een totaalbedrag van € 4.769,33 heeft betaald, acht de kantonrechter het redelijk en billijk om de uiteindelijke som op exact dit reeds betaalde bedrag vast te stellen. Dit bedrag valt binnen de redelijke marge van de afgegeven richtprijs van “ongeveer € 4.000,00” plus 10%. Omdat [gedaagde] voornoemd bedrag inmiddels al volledig heeft betaald, is hij het restant van € 4.499,90 niet meer verschuldigd. De stelling van [eiseres] dat [gedaagde] de vordering zou hebben erkend door te betalen, wordt gepasseerd omdat uit de overgelegde stukken blijkt dat [gedaagde] direct en consistent heeft geprotesteerd tegen de hoogte van de factuur. De resterende hoofdsom van € 4.499,90 wordt dus afgewezen. Daarmee worden ook de gevorderde incassokosten en rente afgewezen.
Proceskosten
2.5.
De proceskosten komen voor rekening van [eiseres] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van [gedaagde] op nul, omdat hij zonder bijstand van een gemachtigde heeft geprocedeerd en niet is gebleken dat hij kosten heeft gemaakt voor deze procedure die voor vergoeding in aanmerking komen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de vordering af;
3.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] tot nu toe worden begroot op nul.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. C. van Steenderen-Koornneef en in het openbaar uitgesproken.
53954