Partijen, voormalige partners met gezamenlijk gezag over hun minderjarige zoon met autisme en ADHD, zijn in geschil over de nakoming van de omgangsregeling sinds februari 2026. De vrouw staakt het contact vanwege zorgen over de thuissituatie van de man en mogelijke onveiligheid voor het kind. De man vordert nakoming van de zorgregeling en een dwangsom bij niet-nakoming.
De rechtbank constateert dat het kind een consistente en voorspelbare omgeving nodig heeft, mede vanwege zijn autisme en hechtingsproblemen. Er is sprake van een langdurige relatie tussen partijen met spanningen en verschillende visies op opvoeding. De raad voor de kinderbescherming adviseert een onderzoek naar de beste zorgregeling en benadrukt het belang van contact met de vader op een zo min mogelijk belastende wijze.
De voorzieningenrechter wijst de vordering tot volledige nakoming af, maar wijst ook opschorting van contact af. Er wordt een voorlopige regeling getroffen waarbij het contact wekelijks op zaterdag plaatsvindt, bij voorkeur rondom de voetbalactiviteiten van het kind, op een neutrale locatie. Tevens wordt de raad verzocht een onderzoek te doen en hierover te rapporteren in de bodemprocedure. De kosten worden tussen partijen gecompenseerd en de dwangsom wordt afgewezen.