Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6938

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
C/10/715852 / KG ZA 26-214
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige omgangsregeling en raadsonderzoek in zorggeschil over minderjarige met autisme

Partijen, voormalige partners met gezamenlijk gezag over hun minderjarige zoon met autisme en ADHD, zijn in geschil over de nakoming van de omgangsregeling sinds februari 2026. De vrouw staakt het contact vanwege zorgen over de thuissituatie van de man en mogelijke onveiligheid voor het kind. De man vordert nakoming van de zorgregeling en een dwangsom bij niet-nakoming.

De rechtbank constateert dat het kind een consistente en voorspelbare omgeving nodig heeft, mede vanwege zijn autisme en hechtingsproblemen. Er is sprake van een langdurige relatie tussen partijen met spanningen en verschillende visies op opvoeding. De raad voor de kinderbescherming adviseert een onderzoek naar de beste zorgregeling en benadrukt het belang van contact met de vader op een zo min mogelijk belastende wijze.

De voorzieningenrechter wijst de vordering tot volledige nakoming af, maar wijst ook opschorting van contact af. Er wordt een voorlopige regeling getroffen waarbij het contact wekelijks op zaterdag plaatsvindt, bij voorkeur rondom de voetbalactiviteiten van het kind, op een neutrale locatie. Tevens wordt de raad verzocht een onderzoek te doen en hierover te rapporteren in de bodemprocedure. De kosten worden tussen partijen gecompenseerd en de dwangsom wordt afgewezen.

Uitkomst: Voorlopige omgangsregeling met wekelijks contact op zaterdag op neutrale locatie en gelast raadsonderzoek naar beste zorgregeling.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Civiel recht
Zittingsplaats Rotterdam
Zaaknummer: C/10/715852 / KG ZA 26-214
Vonnis in kort geding van 29 april 2026
in de zaak van
[naam vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
gedaagde in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. V.K.S. Deetman,
tegen
[naam man],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eiser in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. Y. Sijberden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 april 2026 met producties;
- de producties van de vrouw ingekomen op 9 april 2026;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties, ingekomen op 13 april 2026;
- het bericht met producties van de vrouw ingekomen op 13 april 2026;
- het bericht van de vrouw van 14 april 2026 met een aanvullende productie.
1.2.
De zaak is behandeld op 15 april 2026.
Bij die gelegenheid zijn gehoord:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [persoon A 1] .
1.3.
Zoals afgesproken op de mondelinge behandeling hebben partijen ieder nog schriftelijk gereageerd bij brief van 17 april 2026.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad en hebben samengewoond, aan welke relatie inmiddels een einde is gekomen.
2.2.
Het minderjarige kind van partijen is:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] , hierna ook: [voornaam minderjarige] .
2.3.
Partijen oefenen het gezamenlijk gezag uit over [voornaam minderjarige] .
2.4.
[voornaam minderjarige] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw.
2.5.
Partijen zijn een ouderschapsplan overeengekomen, dat de man heeft ondertekend op 6 mei 2020 en de vrouw op 12 mei 2020. Nadien zijn deze afspraken op 9 september 2021 gewijzigd in verband met de verhuizing van de man naar Dordrecht. De regeling luidt vanaf dat moment als volgt:
Oneven week:
Ma : gehele dag bij vader
Di : vader brengt [voornaam minderjarige] naar school, vanaf 8:30 uur ligt de verantwoording bij moeder en is [voornaam minderjarige] bij moeder
Woe : gehele dag bij moeder
Do : gehele dag bij moeder
Vrij : gehele dag bij moeder
Za : gehele dag bij moeder
Zo : bij moeder, [voornaam minderjarige] gaat om 16:00 uur weer naar vader.
Even Week
Ma : gehele dag bij vader
Di : vader brengt [voornaam minderjarige] naar school, vanaf 8:30 uur ligt de verantwoording bij moeder en is [voornaam minderjarige] bij moeder
Wo : gehele dag bij moeder
Do : moeder brengt [voornaam minderjarige] naar school en vanaf 8:30 uur ligt verantwoording bij vader
Vrij : gehele dag bij vader
Za : gehele dag bij vader
Zo : gehele dag bij vader
2.6.
De vrouw heeft in een bodemprocedure een verzoek ingediend (kenmerk C/10/717995 FA RK 26-2914) onder meer tot opschorting/schorsing van de contactregeling tussen de man en [voornaam minderjarige] . In deze zaak is nog geen mondelinge behandeling gepland.

3.Het geschil in conventie en in reconventie

3.1.
De vrouw vordert dat de regeling tussen de man en [voornaam minderjarige] zoals overeengekomen tussen ouders bij ouderschapsplan en per e-mail van 9 september 2021 nader gewijzigd, wordt opgeschort, geschorst dan wel niet uitgevoerd, tot is beslist in de bodemzaak dan wel dat contact tussen de man en [voornaam minderjarige] plaatsvindt onder toezicht van een professional, dan wel doorverwijzing naar het Uniform Hulpaanbod, dan wel zodanige maatregel als de voorzieningenrechter juist acht.
3.2.
De man concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw. Hij vordert de vrouw te veroordelen tot nakoming van de zorgregeling zoals deze tussen partijen op 9 september 2021 is overeengekomen, dan wel een regeling die de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren, alsmede de vrouw te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag dat zij in gebreke blijft de zorgregeling na te komen, tot een maximum van € 10.000,-.
3.3.
Sinds 9 september 2021 wordt, gelet op de verhuizing van de man naar Dordrecht, uitvoering gegeven aan de navolgende zorgregeling: De ene week verblijft [voornaam minderjarige] van zondagmiddag 15/16.00 uur tot en met dinsdagochtend 8.30 uur bij de man, de man brengt [voornaam minderjarige] dan op dinsdagochtend naar school. De andere week haalt de man [voornaam minderjarige] op donderdagmiddag (rond 14.30 uur) uit school en verblijft [voornaam minderjarige] tot en met dinsdagochtend 8.30 uur bij de man. De man brengt [voornaam minderjarige] op dinsdagochtend naar school. De vrouw heeft de zorg in de oneven weekenden. De man heeft de zorg in de even weekenden.
3.4.
Sinds 6 februari 2026 wordt deze zorgregeling niet meer uitgevoerd. Aanleiding hiervoor is een escalatie in het gezin van de man met zijn (inmiddels ex-) partner mevrouw [persoon B] . De vrouw heeft de omgang gestaakt omdat zij de thuissituatie van de man onveilig acht voor [voornaam minderjarige] . De man betwist uitdrukkelijk dat er sprake is van onveiligheid.
3.5.
Het uitgangspunt is dat een overeenkomst over omgang moet worden
nagekomen. Hierop zijn twee uitzonderingen. De eerste uitzondering is wanneer nadien de omstandigheden zo zijn gewijzigd, dat volledige nakoming in strijd is met de belangen van de minderjarige. De tweede uitzondering is wanneer van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
3.6.
Vast staat dat de zorgregeling jaren is uitgevoerd tot begin dit jaar. De vrouw heeft de zorgregeling gestaakt naar aanleiding van escalatie in de thuissituatie bij de man en mevrouw [persoon B] en haar twee dochters. De vrouw is angstig dat het gedrag van de man escaleert en zich ook zal richten tot [voornaam minderjarige] . De vrouw acht het in het belang van [voornaam minderjarige] dat hij contact heeft met zijn vader maar dan op een andere wijze uitgevoerd. De man is het hiermee oneens. Partijen hebben in maart 2026 enkele herstel contactmomenten afgesproken, maar hebben een andere lezing over de inhoud en het verloop van deze afspraken. Gebleken is dat recent na een gesprek van partijen bij de beschermingstafel is besloten tot een onderzoek in verband met de zorgen over de situatie van [voornaam minderjarige] met zijn ouders. Mogelijk wordt dit een beschermingsonderzoek van de raad, maar hierover zijn partijen nog niet geïnformeerd.
3.7.
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling grote zorgen geuit zowel over de eigen problematiek van [voornaam minderjarige] , als over partijen die niet op één lijn zitting over de zorg en opvoeding van [voornaam minderjarige] en elkaar als ouders diskwalificeren. De raad adviseert om naast het onderzoek vanuit de beschermingstafel (mogelijk een beschermingsonderzoek) een raadsonderzoek te gelasten naar de vraag welke zorgregeling het meest in het belang van [voornaam minderjarige] is met rapportage in de bodemprocedure. De raad vindt het belangrijk dat [voornaam minderjarige] in afwachting van het raadsonderzoek het contact met de man niet wordt onthouden. Gezien de spanningen tussen partijen dient dit op een voor hem zo min mogelijk belastende manier plaats te vinden. De raad adviseert om voor het organiseren van de contactmomenten aan te sluiten bij de voetbalactiviteiten van [voornaam minderjarige] .
3.8.
Na afloop van de mondelinge behandeling hebben partijen geprobeerd om in onderling overleg tot een voorlopige zorgregeling te komen, rekening houdend met hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht. Zij hebben de voorzieningen-rechter op 17 april 2026 bericht dat dit overleg niet is geslaagd.
3.9.
De voorzieningenrechter constateert dat ouders lijnrecht tegenover elkaar staan en er samen niet uit komen wat betreft het geschil over de zorgregeling. Met de raad acht de voorzieningenrechter de situatie zo zorgelijk dat een raadsonderzoek nodig is. De aanleiding is het rugzakje dat [voornaam minderjarige] draagt, de eigen problematiek van de ouders en de omstandigheid dat zij samen niet in staat zijn op één lijn te komen wat betreft de zorg voor [voornaam minderjarige] terwijl dit voor hem noodzakelijk is. Uit het ingebrachte verslag van psychodiagnostisch onderzoek afgenomen in 2022 door Breintjebeer volgt onder andere dat bij [voornaam minderjarige] kenmerken van autisme (ASS) naar voren komen en dat hij moeite heeft om met zijn emoties om te gaan alsook het vermoeden van een hechtingsstoornis. [voornaam minderjarige] heeft een consistente, voorspelbare omgeving nodig. Om dit voor elkaar te krijgen, is het belangrijk dat er altijd op dezelfde manier op hetzelfde gedrag wordt gereageerd. Hierbij is het van belang dat dit op een emotieloze en niet-beoordelende manier gebeurt. Het is daarbij van ondergeschikt belang of deze manier van reageren bij ouders (en de rest van zijn omgeving) past, belangrijker is dat iedereen het op dezelfde manier doet. Daarnaast kan een duidelijk zichtbare dagplanning [voornaam minderjarige] helpen om te weten wat er wanneer gaat gebeuren. Verder gebruikt hij medicatie voor zijn ADHD. De vrouw is in haar jeugd erg gepest. De man voelt, zoals hij tijdens de mondelinge behandeling bij zichzelf onderkent, niet altijd goed aan wat andere mensen bedoelen en dat levert problemen op rondom werk en relaties. Daarbij hebben ouders een compleet verschillende aanpak wat betreft de zorg voor [voornaam minderjarige] en een andere visie over de hulpverlening. Of er sprake is van een situatie waarin intieme terreur aanwezig is zoals de vrouw heeft gesteld en de man heeft betwist, kan in kort geding niet worden vastgesteld. Wel staat vast dat partijen een relatief lange relatie hebben onderhouden en dat er geen sprake is geweest van fysiek geweld, hoewel dat het bestaan van intieme terreur niet uitsluit.
3.10.
Tot begin dit jaar is [voornaam minderjarige] jaren bij de man geweest conform de zorgregeling. De aanleiding om dit contact te staken ziet vooral op een uit de hand gelopen situatie binnen het gezin van de man met mevrouw [persoon B] en de angst van de vrouw dat dit gevolgen heeft voor het contact van haar en [voornaam minderjarige] met de man. De voorzieningenrechter acht deze aanname niet vanzelfsprekend. [voornaam minderjarige] heeft structureel, gedurende meerdere jaren, frequent contact onderhouden met de man. Ook uit recente informatie vanuit het wijkteam blijkt dat [voornaam minderjarige] zelf contact met zijn vader wenst en toenadering zoekt. [voornaam minderjarige] heeft benoemd het nu lastig te vinden, vanwege de manier waarop alles door de volwassenen geregeld is. De vrouw stelt aan de hervatting van de omgang allerlei voorwaarden en dat maakt het ingewikkeld voor de man en voor [voornaam minderjarige] . [voornaam minderjarige] voelt de spanningen aan en moet daardoor extra op zijn tenen lopen. [voornaam minderjarige] heeft er vooral belang bij dat het contact met zijn vader op regelmatige basis plaatsvindt en op een manier die ook voor zijn moeder zo veilig mogelijk overkomt. Tot onmiddellijke hervatting van de eerder uitgevoerde zorgregeling, zoals de man vordert, is [voornaam minderjarige] nu nog niet in staat te achten. Daarvoor is er in de afgelopen maanden te veel gebeurd
3.11.
De voorzieningenrechter acht onverkorte nakoming van de zorgregeling daarom niet in het belang van [voornaam minderjarige] en wijst die vordering van de man af. Ook opschorting van het contact zoals de vrouw vordert wijst de voorzieningenrechter af, omdat geen contact evenmin in het belang van [voornaam minderjarige] is. De angst van de vrouw, al dan niet terecht, wordt overgebracht op [voornaam minderjarige] . Hij zal weer moeten leren ervaren dat het leuk kan zijn met zijn vader, zoals hij in het verleden ook heeft meegemaakt. Om dit mogelijk te maken heeft hij de inzet van zijn beide ouders nodig. Het is heel belangrijk, zoals ook blijkt uit het aangehaalde Breintjebeer rapport, dat zij [voornaam minderjarige] op een positieve manier benaderen en dat ze problemen en zorgen die tussen hen spelen niet delen met [voornaam minderjarige] en hem niet uitvragen hoe het bij de andere ouder gaat. Zij moeten ervoor gaan zorgen dat [voornaam minderjarige] voelt dat zij het hem allebei gunnen dat hij contact met de andere ouder heeft.
3.12.
De voorzieningenrechter acht het meest in het belang van [voornaam minderjarige] als hij een voorlopig wekelijks contact met de man heeft in het weekend op de dag dat hij voetbalt, waarbij de man aanwezig zal zijn bij de wedstrijd zonder voorafgaand contact te maken met [voornaam minderjarige] op een andere manier dan een groet of zwaai en waarbij [voornaam minderjarige] na de wedstrijd tijd met de man zal doorbrengen om voor hem leuke dingen te doen waarbij de man [voornaam minderjarige] om 17.00 uur weer terugbrengt bij de vrouw thuis of op een neutrale door partijen af te spreken andere locatie.
Omdat de man niet langer bij mevrouw [persoon B] woont en zijn huidige woonomstandigheden onbekend zijn voor de vrouw en [voornaam minderjarige] , zal het contact voorlopig dus op een neutrale plek plaatsvinden, totdat anders is afgesproken in overleg.
Voor de periode dat de voetbalcompetitie stil ligt, er in het weekend geen wedstrijd is voorzien of een voorziene wedstrijd niet doorgaat haalt de man [voornaam minderjarige] op zaterdag om 10.00 uur op bij de vrouw dan wel op een tussen partijen af te spreken neutrale locatie en brengt de man [voornaam minderjarige] om 17.00 uur terug bij de vrouw dan wel de afgesproken andere locatie. In beginsel is de omgang dus steeds wekelijks op zaterdag tenzij partijen anders overeenkomen.
3.13.
De rechtbank acht het gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met het oog op de in de door de vrouw al gestarte bodemprocedure te nemen beslissingen noodzakelijk dat de raad voor de kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht nu al onderzoek doet ten aanzien van de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de rechtbank daarover tegen de datum van de mondelinge behandeling in de bodemprocedure (zaak-/rekestnummer: C/10/717995 FA RK 26-2914) van advies dient. De rechtbank zal dit aan de raad verzoeken.
Dwangsom
3.14.
De rechtbank zal de door de man verzochte dwangsom afwijzen. De rechtbank gaat er vanuit dat de vrouw de beslissing van de voorzieningenrechter zal respecteren en opvolgen.
Proceskosten
3.15.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie en in reconventie:
4.1.
bepaalt dat de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig als volgt zal zijn:
Op de weekenddagen dat [voornaam minderjarige] voetbalt zal de man aanwezig zijn bij de wedstrijd zonder voorafgaand contact te maken met [voornaam minderjarige] op een andere manier dan een groet of zwaai. Aansluitend zal [voornaam minderjarige] bij de man verblijven en om 17.00 uur door de man worden teruggebracht bij de vrouw of op een neutrale door partijen af te spreken andere locatie.
De omgang zal voorlopig op een neutrale plek plaatsvinden, totdat anders is afgesproken in overleg.
Voor de periode dat de voetbalcompetitie stil ligt, er in het weekend geen wedstrijd is voorzien of wanneer een wedstrijd niet doorgaat, haalt de man [voornaam minderjarige] op zaterdag om 10.00 uur op bij de vrouw dan wel op een tussen partijen af te spreken neutrale locatie en brengt de man [voornaam minderjarige] om 17.00 uur terug bij de vrouw dan wel op de afgesproken andere locatie. In beginsel is de omgang wekelijks en steeds op zaterdag tenzij partijen anders overeenkomen,
4.2.
stelt de stukken in handen van de raad voor de kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht met het verzoek om onderzoek of andere bemoeienis over de zorgregeling en het rapport daarover tegen de datum van een mondelinge behandeling waarop de zorgregeling in de bodemprocedure met zaak-/rekestnummer C/10/717995 FA RK 26-2914 wordt behandeld aan de rechtbank te doen toekomen,
4.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
4.4.
wijst af het meer of anders gevorderde,
4.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Driel en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.