Art. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 36 Brussel II-terArt. 28 lid 3 PaspoortwetArt. 34 lid 2 Paspoortwet
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vrouw gelast tot terugverhuizing met minderjarige naar Nederland en vaststelling zorg- en informatieregeling
Partijen zijn in 2021 een geregistreerd partnerschap aangegaan en hebben gezamenlijk gezag over hun minderjarige kind, die in Nederland woont en haar hoofdverblijf heeft bij de man. Na ontbinding van het partnerschap is in het ouderschapsplan bepaald dat het kind haar hoofdverblijf bij de man heeft.
De vrouw is zonder toestemming van de man in maart 2026 met de minderjarige naar Oekraïne vertrokken. De man vordert onder meer dat de vrouw wordt gelast binnen drie werkdagen met het kind terug te keren naar Nederland, dat een zorg- en informatieregeling wordt vastgesteld, en dat de vrouw wordt veroordeeld tot betaling van dwangsommen bij niet-naleving.
De vrouw verschijnt niet, waardoor verstek wordt verleend. De rechtbank oordeelt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en Nederlands recht van toepassing is. De vordering tot terugverhuizing wordt toegewezen met een dwangsom, terwijl het verbod op tussentijdse reizen wordt afgewezen. De zorg- en informatieregeling en informatieregeling worden eveneens toegewezen. De vrouw wordt veroordeeld in de proceskosten en de man krijgt vervangende toestemming voor het aanvragen van een paspoort voor de minderjarige. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De vrouw wordt gelast binnen drie werkdagen met de minderjarige terug te verhuizen naar Nederland en er wordt een zorg- en informatieregeling vastgesteld met dwangsommen bij niet-naleving.
Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
Team familie
Zaaknummer: C/10/716780 / KG ZA 26-272
Vonnis in kort geding van 26 mei 2026
in de zaak van
[naam man],
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. A.L. Weterings,
tegen
[naam vrouw],
wonende te [plaats] maar feitelijk zonder bekende woon- of verblijfplaats,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de vrouw.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met bijlagen;
het bericht met bijlagen van de man van 1 mei 2026.
1.2.
De zaak is behandeld op 12 mei 2026.
Bij die gelegenheid zijn gehoord:
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [persoon A] .
2.De feiten
2.1.
Partijen zijn op 27 september 2021 een geregistreerd partnerschap aangegaan.
2.2.
Het minderjarige kind van partijen is [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] .
2.3.
Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over de minderjarige.
2.4.
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 19 augustus 2025 is de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uitgesproken.
2.5.
In deze beschikking is bepaald dat het aangehechte convenant en ouderschapsplan deel uit maken van die beschikking. In dit ouderschapsplan is bepaald dat de minderjarige haar hoofdverblijf heeft bij de man.
2.6.
De man heeft de Nederlandse nationaliteit. De vrouw heeft de Oekraïense nationaliteit. De minderjarige heeft zowel de Nederlandse als de Oekraïense nationaliteit.
3.De vorderingen
3.1.
De man vordert:
1. voor zover mogelijk, de vrouw te gelasten om binnen drie werkdagen na datum
vonnis met de minderjarige terug te verhuizen naar Nederland. En haar te verbieden
om tussentijds naar een ander land af te reizen, behoudens een tussenstop om de
minderjarige terug te laten verhuizen naar Nederland;
2. te bepalen dat de minderjarige voorlopig en per direct dient te worden toevertrouwd aan de man, totdat in de bodemprocedure is beslist, althans aan hem dient te worden afgeven. Waarbij in het lichaam expliciet wordt opgenomen dat de man anders de sterke arm kan vragen om assistentie bij de uitvoering hiervan;
3. enkel voor zover de minderjarige niet aan de man zal worden toevertrouwd of wordt afgegeven, te bepalen dat de in het lichaam vermelde zorgregeling zal gaan gelden;
4. een voorlopige informatieregeling vast te stellen, zoals verzocht in het lichaam van de dagvaarding;
5. een certificaat af te geven, op grond van art. 36 BrusselPro II-ter, waaruit het
gezagsrecht blijkt, althans in de overwegingen op te nemen dat partijen gezamenlijk
met het ouderlijk gezag belast zijn en derhalve enkel tezamen over de werkelijke
verblijfplaats van het kind kunnen beslissen;
6. te bepalen dat de vrouw binnen drie dagen na datum terugkeer in Nederland het
identiteitsbewijs en of alle paspoorten van de minderjarige aan de man dient af te
geven, bij gebreke waarvan hij de paspoorten als vermist mag opgeven (voor zover
die toestemming is vereist);
7. te bepalen dat het de vrouw, vanaf het moment dat zij met de minderjarige in
Nederland aankomt, wordt verboden om de minderjarige buiten Nederland te (doen)
begeven, zonder voorafgaande instemming althans toestemming van de man of de
rechter;
8. voor zover nodig, aan de man (onbeperkte) toestemming wordt verleend, welke
toestemming die van de gezaghebbende ouder vervangt, dan wel noodzakelijke
aanwezigheid van de minderjarige in kwestie vervangt (in afwijking van art. 28 lidPro 3
Paspoortwet), om het (nood) paspoort aan te vragen dan wel te verstrekken van de minderjarige;
9. de beslissingen, voor zover die vatbaar zijn voor een last onder dwangsom, te
bekrachtigen met een dwangsom van € 1.000 per dag of gedeelte daarvan, voor elke
dag, of gedeelte daarvan dat de vrouw de in dezen te wijzen beslissingen niet of niet
geheel nakomt;
10. te bepalen dat de vrouw veroordeeld wordt tot voldoening van de proceskosten van de man zijnde € 3.025,-, alsmede het aan de rechtbank verschuldigde griffierecht van € 341,- en de verschotten van € 75,-, te vermeerderen met de kosten voor het betekenen van de dagvaarding en vonnis en overige nakosten.
4.De beoordeling
Verstek
4.1.
Bij de dagvaarding zijn de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht genomen zodat tegen de vrouw, die niet is verschenen, verstek zal worden verleend.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.2.
Als onweersproken staat vast dat de minderjarige haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Zij is geboren in Nederland en woont hier al haar hele leven. Haar hoofdverblijf is bij de man in Sommelsdijk waar zij ook naar school gaat. De Nederlandse rechter komt dan ook rechtsmacht toe.
4.3.
De Nederlandse rechter past op grond van artikel 15 vanPro het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 Nederlands recht op het verzoek toe.
Inhoudelijke beoordeling
4.4.
Als onweersproken staat vast dat de vrouw met de minderjarige zonder toestemming van de man op 5 maart 2026 is vertrokken naar Oekraïne. Het gevorderde onder 1 om de vrouw te gelasten terug te verhuizen met de minderjarige zal dan ook, als niet onrechtmatig of ongegrond, worden toegewezen, met dien verstande dat dit zal worden gelast binnen drie werkdagen na betekening van het vonnis. De gevorderde dwangsom zal eveneens worden toegewezen, met dien verstande dat hieraan een maximum wordt verbonden. Het verbod om tussentijds naar een ander land af te reizen, wordt afgewezen. Toewijzing van het gevorderde leidt er immers toe dat de vrouw met de minderjarige moet terugverhuizen naar Nederland. De voorzieningenrechter ziet daarom geen belang bij een verbod om tussentijds naar een ander land af te reizen. Bovendien hebben partijen gezamenlijk gezag over de minderjarige, zodat de vrouw al toestemming van de man nodig heeft om met de minderjarige naar het buitenland te reizen.
4.5.
Het gevorderde onder 2 wordt afgewezen. Op grond van het ouderschapsplan is de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat in Oekraïne door de vrouw een procedure is gevoerd die dat heeft veranderd, zoals de man tijdens de mondelinge behandeling heeft gesteld. De man heeft dan ook onvoldoende belang bij de gevorderde toevertrouwing van de minderjarige aan hem.
4.6.
De gevorderde zorgregeling (onder 3) en informatieregeling (onder 4) worden, als niet onrechtmatig of ongegrond, toegewezen. Dit geldt ook voor de gevorderde dwangsom, op de wijze zoals onder de beslissing opgenomen.
4.7.
De gevorderde afgifte van het certificaat op grond van artikel 36 BrusselPro II-ter (onder 5) wordt afgewezen omdat de voorzieningenrechter in dit vonnis geen beslissing neemt over het gezag. Wel heeft de voorzieningenrechter bij de vaststaande feiten opgenomen dat sprake is van gezamenlijk gezag.
4.8.
De gevorderde afgifte en opgeven als vermist van het paspoort (onder 6), heeft de man ingetrokken. Dit deel van de vordering wordt dan ook afgewezen.
4.9.
Het gevorderde uitreisverbod (onder 7) wordt afgewezen. Zoals hiervoor ook overwogen, hebben partijen gezamenlijk gezag waardoor de vrouw niet zonder toestemming van de man met de minderjarige naar het buitenland mag gaan.
4.10.
De gevorderde toestemming voor het aanvragen van een paspoort (onder 8) wordt toegewezen. Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat de man in het bezit is van het Nederlandse paspoort van de minderjarige. De man heeft onweersproken gesteld dat dit paspoort bijna verloopt waardoor een nieuw paspoort voor de minderjarige moet worden aangevraagd.
4.11.
Als bij gezamenlijke gezagsuitoefening één van de personen die het gezag uitoefenen, weigert een verklaring van toestemming af te geven kan deze toestemming op grond van artikel 34 lid 2 PaspoortwetPro worden vervangen door een verklaring van de rechtbank. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het in dit geval in het belang van de minderjarige dat die vervangende toestemming (onder 8) wordt gegeven.
4.12.
Daarnaast vordert de man onder 8 hem toestemming te verlenen om het paspoort van de minderjarige aan te vragen zonder de noodzakelijke aanwezigheid van de minderjarige. Artikel 28 lid 3 vanPro de Paspoortwet bepaalt dat de aanvrager persoonlijk voor de bovenbedoelde autoriteit dient te verschijnen, tenzij zulks om zwaarwegende redenen niet van hem kan worden gevergd, de aanvrager geen Nederlandse identiteitskaart aanvraagt en de betreffende autoriteit van oordeel is dat op andere wijze voldoende zekerheid kan worden verkregen over de identiteit, de nationaliteit en de verblijfstitel van de aanvrager. Anders dan bij artikel 34 vanPro de Paspoortwet biedt de Paspoortwet geen mogelijkheid de persoonlijke verschijning te vervangen door een beslissing van de rechter. Dit deel van de vordering wordt dan ook afgewezen.
4.13.
De vrouw wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten van de man worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
151,94
- griffierecht
€
341,00
- salaris advocaat (liquidatietarief)
€
760,00
- verschotten
€
75,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.516,94
5.De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
verleent verstek tegen de niet verschenen vrouw;
5.2.
gelast de vrouw om binnen drie werkdagen na betekening van dit vonnis met de minderjarige terug te verhuizen naar Nederland;
5.3.
veroordeelt de vrouw om aan de man een dwangsom te betalen van € 1.000,- voor per dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 5.2. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet met een maximum van € 20.000,-;
5.4.
bepaalt dat, zolang de minderjarige bij de vrouw verblijft, de regeling van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken zal zijn, vanaf het moment van betekening van dit vonnis, als volgt:
de man heeft minstens twee keer per dag videocontact met de minderjarige, al dan niet in aanwezigheid van de familie van de man, gedurende ten minste tien minuten per contactmoment op een vast moment op de dag;
de minderjarige belt de man op het bij de vrouw bekende nummer van de man;
de minderjarige is alleen in de ruimte op het moment dat zij contact met de man heeft;
de minderjarige wordt na de gesprekken niet uitgehoord over het contact;
de vrouw zal de minderjarige moeten stimuleren om contact te hebben;
de vrouw moet ervoor waken dat derden, zoals haar familie, kwaad spreekt over de man in het bijzijn van de minderjarige
in het geval de betreffende (video)belafspraak door onvoorziene omstandigheden niet door is gegaan, moet dat op een later moment van de dag opnieuw worden geprobeerd;
mocht de minderjarige, volgens de vrouw, of ieder ander persoon die al dan niet tijdelijk belast is met de zorg voor de minderjarige, niet kunnen of willen bellen, dan is het de verantwoordelijkheid van de vrouw om op het geplande contactmoment contact te leggen, doch zal het de man vrij staan om op zijn beurt alsnog contact te proberen te maken met de minderjarige;
5.5.
bepaalt dat de vrouw, zolang de minderjarige bij de vrouw verblijft, de man, vanaf het moment van betekening van dit vonnis, wekelijks door middel van een e-mail op de hoogte stelt van de ontwikkeling van de minderjarige, met niet alleen algemene informatie maar ook met specifieke informatie zoals medische afspraken, informatie van of over school, hobby’s en sporten en de man maandelijks vijf recente foto’s van de minderjarige in haar dagelijkse leven stuurt;
5.6.
veroordeelt de vrouw om aan de man een dwangsom te betalen van € 100,- per keer dat zij niet aan de in 5.4. en 5.5. uitgesproken hoofdveroordelingen voldoet met een maximum van € 20.000,-;
5.7.
verleent de man vervangende toestemming voor de aanvraag van een paspoort voor de minderjarige;
5.8.
bepaalt dat deze vervangende toestemming strekt tot vervanging van de vereiste toestemming van de vrouw;
5.9.
veroordeelt de vrouw in de proceskosten van € 1.516,94, te vermeerderen met de kosten van betekening van het vonnis;
5.10.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.11.
wijst af het meer of anders gevorderde
Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.L. van Dijkman en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.