Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..[persoon B] ,
1..[persoon B] ,
1.De procedure
- de dagvaarding van 28 augustus 2024, met bijlagen;
- het vonnis in het incident van 31 januari 2025;
- het antwoord, met bijlagen;
- de e-mail van de gemachtigde van [persoon B] van 29 april 2026, met bijlagen;
- de akte van [persoon A] , met bijlagen;
- de dagvaarding van 20 februari 2025, met bijlagen;
- het vonnis in het incident van 27 juni 2025;
- het antwoord;
- de spreekaantekeningen van [persoon D] ;
2.De beoordeling
- dat er een aftakking van de standleiding naar de wastafel in de badkamer was gemaakt, zonder dat de VvE daar ooit toestemming voor heeft gegeven;
- dat de schacht rond de standleiding op enig moment was afgebroken en hersteld, zonder overleg met en/of toestemming van de VvE. Dit zou niet volgens de eisen zijn gedaan;
- ook zou de elektrische bedrading van het bubbelbad niet in orde zijn en daarom gevaar voor elektrocutie opleveren.
ondervrijwaringszaakkomen voor rekening van de VvE. De vordering van [persoon D] wordt alleen afgewezen omdat de vordering in de hoofdzaak wordt afgewezen. [persoon D] had echter een goede reden om de VvE in deze procedure te betrekken en de VvE wordt als niet-verschenen partij toch beschouwd als de partij die in het ongelijk is gesteld. De kantonrechter begroot de kosten die de VvE aan [persoon D] moet betalen op € 147,42 aan dagvaardingskosten, € 90,- aan griffierecht, € 1.154,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten × € 577,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.535,42. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
vrijwaringszaakkomen voor rekening van [persoon B] , omdat zijn vordering wordt afgewezen (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [persoon B] aan [persoon D] moet betalen op € 1.154,- aan salaris voor de gemachtigde
hoofdzaakkomen voor rekening van [persoon A] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [persoon A] aan [persoon B] moet betalen op € 1.154,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten × € 577,-), € 1.298,- aan proceskostenveroordeling in de vrijwaringszaak en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 2.596,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De kosten in de vrijwaringszaak moet [persoon A] aan [persoon B] betalen omdat [persoon B] genoodzaakt was om [persoon D] in deze procedure te betrekken op grond van de stellingen van [persoon A] en [persoon B] in de vrijwaringszaak alleen in het ongelijk wordt gesteld omdat de vordering in de hoofdzaak wordt afgewezen.