ECLI:NL:RBROT:2026:692

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
25/3259
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet WIAArt. 5 Wet WIAArt. 6 lid 3 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling arbeidsongeschiktheidspercentage WIA-uitkering bij long covid

Eiseres, voormalig leerkracht, is ziekgemeld sinds mei 2022 vanwege long covid met post-exertionele malaise. Het UWV stelde haar arbeidsongeschiktheidspercentage vast op 41,37% en kende haar een loongerelateerde WGA-uitkering toe. Eiseres maakte bezwaar en stelde dat haar beperkingen ernstiger zijn dan vastgesteld, onder meer vanwege het pacing-principe en een stoornis in de energiehuishouding.

De rechtbank beoordeelde het verzekeringsgeneeskundig onderzoek als zorgvuldig en vond dat de bedrijfsarts bezwaar en beroep alle relevante medische gegevens, inclusief aanvullende brieven van artsen en familie, had meegewogen. De bedrijfsarts concludeerde dat de beperkingen passend waren vastgesteld en dat er geen grond was voor een urenbeperking.

De rechtbank oordeelde dat de geduide functies passend zijn en dat het inkomensverlies van 41,37% correct is vastgesteld. Het beroep van eiseres werd ongegrond verklaard, waarbij ook geen proceskostenvergoeding werd toegekend.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage van 41,37% wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/3259

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2026 in de zaak tussen

[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. C. Stals),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,het UWV
(gemachtigde: mr. S. Roodenburg).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[naam werkgever], openbaar primair en voortgezet onderwijs [naam gebied] , de ex-werkgever
(gemachtigde: [persoon A] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan eiseres toegekende uitkering op grond van de Wet Werk en arbeid naar inkomensvermogen (Wet WIA). Eiseres is het niet eens met het arbeidsongeschiktheidspercentage waarop deze uitkering is gebaseerd. Zij voert hiertoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht tot het bestreden besluit is gekomen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat dat het geval is. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 10 juli 2024 (het primaire besluit) heeft het UWV met ingang van 13 mei 2024 (de datum in geding) een loongerelateerde WGA [1] -uitkering aan eiseres toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 41,37%. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.1.
Met het besluit van 5 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.
2.2.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Eiseres heeft een aanvullend beroepschrift met bijlagen ingediend.
2.4.
Het UWV heeft een aanvullend verweerschrift ingediend. Daarbij is een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd waarin wordt gereageerd op het aanvullende beroepschrift en de daarbij overgelegde stukken.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 7 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, vergezeld door haar man en schoonzus, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV. Namens de derde-partij is niemand verschenen.
2.6.
De rechtbank heeft ter zitting met eiseres besproken dat de derde-partij slechts een afschrift van deze uitspraak wenst en geen behoefte heeft aan het ontvangen van andere dossierstukken. De rechtbank heeft eiseres daarom gevraagd of zij toestemming geeft voor kennisname door de derde-partij van medische gegevens van eiseres via deze uitspraak. Eiseres heeft deze toestemming vervolgens gegeven. De rechtbank zal de motivering van deze uitspraak daarom niet beperken waar het gaat om medische gegevens.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiseres, laatstelijk werkzaam als leerkracht voor gemiddeld 15,63 uur per week, heeft zich op 16 mei 2022 ziekgemeld voor dit werk wegens belemmerende gezondheidsklachten.
3.1.
Op 12 mei 2024 is het einde van de wachttijd bereikt. In het kader van de WIA-beoordeling per einde wachttijd heeft er een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgevonden.
3.2.
De verzekeringsarts heeft eiseres op 30 mei 2024 op het spreekuur gezien en op 17 juni 2024 een Functionele mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld, die geldig is vanaf 12 mei 2024. Hierin zijn beperkingen opgenomen ten aanzien van de rubrieken: 1. Persoonlijk functioneren, 2. Sociaal functioneren, 4. Dynamische handelingen en 5. Statische houdingen.
3.3.
De arbeidsdeskundige heeft in het rapport van 4 juli 2024 vervolgens geconcludeerd dat eiseres, met inachtneming van haar mogelijkheden en beperkingen, niet geschikt is voor de functie die zij het laatst verrichtte voordat zij ziek werd (de maatgevende arbeid), maar wel voor ander werk. Volgens de arbeidsdeskundige zijn er minimaal drie functies die eiseres, ondanks haar beperkingen, nog zou kunnen doen. Het loon dat eiseres met de middelste van de drie eerstgenoemde functies (de mediaanfunctie) kan verdienen, ligt 41,37% lager dan wat zij met haar eigen werk zou kunnen verdienen. Dat betekent dat zij voor 41,37% arbeidsongeschikt wordt geacht in de zin van de Wet WIA.
3.4.
Vervolgens heeft het UWV het primaire besluit genomen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
3.5.
In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de bedrijfsarts bezwaar en beroep, werkende onder supervisie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (hierna: de bedrijfsarts bezwaar en beroep), in het rapport van 30 januari 2025 geconcludeerd dat de primaire verzekeringsarts de belastbaarheid juist heeft vastgesteld, maar dat deze niet volledig is weergegeven in de FML van 17 juni 2024. De primaire verzekeringsarts noemt in zijn medisch onderzoeksverslag van 17 juni 2024 namelijk beperkingen ten aanzien van werkzaamheden met een verhoogd persoonlijk risico, beroepsmatig chauffeuren en nachtwerk, welke beperkingen niet zijn opgenomen in de FML van 17 juni 2024. De bedrijfsarts bezwaar en beroep heeft de FML daarom aangepast door deze beperkingen alsnog toe te voegen.
3.6.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft, met inachtneming van de beperkingen zoals opgenomen in de (aangepaste) FML van 30 januari 2025, geconcludeerd tot handhaving van de geduide functies. Daartoe is overwogen dat de belastbaarheid ten aanzien van de werkuren niet is gewijzigd en de aanvullende gestelde beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren de geschiktheid niet beïnvloeden. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt na heroverweging daarom ongewijzigd vastgesteld op 41,37%.
3.7.
Vervolgens heeft het UWV het bestreden besluit genomen.

Standpunt eiseres

4. In beroep voert eiseres – kort samengevat – aan dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet zorgvuldig is verricht en dat zij meer beperkt is dan eerder is aangenomen. Eiseres lijdt aan long covid met post-exertionele malaise en er is bij het opstellen van de FML onvoldoende rekening gehouden met de hieruit voortvloeiende klachten en beperkingen. Bij eiseres is namelijk sprake van een verschil tussen wat zij zonder problemen kan en wat zij kan maar waarna zij uitgeschakeld of uitgeput is. Eiseres leeft hierdoor volgens het ‘pacing-principe’. Bovendien is bij eiseres sprake van een stoornis in de energiehuishouding zodat ten onrechte geen urenbeperking aangenomen is. De geduide functies zijn dus ook niet passend te noemen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres brieven overgelegd van [persoon B] , huisarts, [persoon C] , longarts en [persoon D] , bedrijfsarts. Tevens heeft eiseres een brief van haar dochter overgelegd waaruit blijkt welke gevolgen de medische situatie van eiseres heeft voor (het dagelijks leven van) haar en haar gezin. Tot slot heeft eiseres een brief overgelegd van het UWV werkbedrijf van 24 juli 2024 waaruit blijkt dat dat zij voor zes maanden is vrijgesteld van re-integratieverplichtingen.

Toetsingskader

5. De wet- en regelgeving die van belang is voor deze zaak, staat in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank dient te beoordelen of het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres terecht heeft vastgesteld op 41,37%. Daartoe dient de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden te toetsen of het UWV de medische beperkingen correct heeft vastgesteld en of eiseres, rekening houdend met haar beperkingen, in staat is de geduide functies te verrichten.
Zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek
6.1.
Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op de bestudering van de dossiergegevens en een hoorzitting met afname van een gerichte medische anamnese en observaties door de bedrijfsarts bezwaar en beroep. Anders dan eiseres stelt, is het de rechtbank niet gebleken dat de bedrijfsarts bezwaar en beroep een onvolledig of onjuist beeld heeft gehad van de medische situatie van eiseres. De bedrijfsarts bezwaar en beroep heeft alle informatie die op dat moment voorhanden was, waaronder het door eiseres ingebrachte medisch advies van verzekeringsarts [persoon E] , meegewogen in zijn oordeel. De rechtbank is daarom van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.
De medische beoordeling
6.2.
Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de beleving van eiseres van haar klachten, stelt zij voorop dat het in de systematiek van de Wet WIA niet gaat om de medische klachten van eiseres als zodanig of om de beperkingen die zij ervaart, maar om objectief vastgestelde beperkingen bij het verrichten van (passende) arbeid. Daarbij is van belang dat het de specifieke deskundigheid van de bedrijfsarts bezwaar en beroep is om, werkend onder supervisie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, op grond van de beschikbare medische gegevens de beperkingen tot het verrichten van arbeid vast te stellen.
Heeft de bedrijfsarts bezwaar en beroep voldoende rekening gehouden met de klachten en beperkingen van eiseres?
6.3.
In zijn rapport van 30 januari 2025 heeft de bedrijfsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat sprake is van aanhoudende energetische belemmeringen na het doormaken van Covid-19, met zowel een cognitieve als lichamelijke uiting (post exertionele malaise). Wat betreft de stelling van eiseres dat er een verschil bestaat tussen enerzijds wat zij kan zonder problemen en anderzijds wat zij kan maar waarna zij uitgeschakeld of uitgeput is, overweegt de rechtbank dat de bedrijfsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat er al passende beperkingen zijn aangenomen binnen het persoonlijk en sociaal functioneren. Volgens de bedrijfsarts bezwaar en beroep bestaat geen grond om verdergaande beperkingen op dit vlak aan te nemen nu ernstige psychopathologie in engere zin (zoals bij een structureel gestoorde realititeitstoets) ontbreekt en er ook geen evidente afwijkingen bestaan ten aanzien van de hoog cognitieve functies (het denken, herinneren en concentreren). Ook zijn er al passende beperkingen aangenomen binnen de rubrieken dynamische handelingen en statische houdingen. Eiseres is aangewezen op licht-fysiek belastend, overwegend zittend werk, passend binnen de mogelijkheden, aldus de bedrijfsarts bezwaar en beroep. Het is bij de vastgestelde fysieke problematiek immers bekend dat gereguleerde belasting de gezondheid niet kan schaden, waardoor absolute beperkingen ten aanzien van bewegingen, houdingen en/of handelingen niet aan de orde zijn.
6.4.
De bedrijfsarts bezwaar en beroep is in zijn aanvullend rapport van 3 november 2025 ingegaan op de in beroep overgelegde stukken van eiseres, te weten de brief van de dochter van eiseres en de brieven van de huisarts, de longarts en de bedrijfsarts. Met betrekking tot de brief van de dochter van eiseres heeft de bedrijfsarts bezwaar en beroep overwogen dat het daarin gaat over ervaren veranderingen, terwijl geen dagverhaal wordt beschreven en ook geen duidelijke voorbeelden worden benoemd waaruit mogelijke energetische verschillen blijken. Over de brief van de huisarts is overwogen dat hierin staat dat er de afgelopen jaren enige verbetering is opgetreden. In de brief van de longarts staat dat eiseres een normale longfunctie heeft en met betrekking tot de brief van de bedrijfsarts is overwogen dat in deze brief een aselect overzicht wordt gegeven van algemene literatuur over long-covid, maar geen specifieke vertaalslag naar de klachten en belemmeringen die eiseres ervaart. Vervolgens heeft de bedrijfsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat deze informatie geen aanleiding geeft om het eerder door hem ingenomen standpunt te wijzigen. Gelet op de inhoud van de stukken en de omstandigheid dat deze van (lang) na de datum in geding zijn, kan de rechtbank deze conclusie volgen.
6.5.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de bedrijfsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd heeft toegelicht waarom geen aanleiding bestaat om verdergaande beperkingen aan te nemen. De rechtbank volgt eiseres ook niet in haar stelling dat dit anders zou moeten zijn omdat het UWV Werkbedrijf haar kort na de datum in geding heeft vrijgesteld van re-integratieverplichtingen. Het UWV heeft tijdens de zitting toegelicht dat het UWV Werkbedrijf hierbij een ander en vooral breder toetsingskader heeft dan het toetsingskader dat wordt gebruikt bij het bepalen van de mate van arbeidsongeschiktheid. Het UWV Werkbedrijf betrekt namelijk meer aspecten bij de beoordeling ten aanzien van re-integratie dan enkel de medische aspecten.
Had de bedrijfsarts bezwaar en beroep een urenbeperking vast moeten stellen?
6.6.
Ten aanzien van de urenbeperking heeft de bedrijfsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 30 januari 2025 overwogen dat deze volgens de Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid wordt aangenomen als (onder meer) sprake is van een stoornis in de energiehuishouding. Volgens de bedrijfsarts bezwaar en beroep is daar bij eiseres geen sprake van, omdat tijdens het primaire onderzoek (van vlak na de datum in geding) is gebleken dat de dagen van eiseres het biologisch ritme volgen zonder slaapmomenten over de dag.
6.7.
De bedrijfsarts bezwaar en beroep heeft deze conclusie in zijn aanvullend rapport van 3 november 2025 nader toegelicht door te overwegen dat de genoemde Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid een verzekeringsgeneeskundige standaard betreft, ontwikkeld om uniformiteit in de vaststelling te bevorderen en rechtsongelijkheid te voorkomen. Daarbij is het dagverhaal het instrument om een toegenomen noodzaak tot herstel in kaart te brengen en het dagverhaal van eiseres is tijdens het primaire onderzoek extensief uitgevraagd. Daarbij is geen structureel verhoogde slaapbehoefte vastgesteld, terwijl de dagen van eiseres het biologisch ritme volgen met voldoende dagvulling en activiteiten. Tot slot heeft de bedrijfsarts bezwaar en beroep hierbij betrokken dat de gestelde stoornis in de energiehuishouding niet te herleiden is tot hieraan ondersteunende bevindingen binnen de curatieve sector, omdat de longarts in zijn brief van 7 januari 2025 spreekt van een normale longfunctie en geen andere structurele uitkomsten bekend zijn.
6.8.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de bedrijfsarts bezwaar en beroep voldoende (begrijpelijk) heeft toegelicht waarom er geen urenbeperking is vastgesteld. Gelet op wat hiervoor is overwogen over het toetsingskader dat door het UWV Werkbedrijf wordt gehanteerd, maakt ook de omstandigheid dat eiseres kort na de datum in geding is vrijgesteld van re-integratieverplichtingen dit niet anders.
Zijn de geduide functies passend?
6.9.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres in staat moet worden geacht de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies te verrichten.
6.10.
Vergelijking van het inkomen dat eiseres in de voorgehouden functies zou kunnen verdienen met het inkomen dat zij in haar eigen werk zou hebben verdiend als zij niet arbeidsongeschikt was geworden, geeft een verlies aan verdienvermogen van 41,37%. Het UWV heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres dus terecht bepaald op dit percentage.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. de Vries, rechter, in aanwezigheid van A. van Duijn, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Op grond van artikel 4 van Pro de Wet WIA is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
Op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet WIA wordt onder de genoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
In het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten zijn regels gesteld betreffende de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.

Voetnoten

1.WGA staat voor werkhervatting gedeeltelijk arbeidsongeschikten.