Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6900

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
ROT 26/2879
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbArt. 18 ParticipatiewetArt. 4 Afstemmingsverordening Participatiewet gemeente Voorne aan ZeeArt. 9 Afstemmingsverordening Participatiewet gemeente Voorne aan ZeeArt. 16 Afstemmingsverordening Participatiewet gemeente Voorne aan Zee
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen verlaging bijstandsuitkering wegens vermeende niet-medewerking

De rechtbank Rotterdam behandelde op 23 april 2026 het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Voorne aan Zee om haar bijstandsuitkering met 100% te verlagen voor drie maanden wegens vermeende niet-medewerking aan arbeidsinschakeling.

Verzoekster was niet verschenen op afspraken voor een doelmatigheidsonderzoek en een spreekuur, maar het college had geen stukken overlegd waaruit blijkt dat zij daadwerkelijk was uitgenodigd en zonder geldige reden niet was verschenen. Het college had ook niet gereageerd op verzoeken van de rechtbank om stukken te overleggen en was niet verschenen op de zitting.

De voorzieningenrechter concludeerde dat het standpunt van het college onvoldoende was onderbouwd en dat het bezwaar van verzoekster een redelijke kans van slagen heeft. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, waardoor het besluit tot verlaging van de uitkering werd geschorst en de uitkering vanaf 2 april 2026 moest worden uitbetaald.

Daarnaast werd het door verzoekster betaalde griffierecht aan haar vergoed. De uitspraak bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding en er is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank schorst het besluit tot verlaging van de bijstandsuitkering en beveelt uitbetaling vanaf 2 april 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/2879

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 april 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van Voorne aan Zee, het college.

Inleiding

1.1.
Met het besluit van 13 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft het college de bijstandsuitkering van verzoekster op grond van de Participatiewet met ingang van
1 maart 2026 gedurende drie maanden met 100% verlaagd.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 20 april 2026 op zitting behandeld. Verzoekster is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Namens het college is, zonder enig bericht, niemand verschenen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
2.1.
Bij besluit van 29 oktober 2024 heeft het college een bijstandsuitkering aan verzoekster per 8 september 2024 toegekend. Reeds bij dat besluit heeft het college de bijstandsuitkering van verzoekster per 8 september 2024 voor de duur van één maand met 100% verlaagd. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat verzoekster per e-mail van
7 oktober 2024 heeft gemeld niet mee te willen werken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling via Stichting Sap. Vanwege de persoonlijke omstandigheden van verzoekster is de duur van de maatregel gematigd, aldus het college. Hiertegen heeft verzoekster geen rechtsmiddelen aangewend, zodat dit besluit in rechte vaststaat.
2.2.
Bij besluit van 21 april 2025 heeft het college de bijstandsuitkering van verzoekster per 1 mei 2025 voor de duur van twee maanden met 100% verlaagd. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat verzoekster (zonder bericht) geen gehoor heeft gegeven aan de oproep te verschijnen bij het gesprek met de klantmanager over arbeidsverplichtingen. Omdat sprake is van herhaling is de duur van de maatregel verdubbeld, aldus het college.
Bij besluit van 19 september 2025 heeft het college het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. Hiertegen heeft verzoekster geen verdere rechtsmiddelen aangewend, zodat dit besluit in rechte vaststaat.
2.3.
Bij bestreden besluit heeft het college de bijstandsuitkering per 1 maart 2026 voor de duur van drie maanden met 100% verlaagd. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat verzoekster opnieuw niet meewerkte aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Omdat er opnieuw sprake is van herhaling is de duur van de maatregel drie maanden, aldus het college.
2.4.
Verzoekster is het hier niet mee eens. Verzoekster beoogt met haar verzoek te bereiken dat zij een volledige bijstandsuitkering krijgt en de achterstallige uitkering alsnog aan haar wordt uitbetaald.
Wat vindt verzoekster?
3. Verzoekster heeft aan haar verzoek om een voorlopige voorziening – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. Het college heeft haar ten onrechte verweten dat zij de medische onderzoeken heeft geweigerd. Als gevolg van een traumatisch incident op zevenjarige leeftijd kampt verzoekster met PTSS en hersenletsel. Verzoekster schrok er dan ook van toen zij twee brieven ontving waarin stond dat het fysieke en psychologische onderzoek gedaan zou worden door twee onbekende mannen in haar eigen huis. Ook heeft de klantmanager haar onheus bejegend. Volgens verzoekster is het bestreden besluit in strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Is er een spoedeisend belang?
5. Volgens verzoekster heeft zij onvoldoende middelen om een maatregel van 100% gedurende drie maanden op te vangen. Ter onderbouwing heeft verzoekster een financieel overzicht, een sommatie van [bedrijf] en een nieuwe factuur (vanwege een mislukte automatische incasso) van zorgverzekeraar [zorgverzekeraar] overgelegd.
Hoewel verzoekster haar financiële situatie niet volledig heeft onderbouwd en inzichtelijk gemaakt is het goed voorstelbaar dat de financiële situatie van een bijstandsgerechtigde bij een dergelijke maatregel penibel is. De voorzieningenrechter ziet hierin een voldoende spoedeisend belang voor een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
Wat is het beoordelingskader?
6. De relevante wet- en regelgeving staat in de bijlage bij deze uitspraak.
Wat vindt de voorzieningenrechter inhoudelijk van deze zaak?
7. Voor de toewijzing van het verzoek geeft de voorzieningenrechter de volgende motivering.
7.1.
In artikel 8:83, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat het bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken toezendt aan de rechtbank binnen een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn.
7.2.
De griffier van de rechtbank heeft het college bij brief van 3 april 2026 verzocht de op de zaak betrekking hebbende stukken per ommegaande aan de voorzieningenrechter te doen toekomen.
Op 15 april 2026 heeft de griffier van de rechtbank het college per e-mail gerappelleerd.
De griffier heeft op vrijdag 17 april 2026 omstreeks 11:30 uur tevergeefs geprobeerd om de behandelend ambtenaar telefonisch te bereiken. De betreffende medewerker van de gemeente gaf aan dat er niemand aanwezig was om de griffier te woord te staan en deed eht verzoek om op maandag 20 april 2026 nog een keer te proberen.
7.3.
De voorzieningenrechter constateert dat het college niet heeft voldaan aan het verzoek van 3 april 2026. Ondanks meerdere verzoeken heeft het college geen op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd, geen uitstel verzocht en eenvoudigweg niet gereageerd.
7.4.
De door het college eerst op 20 april 2026 om 14:27 uur – dus 18 minuten voorafgaand aan de zitting – per e-mail ingezonden stukken zijn op een zodanig laat tijdstip ingeleverd, dat er sprake is van strijd met de goede procesorde. Bovendien zien deze stukken enkel op de besluiten van 29 oktober 2024 en 21 april 2025 en niet op het bestreden besluit. Ter zitting is door het college geen afdoende rechtvaardiging gegeven voor het niet inzenden van (alle) op de zaak betrekking hebbende stukken, namens het college is immers zonder bericht van verhindering niemand verschenen. Ook heeft het college in deze zaak geen verweerschrift overgelegd. Tot slot heeft de griffier tijdens de zitting nog geprobeerd telefonisch contact te zoeken met de in de e-mail van 20 april 2026 opgegeven contactpersoon en het daarbij vermelde 06-nummer, echter ook dat was tevergeefs.
7.5.
Nu het college niet aan de verplichting tot het overleggen van stukken heeft voldaan, kan de voorzieningenrechter hieruit de gevolgtrekkingen maken die haar geraden voorkomen.
In het bestreden besluit heeft het college volstaan met de opmerkingen dat verzoekster op
21 november 2025 en 5 december 2025 niet is verschenen op de afspraken voor een doelmatigheidsonderzoek en op 23 januari 2026 niet is verschenen op een spreekuur. Zonder onderliggende stukken kan echter niet worden vastgesteld of het college verzoekster daadwerkelijk voor deze afspraken heeft uitgenodigd en of verzoekster daadwerkelijk (zonder goede reden) niet is verschenen. Dat betekent dat het standpunt van het college dat verzoekster niet heeft voldaan aan haar verplichtingen in wezen niet van enige onderbouwing is voorzien. Reeds hierom kan op voorhand niet gezegd worden dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft.

Conclusie en gevolgen

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft een voorlopige voorziening, in die zin dat het bestreden besluit vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift (op 2 april 2026) is geschorst tot zes weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar. Het gevolg daarvan is dat de bijstandsuitkering vanaf 2 april 2026 aan verzoekster moet worden uitbetaald. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat het college dit zo spoedig mogelijk doet.
9. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt zij dat het college aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
10. Omdat verzoekster in persoon procedeert en zij geen beroep op een kostenvergoeding heeft gedaan en daarvan ook niet is gebleken, bestaat er voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorziening toe en schorst het bestreden besluit vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift tot zes weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar en
  • draagt het college op het door verzoekster betaalde griffierecht van € 54,- aan verzoekster te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Bes, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage: wettelijk kader

Participatiewet
Op grond van artikel 18, vierde lid, onder h, verlaagt het college in ieder geval de bijstand overeenkomstig het vijfde, zesde, zevende of achtste lid ter zake van het niet nakomen door de belanghebbende van de volgende verplichtingen: het gebruik maken van door het college aangeboden voorzieningen, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling en mee te werken aan onderzoek naar zijn of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.
Op grond van artikel 18, negende lid, ziet het college af van het opleggen van een maatregel, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
Op grond van artikel 18, tiende lid, stemt het college een op te leggen maatregel of een opgelegde maatregel af op de omstandigheden van de belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven, indien naar zijn oordeel, gelet op bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken.
Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Voorne aan Zee 2023
Op grond van artikel 4, eerste lid, ziet het college af van een verlaging als:
a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of
b. de gedraging langer dan zes maanden geleden heeft plaatsgevonden en de beschikking voor het opleggen van de maatregel niet binnen zes maanden na constatering is verstuurd.
Op grond van artikel 4, tweede lid, kan het college afzien van een verlaging als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.
Op grond van artikel 9, tweede lid, wordt de maatregel vastgesteld op 100 procent van de uitkering gedurende twee maanden bij de volgende gedraging:
a. het niet aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid;
b. het niet naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid in een andere dan de gemeente van inwoning, alvorens naar die andere gemeente te verhuizen;
c. niet bereid zijn om te reizen over een afstand met een totale reisduur van 3 uur per dag, indien dat noodzakelijk is voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid;
d. niet bereid zijn om te verhuizen, indien het college is gebleken dat er geen andere mogelijkheid is voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, en de belanghebbende een arbeidsovereenkomst met een duur van tenminste een jaar en een netto beloning die ten minste gelijk is aan de voor de belanghebbende geldende bijstandsnorm, kan aangaan;
e. geen gebruik maken van door het college aangeboden voorzieningen, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling en mee te werken aan onderzoek naar zijn of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.
Op grond van artikel 9, derde lid, wordt de duur van de verlaging verdubbeld met een maximum van drie maanden, als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in dit artikel, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging.
Op grond van artikel 9, zevende lid, kan, als gedurende minimaal twee maanden de uitkering met 100% is verlaagd, het college op verzoek van de belanghebbende ten aanzien van wie de maatregel is opgelegd, de verlaging herzien, zodra uit de houding en gedragingen van de belanghebbende ondubbelzinnig is gebleken dat hij de verplichtingen, bedoeld in artikel 18 vierde Pro lid van de Participatiewet, nakomt.
Op grond van artikel 16 kan Pro het college in bijzondere gevallen ten gunste van belanghebbende gemotiveerd afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing ervan leidt tot kennelijke onredelijkheid of onbillijkheid.