Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6894

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
ROT 26/949 (verzoek) en ROT 26/2231 (hoofdzaak)
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wegenverkeerswet 1994Art. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 15 Wegenverkeerswet 1994Art. 20 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen verplaatsing bushalte Roentgenstraat naar Oranjeboomstraat

Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft besloten een bushalte aan de Roentgenstraat te verplaatsen naar de Oranjeboomstraat. Eiseres, woonachtig nabij de nieuwe locatie, maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening. Na handhaving van het besluit door het college stelde eiseres beroep in bij de rechtbank.

De voorzieningenrechter oordeelt dat eiseres belanghebbende is bij het besluit vanwege haar woon- en verkeerssituatie. Het college heeft de belangen van verkeersveiligheid, doorstroming en toegankelijkheid afgewogen, waarbij het niet verplicht was een verkeersveiligheidsonderzoek uit te voeren. De nieuwe locatie biedt betere toegankelijkheid en minder verkeershinder, en het college heeft aannemelijk gemaakt dat de verkeersveiligheid niet verslechtert.

De voorzieningenrechter wijst erop dat het halteren op de rijbaan een remmende werking heeft, maar dat het wegvallen daarvan niet leidt tot onveiligheid, aangezien handhaving van snelheidsovertredingen de juiste aanpak is. Ook is de afstand tussen haltes en de verkeerssituatie adequaat beoordeeld. De vrees voor overlast en verslechtering van leefbaarheid is onvoldoende onderbouwd en weegt niet op tegen het belang van verkeersveiligheid.

Daarom verklaart de voorzieningenrechter het beroep ongegrond en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Het besluit blijft in stand en er worden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen het verkeersbesluit tot verplaatsing van de bushalte wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 26/949 (verzoek) en ROT 26/2231 (hoofdzaak)
uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 april 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,

en

Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college,

(gemachtigde: mr. A. Wintjes).

Inleiding

1.1.
Met het verkeersbesluit van 17 juni 2025 heeft het college bepaald dat een bushalte aan de noordzijde van de Roentgenstraat ter hoogte van de Oranjeboomstraat wordt verplaatst naar de Oranjeboomstraat ter hoogte van huisnummers [nummers] . Dit besluit is op
25 juni 2025 gepubliceerd.
1.2.
Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
Met het besluit van 17 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard, onder overneming van het advies van de Algemene bezwaarschriftencommissie.
1.4.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.5.
Op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het hangende bezwaar ingediende verzoek om een voorlopige voorziening gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.
1.6.
Het college heeft op 24 maart 2026 een verweerschrift ingediend.
1.7.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van het college. Ook is namens het college verschenen M.T. Balk, adviseur mobiliteit.
1.8.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, beslist zij ook op het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit. Artikel 8:86 van Pro de Awb maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Inleiding
2. Eiseres woont op de [adres] in [woonplaats] .
Onderzoek naar verkeersveiligheid bij bushalte
3. Het college heeft een melding ontvangen van een bewoner aan de Roentgenstraat, die overlast zou ervaren van reizigers bij de bushalte aan de noordzijde van de Roentgenstraat. Het college heeft naar aanleiding daarvan onderzocht of deze bushalte kan worden verplaatst. Uit dit onderzoek is gebleken dat bussen bij de bushalte aan de Roentgenstraat op de rijbaan halteren, deze bushalte dicht op de gevel van omringende woningen staat en niet meer toegankelijk is voor invaliden. Ook blijkt hieruit dat aan de Oranjeboomstraat – ter hoogte van de Roentgenstraat – een al in gebruik zijnde busbaan is en dat in de Oranjeboomstraat meer ruimte is om een toegankelijke halte in te richten waar ook meer ruimte voor wachtende reizigers beschikbaar is.
Waar gaat het in deze zaak om?
4. Op 17 juni 2025 heeft het college een verkeersbesluit genomen dat ertoe strekt om een bushalte aan de noordzijde van de Roentgenstraat ter hoogte van de Oranjeboomstraat op te heffen en een nieuwe bushalte in te stellen aan de Oranjeboomstraat ter hoogte van huisnummers [nummers] . Het college heeft dit besluit na het bezwaar van eiseres en enkele andere omwonenden met het bestreden besluit gehandhaafd. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Zij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat het college wordt verboden om verdere voorbereidende werkzaamheden ter plaatse van de beoogde bushalte te verrichten totdat op het beroep is beslist.
Wat vindt de voorzieningenrechter van deze zaak?
5. De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is eiseres belanghebbende bij het verkeersbesluit?
6. In het bestuursrecht kan niet iedereen zomaar bezwaar of beroep instellen tegen een besluit. Eiseres moet een belang hebben om op te komen tegen het verkeersbesluit. Volgens eiseres zijn de feitelijke gevolgen van dit besluit dat er meer overlast door reizigers kan ontstaan bij de beoogde bushalte aan de Oranjeboomstraat en dat de remmende werking die de bushalte aan de Roentgenstraat heeft op het verkeer verloren gaat. Eiseres woont pal naast de plek van de beoogde bushalte. Ook rijdt eiseres bij het verlaten van de parkeergarage met haar auto of fiets vlakbij de nu nog bestaande bushalte de Roentgenstraat op. De voorzieningenrechter vindt daarom dat eiseres belanghebbende is bij het verkeersbesluit.
Beoordelingskader
7. De relevante wet- en regelgeving staat in de bijlage bij deze uitspraak.
Waarom verklaart de voorzieningenrechter het beroep ongegrond?
8. Eiseres voert aan dat het college bij de voorbereiding van het bestreden besluit ten onrechte heeft nagelaten een verkeersveiligheidsonderzoek te laten uitvoeren, dat het college heeft miskend dat de bushalte aan de Roentgenstraat een remmende werking heeft op hardrijdend gemotoriseerd verkeer, dat de belangen van de omwonenden niet zijn geïnventariseerd en afgewogen, en dat het bestreden besluit, in het bijzonder voor wat betreft de gestelde verbetering van de verkeersveiligheid, niet deugdelijk is gemotiveerd.
9.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) (onder meer de uitspraak van 16 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1619), volgt dat het bestuursorgaan – nadat zij heeft vastgesteld welke verkeersbelangen in welke mate bij het besluit dienen te worden betrokken – de belangen tegen elkaar af dient te wegen. Het bestuursorgaan hoeft niet de absolute noodzaak van een verkeersbesluit aan te tonen. Voldoende is dat met het verkeersbesluit de eraan ten grondslag gelegde belangen, bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, worden gediend en dat inzichtelijk is gemaakt op welke wijze deze belangen tegen elkaar zijn afgewogen. Anders dan eiseres stelt is het college dus niet gehouden om een verkeersveiligheidsonderzoek te laten uitvoeren.
9.2.
In dit geval liggen de belangen van het verzekeren van de veiligheid op de weg, van het beschermen van weggebruikers en passagiers en het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer ten grondslag aan het bestreden besluit. Het college heeft deze belangen afgewogen, mede in het licht van de (aangedragen) alternatieven om de trottoirband bij de bushalte aan de Roentgenstraat te verhogen of de bushalte te verplaatsen naar de Nassaukade. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college tot de gemaakte afweging heeft kunnen komen. Daarbij heeft het college mede in aanmerking kunnen nemen dat bij de nieuwe locatie de verstoring van de doorstroming van het verkeer en het ontstaan van onverwachte hindernissen voor andere weggebruikers minder waarschijnlijk zal zijn, omdat er niet op de busbaan hoeft te worden gehalteerd. Het college heeft in het bestreden besluit en tijdens de zitting duidelijk en op navolgbare wijze toegelicht dat niet is gebleken dat de verkeerssituatie aan de Roentgenstraat door dit verkeersbesluit onveiliger wordt. Het door eiseres gestelde feitelijke gevolg van het halteren op de rijbaan, namelijk dat dit een remmende werking heeft op de rest van het verkeer, betekent niet dat bij het wegvallen daarvan de situatie aan de Roentgenstraat onveiliger wordt. Te hard rijden levert een verkeersovertreding op. Handhaving is de geëigende weg om dit probleem aan te pakken. Bovendien zijn er betere maatregelen denkbaar om de verkeersveiligheid aan de Roentgenstraat te verbeteren. Het college heeft tijdens de zitting toegelicht dat de herinrichting van de verkeerssituatie aan de Roentgenstraat in de toekomst op de planning staat. Het college heeft ook toegezegd om op korte termijn een afzonderlijk gesprek met eiseres in te plannen om het te hebben over de verkeerssituatie aldaar.
9.3.
De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat het college bij de belangenafweging in aanmerking heeft kunnen nemen dat het onwenselijk is als een haltepaar te ver uit elkaar ligt, omdat het de overstap- en reistijd onnodig verlengt, wat kan leiden tot verminderde toegankelijkheid en lagere ov-betrouwbaarheid. Het college heeft tijdens de zitting ook goed en navolgbaar uitgelegd dat een bushalte aan de Oranjeboomstraat binnen tien meter na de bocht, zoals voorgesteld door eiseres op zitting, geen juiste plek is. Na het nemen van een bocht moet er voldoende ruimte zijn voor de bus om weer in een rechtstand komen. Bij de door eiseres geopperde locatie is die ruimte er niet of in ieder geval onvoldoende. De oversteekplaats – vlak om de hoek – staat dan op een verdere afstand van de nieuwe bushalte, dit maakt echter niet dat het college tot een andere uitkomst had moeten komen. De personen die gebruik maken van het openbaar vervoer moeten namelijk in staat worden geacht om zelfstandig enkele honderden meters te kunnen overbruggen. Het feit dat het college (nog) geen maatregelen heeft getroffen bij de opvolgende bushaltes ter hoogte van de Nassauhaven en de Persoonsdam, ondanks dat op deze locaties bussen eveneens op de rijbaan stoppen, biedt geen aanwijzing voor de conclusie dat het nabijheidsargument niet consequent is toegepast. Verplaatsing van bushaltes is niet altijd realistisch of mogelijk en is afhankelijk van een combinatie van factoren. De al dan niet bestaande noodzaak om op andere locaties maatregelen te treffen zal dus op zijn eigen merites moeten worden beoordeeld. De voorzieningenrechter is met het college van oordeel dat geen doorslaggevende betekenis hoefde te worden toegekend aan de vrees van eiseres voor eventuele overlast in of bij de bushalte, omdat mensen zich daar zouden kunnen ophouden of dingen uit de prullenbakken zouden kunnen halen. Het is niet gebleken dat de leefbaarheid van de woning van eiseres (in ernstige mate) zou verslechteren als gevolg van de plaatsing van de bushalte aan de Oranjeboomstraat. Tussen de woning van eiseres en de beoogde bushalte zitten ook nog een stoep, fietspad en groenstrook. Daarnaast ligt de bushalte ook een stuk lager dan de woningen. Het college heeft het belang van verkeersveiligheid dan ook kunnen laten prevaleren. De voor eiseres nadelige gevolgen van het verkeersbesluit zijn niet onevenredig in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is dus ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Er is geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Bes, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2026.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Bijlage: wettelijk kader

Wegenverkeerswet 1994
Artikel 2 luidt Pro:
1. De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen strekken tot:
a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;
b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;
c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;
d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.
Artikel 15 luidt Pro:
1. De plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt
gewijzigd, geschiedt krachtens een verkeersbesluit.
Artikel 20 luidt Pro:
Een belanghebbende kan tegen een verkeersbesluit tot plaatsing of verwijdering van
verkeerstekens en onderborden of tot het treffen van maatregelen op of aan de weg ter
regeling van het verkeer beroep instellen bij de rechtbank.
Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer
Artikel 12 luidt Pro:
De plaatsing of verwijdering van de hierna genoemde verkeerstekens moet geschieden
krachtens een verkeersbesluit:
a. de volgende borden:
I de borden die zijn opgenomen in de hoofdstukken A tot en met G van bijlage 1, behorende bij het RVV 1990, uitgezonderd de borden C22 en E9, alsmede de borden E4, E12 en E13 tenzij onder deze verkeersborden een onderbord als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel d, wordt aangebracht, dan wel toepassing wordt gegeven aan artikel 8, derde lid;
II bord L3 van bijlage 1, behorende bij het RW 1990, voor zover het een bushalte betreft;
Artikel 21 luidt Pro:
De motivering van het verkeersbesluit vermeldt in ieder geval welke doelstelling of
doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van
de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen ten grondslag liggen aan
het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet
genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen
tegen elkaar zijn afgewogen.