Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6885

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
ROT 26/3003
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen sluiting woning wegens drugshandel

De burgemeester heeft de woning van verzoeker voor drie maanden gesloten vanwege de vondst van een grote hoeveelheid harddrugs en aanverwante attributen in de woning. Verzoeker, die als hoofdbewoner verantwoordelijk is, is eerder met de politie in aanraking geweest wegens drugs. Hij maakte bezwaar tegen de sluiting en vroeg om een voorlopige voorziening om in de woning te mogen blijven.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van een ernstig geval, gelet op de omvang van de aangetroffen drugs en attributen. De burgemeester mocht de woning sluiten om het woon- en leefklimaat te beschermen en de openbare orde te herstellen. Verzoeker kon een verwijt worden gemaakt en had beter moeten weten. Er is geen bijzondere binding met de woning of onoverkomelijke woonproblemen aangetoond.

Hoewel verzoeker in voorlopige hechtenis is en een stabiele woonbasis nodig heeft, weegt de rechter de belangen af en concludeert dat de sluiting evenwichtig is. De sluiting is een signaal tegen drugscriminaliteit en noodzakelijk geacht. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen, waardoor de burgemeester de sluiting mag effectueren.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning wegens drugshandel wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/3003
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 april 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker,

(gemachtigde: mr. K.C. van de Wijngaart),
en

de burgemeester van Rotterdam, de burgemeester,

(gemachtigde: mr. A. Wintjes).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting [stichting] (de verhuurder).

Inleiding

1.1.
Met het bestreden besluit van 2 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de burgemeester de woning van verzoeker gesloten voor de duur van drie maanden vanwege een overtreding van de Opiumwet. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 20 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. L. van der Schee als waarnemer van verzoekers gemachtigde en de gemachtigde van de burgemeester. Verder is namens de burgemeester verschenen [persoon A] , werkzaam bij Directie Veiligheid, Bestuurlijke handhaving. Verzoeker zelf is niet verschenen. Namens [verhuurder] is niemand verschenen.
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat is er gebeurd?
2.1.
Verzoeker woont op het adres [adres] in [woonplaats] (de woning) en staat op dit adres ingeschreven in de basisregistratie personen (brp).
Hij huurt deze woning van Stichting [verhuurder] .
2.2.
Uit de bestuurlijke rapportage van de politie van 5 februari 2026 blijkt het volgende. In een voertuig heeft de politie een tas met meerdere gesealde pakketten (met vermoedelijk Xtc-pillen) aangetroffen. De tenaamgestelde van het voertuig stond in de brp ingeschreven op het adres van de woning.
Naar aanleiding van deze vondst heeft de politie op 26 januari 2026 de woning met een door de rechter-commissaris afgegeven machtiging tot binnentreden betreden. Ten tijde van het binnentreden waren er geen personen in de woning aanwezig.
Na doorzoeking van de woning heeft de politie de volgende zaken aangetroffen:
  • een sporttas met daarin vier zakken met pillen (vermoedelijk XTC),
  • twee Albert Heijn bigshoppers met diverse zaken (met vermoedelijk ketamine),
  • diverse zakjes met kristallen en poeders,
  • twee kleine plastic zakjes (met vermoedelijk drugs),
  • een zakje met diverse witte brokken,
  • een klein gripzakje (met vermoedelijk LSD-zegels),
  • twee Shells (professioneel vuurwerk),
  • een tas met een vacumeermachine en diverse zakken ten behoeve van het verpakken van drugs,
  • een doosje van Rolex met daarin een Rolex horloge en
  • een contant geldbedrag van in totaal € 3.700,- in coupures van 100,50 en 20.
De aangetroffen pillen, poeders, kristallen, brokken en stoffen zijn op 26 januari 2026 indicatief getest met de TRUNARC en gewogen. Uit het wegen en testen van de onderstaande goederen kwam het volgende brutogewicht en indicatieve uitslag:
- MDMA (in totaal 9200 gram),
- ketamine (in totaal 30.528 gram),
- polystyreen (325 gram),
- procaïne (in totaal 24 gram),
- cocaïne (in totaal 444 gram),
- lactose (in totaal 449 gram),
- cathinone (in totaal 29 gram),
- 2MMC (in totaal 7 gram),
- methamfetamine (in totaal 20 gram).
De woning aan de [adres] te [woonplaats] betreft een portiekwoning, gevestigd in de wijk [wijk] en is gelegen op de derde en vierde verdieping.
Volgens de brp staat de volgende persoon ingeschreven op dit adres: [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1989.
2.3.
Verzoeker is buiten de woning aangehouden. Uit de politiesystemen blijkt dat verzoeker bekend is met elf registraties, waaronder twee antecedenten vanwege overtreding van de Opiumwet. Er is geen relevante informatie gevonden aangaande de woning.
Verzoeker heeft zich ijdens het verhoor beroepen op zijn zwijgrecht.
2.4
Op 24 februari 2026 heeft de burgemeester zijn voornemen kenbaar gemaakt om de woning te sluiten en verzoeker en [verhuurder] in de gelegenheid gesteld een zienswijze kenbaar te maken. Daarvan heeft alleen verzoeker gebruik gemaakt.
Waar gaat het in deze zaak om?
3. De burgemeester heeft op grond van de bestuurlijke rapportage besloten om de woning te sluiten voor de duur van drie maanden.
Verzoeker is het daar niet mee eens. Hij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat hij voorlopig in de woning kan blijven wonen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Is er een spoedeisend belang?
5.1.
Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te kijken of er sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld.
5.2.
Verzoeker verblijft op dit moment in voorlopige hechtenis. Volgens de gemachtigde van verzoeker heeft de inhoudelijke behandeling van verzoekers strafzaak al plaatsgevonden en zal er op of omstreeks 22 april 2026 door de rechtbank uitspraak worden gedaan. Tijdens de zitting is er een verzoek om opheffing dan wel schorsing van de detentie ingediend.
De uitspraak van de rechtbank kan resulteren in de directe tenuitvoerlegging van de opgelegde straf of in een opheffing van de voorlopige hechtenis. Hoewel de uitkomst van de strafzaak nog niet bekend is, zal de voorzieningenrechter aan verzoeker het voordeel van de twijfel geven en een spoedeisend belang aannemen. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat bij eventuele invrijheidstelling verzoeker onderdak nodig heeft en dat, als er geen voorlopige voorziening wordt getroffen, verzoeker in dat geval gedurende drie maanden geen toegang tot zijn woning heeft.
Beoordelingskader
6. Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen harddrugs wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.
7. De burgemeester voert beleid om de handel in drugs in Rotterdam tegen te gaan.
Dit beleid staat in de Beleidslijn bestuurlijke handhaving artikel 13b Opiumwet Rotterdam 2022. In dit beleid staat in welke gevallen de burgemeester in beginsel overgaat tot sluiting van een woning.
Is de burgemeester bevoegd om de woning te sluiten?
8. Tussen partijen is niet in geschil dat de burgemeester bevoegd was om de woning van verzoekers te sluiten vanwege een overtreding van de Opiumwet.
Is er een noodzaak om de woning te sluiten?
9. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding dient vervolgens te worden beoordeeld in hoeverre sluiting van de woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde.
10. Verzoeker betwist de noodzaak van de sluiting. Er is geen sprake van een loop naar de woning noch van openbare orde-delicten gerelateerd aan de woning. In de vijf jaar dat verzoeker de woning huurt zijn er nooit overlastmeldingen geweest. Volgens verzoeker had de burgemeester moeten volstaan met een waarschuwing.
11. Gelet op de grote handelshoeveelheden aangetroffen harddrugs, de aangetroffen attributen (zoals een gripzakje, een vacumeermachine en diverse zakken ten behoeve van het verpakken van drugs) en de aard en grote hoeveelheid van de aangetroffen stoffen, waarvan het de politie ambtshalve bekend is dat deze bestemd zijn voor het bewerken en verwerken van drugs, heeft de burgemeester het aannemelijk mogen vinden dat deze drugs geheel of gedeeltelijk bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking.
De burgemeester mag dan aannemen dat de woning een rol speelt binnen de keten van drugshandel, wat op zichzelf al een belang oplevert bij sluiting, ook als geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd (zie de Afdelingsuitspraak van 11 november 2020, ECLI:RVS:2020:2709 en van 25 januari 2023, ECLI:RVS:2023:277). Verder is van belang dat geen sprake was van een geringe overschrijding van de voor eigen gebruik toegestane hoeveelheid drugs, waardoor een minder verstrekkende maatregel hier niet kon volstaan ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. Daarnaast heeft verzoeker twee eerdere antecedenten betreffende overtredingen van de Opiumwet. Tot slot bevindt de woning zich in een kwetsbare wijk. Een zichtbare sluiting van een woning is een signaal voor drugscriminelen en buurtbewoners dat de overheid optreedt tegen drugscriminaliteit.
Uit deze omstandigheden volgt dat de burgemeester het noodzakelijk mocht achten de woning te sluiten.
Is de sluiting evenwichtig?
12. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid zijn verschillende omstandigheden van belang, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, een bijzondere binding met het pand en de mogelijkheid om weer van het pand gebruik te kunnen maken. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk mocht vinden.
13. Verzoeker voert aan dat hij onevenredig hard wordt geraakt door de sluiting van zijn woning. Hij is voorbereidingen aan het treffen om zijn leven na detentie weer op te pakken. Hiervoor heeft hij een stabiele basis nodig en derhalve baat bij het weer terug kunnen keren naar zijn huis. Ook wil verzoeker de plannen om samen te gaan wonen met zijn partner doorzetten en bouwen aan een gezond gezinsleven. Een sluiting zal de positieve vooruitgang stagneren.
14. De voorzieningenrechter vindt de gevolgen van de sluiting van de woning voor de duur van drie maanden in dit geval niet onevenwichtig.
Inherent aan de sluiting van een woning is dat de bewoner de woning moet verlaten. Dat is op zich geen bijzondere omstandigheid. Er is sprake van een ernstig geval gelet op de aangetroffen handelshoeveelheid harddrugs, attributen en stoffen. Verzoeker kan een verwijt worden gemaakt van de ontstane situatie nu hij als hoofdbewoner verantwoordelijk is voor wat er in zijn woning gebeurt. Ook is hij al eerder in aanraking geweest met de politie in verband met drugs. Verzoeker had dus beter moeten weten.
Niet gebleken is dat verzoeker een bijzondere binding met de woning heeft, bijvoorbeeld wegens medische redenen. De enkele omstandigheid dat de woning verzoeker een stabiele slaapplek biedt is onvoldoende. Tot slot is niet gebleken dat verzoeker ter overbrugging geen vervangende woonruimte kan regelen of onvoldoende sociaal netwerk heeft om op terug te vallen. Niet is gebleken dat de partner en haar minderjarig kind als gevolg van het bestreden besluit op straat komt te staan. Nu is aangegeven dat verzoeker en zijn partner van plan zijn om te gaan samenwonen, volgt hieruit dat dat nog niet het geval is.
De partner van verzoeker woont op dit moment samen met haar minderjarig kind nog bij haar ex-partner. De stelling dat de situatie in de huidige woning van de partner onveilig is, is niet geconcretiseerd en onderbouwd.
15. Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft de burgemeester de belangen om de woning te sluiten zwaarder mogen wegen dan de belangen van verzoeker bij het voortgezet gebruik van de woning. De voorzieningenrechter verwacht dan ook dat het bestreden besluit in bezwaar in stand zal blijven.

Conclusie en gevolgen

16. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de burgemeester het bestreden besluit mag effectueren en tot feitelijke sluiting van de woning over mag gaan. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Bes, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.