In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 21 januari 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van afdreiging, het vervaardigen van seksueel beeldmateriaal en verkrachting/aanranding. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de feiten 1 (afdreiging) en 3 (verkrachting/aanranding), omdat de beschuldigingen niet bewezen konden worden. De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was dat de verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat de wil van de aangeefster ontbrak tijdens de seksuele handelingen die zij verrichtte tijdens een videobellen. De verdachte werd echter wel schuldig bevonden aan feit 2, het opzettelijk en wederrechtelijk vervaardigen van seksueel beeldmateriaal van de aangeefster. De rechtbank legde een taakstraf op van 40 uur, met aftrek van voorarrest, en oordeelde dat er geen meerwaarde was in het opleggen van een voorwaardelijke straf. De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, die geen eerdere veroordelingen had voor soortgelijke feiten. De uitspraak is gedaan in tegenwoordigheid van de griffier en is openbaar gemaakt op 21 januari 2026.