Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6863

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
ROT 26/2808
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 OpiumwetArt. 3 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen sluiting woning wegens handel in lachgas en overlast

Verzoeker woont in een woning die door de burgemeester voor drie maanden is gesloten vanwege overtredingen van de Opiumwet, met name handel in lachgas. Diverse bestuurlijke rapportages tonen aan dat er grote hoeveelheden lachgas in de woning zijn aangetroffen, die de grens voor eigen gebruik ruimschoots overschrijden, en dat er sprake is van ernstige overlast en vechtpartijen in en rondom de woning.

Verzoeker betwist de rapportages en de bevoegdheid van de burgemeester, maar de voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester terecht uitgaat van de juistheid van de rapportages en dat de handelshoeveelheid lachgas en de overlast een sluiting rechtvaardigen. De voorzieningenrechter vindt dat de sluiting noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat en het herstel van de openbare orde.

Hoewel verzoeker een kwetsbare positie heeft vanwege zijn verslaving en sociale omstandigheden, weegt de voorzieningenrechter de belangen af en concludeert dat de nadelige gevolgen van de sluiting niet onevenwichtig zijn. Verzoeker kan terugvallen op opvangmogelijkheden en het sociaal netwerk. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen, waardoor de burgemeester het besluit tot sluiting mag effectueren.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning wordt afgewezen, waardoor de burgemeester het besluit mag effectueren.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/2808

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 april 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker,

(gemachtigde: mr. W. Suttorp),
en

de burgemeester van Rotterdam, de burgemeester,

(gemachtigde: mr. A. Wintjes).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [stichting] .

Procesverloop

1.1.
Met het besluit van 26 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de burgemeester de woning van verzoeker gesloten voor de duur van drie maanden vanwege een overtreding van de Opiumwet. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Ook heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de burgemeester. Ook is namens de burgemeester verschenen [persoon A] , lid van de directie veiligheid van de gemeente Rotterdam. Verder is [persoon B] (de buurman van verzoeker) verschenen. Namens [stichting] is niemand verschenen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat is er gebeurd?
2.1.
Verzoeker woont op het adres [adres] in [woonplaats] . Hij huurt deze woning van [stichting] .
2.2.
Uit de bestuurlijke rapportage van 3 oktober 2025 blijkt – onder meer – het volgende. Op 12 september 2025 is de wijkagent samen met de Sociaal Beheerder van [stichting] op huisbezoek gegaan naar aanleiding van meerdere overlastmeldingen op het adres van de woning van verzoeker. Ter plaatse werd de deur opgedaan door verzoeker. Hij gaf toestemming om de woning te betreden. In de woning werden meerdere cilinders aangetroffen. Op een cilinder was condens zichtbaar, waarvan de wijkagent ambtshalve bekend is dat dit ontstaat wanneer men lachgas uit de cilinders laat lopen. Verzoeker is aangehouden ter zake van een overtreding van de Opiumwet. De in beslag genomen cilinders zijn onderzocht. Er was sprake van dertien cilinders met een totaal gewicht van 1.365 gram lachgas.
2.3.
Uit de bestuurlijke rapportage van 27 oktober 2025 blijkt – onder meer – het volgende. Op 17 oktober 2025 is de politie afgegaan op een melding van de meldkamer. Ter plaatse bleek dat verzoeker is bedreigd door een lachgasdealer. Verzoeker heeft aangifte van bedreiging gedaan. Hij zou de lachgasflessen niet hebben betaald en hierdoor een schuld hebben van € 150,-. De dealer zou hebben gedreigd een cobra voor de deur te leggen als verzoeker de schuld niet zou betalen. Daarnaast volgt uit deze rapportage dat de politie op 21 oktober 2025 is afgegaan op een melding over langdurige geluidsoverlast vanuit de woning van verzoeker. Er zou veel worden geschreeuwd. Ter plaatse werd de deur opgedaan door verzoeker. Hij had een gevulde ballon aan zijn mond en een gevulde ballon in zijn hand. In de woning werden in totaal zes volle cilinders aangetroffen. Verzoeker is opnieuw aangehouden ter zake van een overtreding van de Opiumwet.
2.4.
Uit de bestuurlijke rapportage van 29 november 2025 volgt dat op 28 oktober 2025 er een melding bij de 112 centrale is geweest van een persoon in de woning van verzoeker. Ter plaatse heeft de politie onderzoek in de straat ingesteld en werd er door de politie geschreeuw vanuit de woning gehoord. In de woningen waren twee mannen. Een van de mannen bleek verzoeker te zijn. Zij verklaarden ruzie te hebben gehad maar dat alles weer in orde was. Van verzoeker hoefde de andere man de woning niet te verlaten. Voordat de politie vertrok hebben zij de hele woning bekeken. In de woning zijn in totaal vijftien cilinders aangetroffen. Op vijf cilinders was ijsvorming zichtbaar. Uit deze rapportage blijkt verder dat de politie op 20 november 2025 is afgegaan op een melding over geschreeuw vanuit de woning van verzoeker. Ter plaatse heeft de politie inderdaad geschreeuw uit de woning waargenomen en gezien dat dezelfde man die op 28 oktober 2025 was aangetroffen in de woning naar buiten liep. Deze man wilde de politie niet binnenlaten en ook niets verklaren. Na nog een keer aankloppen werd de deur open gedaan door verzoeker. In de woning zijn meerdere cilinders – waarvan twee met ijsvorming – ballonnen en lege dozen lachgas aangetroffen. Verzoeker is wederom aangehouden voor overtreding van de Opiumwet. De in beslag genomen cilinders zijn onderzocht. Er was sprake van zes cilinders met een totaal gewicht van 3.970 gram lachgas.
2.5.
Uit de bestuurlijke rapportage van 16 januari 2026 blijkt – onder meer – het volgende. Op 1 januari 2026 is de politie afgegaan op een melding over vechtpartijen in en (na)bij de woning van verzoeker. Er zouden stokken en messen gebruikt worden en met stenen en flessen worden gegooid. In de woning zijn diverse bloedsporen, gebruikte cilinders, een kapotte ruit en een aardappelschilmesje met een beetje bloed aangetroffen. Er stonden meerdere personen in de woning, waaronder verzoeker. Alle personen waren zichtbaar onder invloed. Er is geen aanhouding verricht omdat onduidelijk was wie welke betrokkenheid had bij het incident. Op 13 januari 2026 heeft verzoeker ten overstaan van de wijkagenten verklaard dat de vechtpartij op 1 januari 2026 niet zijn schuld was geweest maar dat zijn lachgasdealers de vechtpartij hadden veroorzaakt.
2.6.
Op 15 oktober 2025 heeft de burgemeester zijn voornemen kenbaar gemaakt om de woning te sluiten en verzoeker en [stichting] in de gelegenheid gesteld een zienswijze kenbaar te maken. Daarvan heeft alleen [stichting] gebruikt gemaakt.
Waar gaat het in deze zaak om?
3. De burgemeester heeft op grond van de bestuurlijke rapportages besloten om de woning (met een begunstigingstermijn van zeven dagen) voor de duur van drie maanden te sluiten. Verzoeker is het daar niet mee eens. Hij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat hij voorlopig in de woning kan blijven wonen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Is er een spoedeisend belang?
5. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening wordt alleen getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter vindt dat het spoedeisend belang voldoende aannemelijk is. Als er geen voorlopige voorziening wordt getroffen, dan heeft verzoeker gedurende drie maanden geen toegang tot zijn woning.
Beoordelingskader
6. Op grond van artikel 13, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen drugs wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is, dan wel daartoe voorbereidende handelingen worden verricht.
7. De burgemeester voert beleid om de handel in drugs in Rotterdam tegen te gaan. Dit beleid staat in de Beleidslijn bestuurlijke handhaving artikel 13b Opiumwet Rotterdam 2022. In dit beleid staat in welke gevallen de burgemeester in beginsel overgaat tot sluiting van een woning.
Mocht de burgemeester uitgaan van de bestuurlijke rapportage?
8. Verzoeker betwist de juistheid van de inhoud van de bestuurlijke rapportages. De registraties van de meldingen en vaststellingen van overlast ontbreken en kunnen dan ook niet worden getoetst.
9. De bestuurlijke rapportages zijn naar waarheid opgemaakt op basis van op ambtsbelofte/ambtseed opgemaakte processen-verbaal, politiemutaties en openbare bronnen. Een bestuursorgaan mag, onverminderd zijn eigen verantwoordelijkheid om een besluit zorgvuldig voor te bereiden, in beginsel afgaan op de juistheid van zo’n rapportage. Als de in een rapportage vermelde bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2826).
De voorzieningenrechter is van oordeel dat in de rapportages de meldingen voldoende duidelijk zijn omschreven. Verder stelt de voorzieningenrechter vast uit pagina 2 van de rapportage van 29 november 2025 blijkt dat de politie ook zelf ter plaatse geschreeuw heeft gehoord en uit pagina 2 van de rapportage van 16 januari 2026 dat de politie zelf ter plaatse vechtpartijen heeft waargenomen. Deze waarnemingen van de politie heeft verzoeker niet betwist. De burgemeester mocht dus bij de beoordeling uitgaan van de in de bestuurlijke rapportage neergelegde bevindingen. Er is geen grond voor het oordeel dat verzoeker de mogelijkheid is ontnomen om zich te verweren omdat de registraties van de overlastmeldingen in het dossier ontbreken.
Is de burgemeester bevoegd om de woning te sluiten?
10. Verzoeker betwist de bevoegdheid van de burgemeester. Hij heeft de woning niet gebruikt in strijd met de Opiumwet. Het voorhanden hebben van met name lege lachgasflessen is onvoldoende voor de conclusie dat er daadwerkelijk vanuit de woning drugs werd verhandeld en daarom ter plaatse de openbare orde hersteld dient te worden. De aangetroffen drugs waren voor eigen gebruik bestemd. Er is geen rechtsregel dat bepaalt dat hoeveelheden aangetroffen lachgas in een bepaalde periode bij elkaar kunnen worden opgeteld.
11.1.
Vaste rechtspraak van de Afdeling is dat mag worden aangenomen dat drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking als de aangetroffen hoeveelheid groter is dan een hoeveelheid voor eigen gebruik. Bij harddrugs en softdrugs is sprake van een handelshoeveelheid als er meer dan 0,5 gram en 5 gram wordt aangetroffen. In de Richtlijn voor strafvordering Opiumwet, softdrugs (2023R003) van het Openbaar Ministerie wordt 1 lachgas ampul aangemerkt als een geringe hoeveelheid voor eigen gebruik en volgens de nota van toelichting bij het besluit tot plaatsing van lachgas op lijst II van de Opiumwet is bij particulieren het bezit van meer dan 10 ampullen lachgas van 8 gram, dus in totaal 80 gram, een (sterke) aanwijzing dat het lachgas niet bestemd is voor eigen gebruik en daarmee voor strafbaar handelen op basis van artikel 3 van Pro de Opiumwet.
11.2.
De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in de stelling dat het lachgas voor eigen gebruik was. Op 12 september 2025 en 28 oktober 2025 is er in totaal 1.365 gram en 3.970 gram lachgas in verzoekers woning aangetroffen. Op beide momenten is dus lachgas aangetroffen dat de aangehouden hoeveelheid voor eigen gebruik van 80 gram in zeer ruime mate overstijgt, zodat sprake is van een forse handelshoeveelheid. Het betoog van verzoeker dat er geen rechtsregel is die bepaalt dat hoeveelheden aangetroffen lachgas in een bepaalde periode bij elkaar kunnen worden opgeteld stuit daar reeds op af. De burgemeester heeft mogen aannemen dat die drugs ook bestemd waren voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Zij was daarom in beginsel bevoegd om de woning te sluiten.
Is er een noodzaak om de woning te sluiten?
12. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding dient vervolgens te worden beoordeeld in hoeverre sluiting van de woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde.
13. Verzoeker betwist de noodzaak van de sluiting. Er is geen sprake van drugshandel in de woning. Sluiting is dan ook niet nodig om de openbare orde en het woon- en leefklimaat te herstellen. De burgemeester had moeten volstaan met een minder verstrekkende maatregel.
14. Gelet op de grote hoeveelheden aangetroffen lachgas, het aantal lege lachgascilinders en de ballonnen, heeft de burgemeester het aannemelijk mogen vinden dat deze drugs geheel of gedeeltelijk bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking. Verder blijkt uit de vele meldingen, de gevechten in en rondom de woning en het meerdere keren instappen van de politie in de woning dat sprake is van een ernstige overlast gevende situatie. Gelet op het voorgaande is aannemelijk dat de woning een rol speelt binnen de keten van drugshandel. Dit levert op zich al een belang op bij sluiting. Daarnaast heeft de burgemeester mogen betrekken dat de woning is gelegen in de wijk Middelland ligt, een kwetsbare wijk met drugsoverlast en daaraan gerelateerde criminaliteit. Een zichtbare sluiting van de woning is een signaal voor drugscriminelen en buurtbewoners dat de overheid optreedt tegen drugscriminaliteit. De burgemeester heeft de sluiting voor de duur van drie maanden dan ook noodzakelijk mogen achten.
Is de sluiting van de woning evenwichtig?
15. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid zijn verschillende omstandigheden van belang, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, een bijzondere binding met het pand en de mogelijkheid om weer van het pand gebruik te kunnen maken. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk mocht vinden.
16. Verzoeker stelt dat hij door de woningsluiting zijn woning zal verliezen. Hij is een kwetsbaar persoon. Verzoeker heeft een verslavingsachtergrond, leeft van een uitkering en staat onder bewind. Het verlaten van de woning zou zijn stabiliteit ernstig in gevaar brengen en zal ertoe leiden dat hij zal afglijden.
17. De voorzieningenrechter vindt de gevolgen van de sluiting in dit geval niet onevenwichtig. Inherent aan de sluiting van een woning is dat de bewoner de woning moet verlaten. Dat is op zich geen bijzondere omstandigheid. De verhuurder is een procedure begonnen om de huurovereenkomst te ontbinden, waardoor verzoeker na de sluiting van drie maanden niet meer kan terugkeren naar de woning. Dit is echter niet het gevolg van de sluiting, maar omdat er in de woning drugs zijn aangetroffen. Gelet op de aangetroffen handelshoeveelheid drugs, de vele overlastmeldingen en grootschalige gevechten is sprake van een ernstige situatie, waarvan verzoeker een verwijt kan worden gemaakt, nu hij als hoofdbewoner verantwoordelijk is voor wat er in zijn woning gebeurt. Verzoeker is lachgas verslaafd en geeft andere personen toegang hadden tot zijn woning. [persoon B] heeft ter zitting verklaard dat hij er op toe zal zien dat verzoeker geen overlast meer zal veroorzaken, maar dat biedt voor de voorzieningenrechter onvoldoende garantie dat herhaling zal worden verkomen. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat (zoals door de gemachtigde van het college ter zitting is verklaard) ook na het bestreden besluit meerdere overlastmeldingen zijn binnengekomen, te weten: op 11 februari, 6 maart, 7 maart, 19 maart, 23 maart en 1 april 2026. [persoon B] heeft ter zitting verklaard dat hij degene was die op deze momenten de politie belde. Hij heeft namelijk steeds aanvaringen met de lachgasdealers omdat zij weigeren de woning te verlaten. Hieruit blijkt dat verzoeker de situatie in zijn woning niet onder controle heeft en dat de inzet van de politie nodig is ter voorkoming van (verdere) escalatie. Ook is niet gebleken dat verzoeker (om medische redenen) specifiek gebonden is aan de woning of dat de woning de (enige) plek is die verzoeker een bestendig woon- en leefklimaat kan bieden. Tot slot is niet gebleken dat verzoeker niet kan terugvallen op een sociaal netwerk en/of niet terecht kan in de crisisopvang of daklozenopvang. De voorzieningenrechter begrijpt dat dit geen ideale situatie is, gelet op de verslavingsachtergrond van verzoeker, maar dit betekent wel dat verzoeker niet zonder onderdak zal komen te zitten door de sluiting.
18. Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft de burgemeester de belangen bij de sluiting zwaarder mogen wegen dan de belangen van verzoeker bij het voortgezet gebruik van de woning. De voorzieningenrechter verwacht dan ook dat het bestreden besluit in bezwaar in stand zal blijven.

Conclusie en gevolgen

19. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de burgemeester het bestreden besluit mag effectueren en tot feitelijke sluiting van de woning over mag gaan. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Bes, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026 .
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.