Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6843

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
ROT 23/6747
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:20 AwbArt. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbArt. 2.1 Wet hersteloperatie toeslagen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding toegekend voor niet tijdig beslissen bezwaar toeslagen

Verzoekster stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar tegen een besluit van de Dienst Toeslagen over compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen. De Dienst Toeslagen verklaarde het bezwaar gegrond met een besluit van 21 november 2023, maar dit kwam niet geheel tegemoet aan het beroep. Verzoekster trok daarop het beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding.

De rechtbank oordeelde dat de Dienst Toeslagen niet aan verzoekster was tegemoetgekomen voor zover het beroep betrekking had op het besluit van 21 november 2023, omdat verzoekster niet had gespecificeerd welke informatie ontbrak en het ontvangen SAS-rapport in een andere procedure was verstrekt. Wel was sprake van tegemoetkomen voor het niet tijdig beslissen op het bezwaar, aangezien dit alsnog was gebeurd met het besluit van 21 november 2023.

De rechtbank veroordeelde de Dienst Toeslagen daarom tot vergoeding van de proceskosten van verzoekster, vastgesteld op €467,-, en wees erop dat verzoekster het betaalde griffierecht van €50,- bij de Dienst Toeslagen kan claimen. De uitspraak werd gedaan door rechter Ferwerda op 20 mei 2026.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Dienst Toeslagen tot betaling van proceskosten van €467,- wegens niet tijdig beslissen op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/6747

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),
en

Dienst Toeslagen

(gemachtigde: [naam] ).

Procesverloop

Verzoekster heeft op 9 oktober 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van verzoekster tegen het besluit van de Dienst Toeslagen van 4 maart 2022 over de compensatie op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen.
Met het besluit van 21 november 2023 heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van verzoekster gegrond verklaard. Het beroep van verzoekster had van rechtswege betrekking op dit besluit, omdat het niet geheel aan het bezwaar tegemoet kwam. [1]
Verzoekster heeft het beroep ingetrokken en verzocht de Dienst Toeslagen te veroordelen in de proceskosten.
De Dienst Toeslagen heeft op het verzoek gereageerd.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten. [2]

Overwegingen

1. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [3]
2. Verzoekster betoogt dat de Dienst Toeslagen in de proceskosten moet worden veroordeeld, omdat het instellen van het beroep noodzakelijk was om informatie te verkrijgen. Verzoekster heeft bij het instellen van het beroep om haar persoonlijk dossier verzocht. Inmiddels heeft verzoekster via een ander besluitvormingstraject, namelijk een aanvraag om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade, alsnog een zogenoemd SAS-rapport ontvangen, waaruit blijkt in welke jaren zij kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd. Op basis van deze informatie heeft verzoekster vastgesteld dat geen geschil meer bestaat over de toeslagjaren waarin compensatie is toegekend en het beroep ingetrokken.
3. De Dienst Toeslagen stelt zich op het standpunt dat verzoekster geen recht heeft op een proceskostenvergoeding, omdat geen sprake is van een geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen aan het beroep. De Dienst Toeslagen heeft het persoonlijk dossier niet aan verzoekster verstrekt in het kader van het door haar ingestelde beroep.
4. Naar het oordeel van de rechtbank is de Dienst Toeslagen niet aan verzoekster tegemoetgekomen voor zover het beroep betrekking heeft op het besluit van 21 november 2023. In haar beroep heeft verzoekster niet gespecificeerd welke informatie ontbrak. Uit het generiek geformuleerde beroepschrift en de aanvullende beroepschriften was bovendien niet af te leiden dat het geschil kennelijk was toegespitst op de vraag of de toegekende compensatie zag op de juiste toeslagjaren. Dat de Dienst Toeslagen in het kader van een ander besluitvormingstraject een SAS-rapport aan verzoekster heeft verstrekt, kan daarom niet worden aangemerkt als het tegemoetkomen aan het beroep van verzoekster.
5. Naar het oordeel van de rechtbank is de Dienst Toeslagen wel aan verzoekster tegemoetgekomen voor zover het beroep betrekking heeft op het niet tijdig beslissen op het bezwaar van verzoekster tegen het besluit van 4 maart 2022. De Dienst Toeslagen heeft met het besluit van 21 november 2023 immers alsnog op dat bezwaar beslist. Het verzoek is daarom kennelijk gegrond.
6. De rechtbank zal de Dienst Toeslagen veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten voor zover die verband houden met het beroep tegen het niet tijdig beslissen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5). De zaak is van licht gewicht, omdat de zaak (in zoverre) alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.
7. De rechtbank wijst de Dienst Toeslagen erop dat hij verplicht is het betaalde griffierecht van € 50,- te vergoeden. [4] Verzoekster moet zich hiervoor tot de Dienst Toeslagen wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikelen 8:54, eerste lid, en 8:75a, derde lid, van de Awb.
3.Artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb.
4.Artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.