Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6814

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
C/10/713377
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 822 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorzieningen in zorgregeling, woninggebruik en alimentatie na echtscheidingsverzoek

Partijen zijn gehuwd sinds 1994 en hebben een minderjarige en drie meerderjarige kinderen. De man heeft een echtscheidingsverzoek ingediend, met een bodemprocedure gepland in augustus 2026.

De rechtbank oordeelt dat zij bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is. De vrouw krijgt de zorg over de minderjarige toegewezen, het verzoek van de man tot voorlopige zorgregeling wordt ingetrokken. Er is een afgesproken video-belcontact tussen man en minderjarige.

De vrouw krijgt het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning toegewezen, de man moet deze verlaten en mag niet meer betreden. Verzoeken over de lasten van de woning worden afgewezen omdat deze niet onder art. 822 Rv Pro vallen.

De rechtbank stelt de voorlopige kinderbijdrage vast op €796 per maand en de partnerbijdrage op €317 bruto per maand, berekend volgens het rapport alimentatienormen. De proceskosten worden ieder voor eigen rekening genomen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De vrouw krijgt het uitsluitend gebruik van de woning en de zorg over de minderjarige toegewezen; de man moet de woning verlaten en betaalt €796 kinderbijdrage en €317 bruto partnerbijdrage per maand.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/713377 / FA RK 26-374
Beschikking van 3 juni 2026 over voorlopige voorzieningen
in de zaak van:
[de vrouw], hierna: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. D.V. Garib te Rotterdam,
t e g e n
[de man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. W.H.J.W. de Brouwer te Rotterdam.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 19 december 2025;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 3 februari 2026;
  • het bericht met bijlagen van de man van 15 mei 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 20 mei 2026. Daarbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] .
1.3.
De minderjarige is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft hier geen gebruik van gemaakt.

2.De vaststaande feiten

2.1.
Partijen zijn volgens de Basisregistratie Personen (BRP) op 25 oktober 1994 in Oujda, Marokko met elkaar gehuwd.
2.2.
Het minderjarige kind van partijen is [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] .
2.3.
Partijen zijn ook de ouders van drie meerderjarige kinderen.
2.4.
De man heeft een verzoek tot echtscheiding gedaan. Deze procedure is bij de rechtbank bekend onder zaak-/rekestnummers: C/10/708197 / FA RK 25-7722 en C/10/712461 / FA RK 25-9884. De mondelinge behandeling is bepaald op 14 augustus 2026.

3.De beoordeling

3.1.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
3.1.1.
Deze zaak heeft een internationaal privaatrechtelijk karakter. Om die reden ligt zowel de rechtsmacht van deze rechtbank als het toe te passen recht ambtshalve ter beoordeling voor. De rechtbank stelt op grond van de omstandigheden van partijen vast dat zij bevoegd is op alle verzoeken te beslissen en dat op elk verzoek Nederlands recht moet worden toegepast.
3.2.
Toevertrouwing van de minderjarige
3.2.1.
De vrouw verzoekt de minderjarige aan haar toe te vertrouwen.
3.2.2.
De man weerspreekt het verzoek niet.
3.2.3.
Het verzoek tot toevertrouwing van de minderjarige aan de vrouw wordt, als niet weersproken en op de wet gegrond, toegewezen.
3.3.
Zorgregeling
3.3.1.
De man verzoekt een voorlopige regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vast te stellen.
3.3.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man uitgelegd dat hij ruim een jaar geleden is vertrokken uit de echtelijke woning en dat hij sindsdien in zijn autogarage woont. Hij heeft geen contact meer met de minderjarige. De rechtbank begrijpt dat de man dat het liefst anders had gezien. De man heeft duidelijk gemaakt dat hij wil doen wat het beste is voor de minderjarige. Hij wil in haar belang handelen en heeft daarom zijn verzoek om een voorlopige zorgregeling vast te stellen ingetrokken. In de bodemprocedure heeft hij ook verzocht om een regeling vast te stellen en in die procedure is reeds een bijzondere curator benoemd. De man wil de bijzondere curator de ruimte geven om te onderzoeken of, en zo ja hoe, het contact met de minderjarige hersteld kan worden. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man om een voorlopige zorgregeling vast te stellen afwijzen.
3.3.3.
Partijen hebben daarna nog wel afgesproken dat er een (video)belmoment tussen de man en de minderjarige zal plaatsvinden. Zij zijn overeengekomen dat de minderjarige de man op 21 mei 2026 om 17.00 uur belt. De meerderjarige zus of één van de meerderjarige broers van de minderjarige mag ook in de ruimte aanwezig zijn. Omdat niet gebleken is dat het belang van de minderjarige zich hiertegen verzet, zal de rechtbank deze afspraak opnemen in de beschikking. De advocaat van de man heeft toegezegd dat hij de bijzondere curator over het belmoment zal informeren.
3.4.
Bijzondere curator
3.4.1.
De man heeft zijn verzoek om een bijzondere curator te benoemen ingetrokken, omdat er in de bodemprocedure al een bijzondere curator is benoemd. De rechtbank wijst het verzoek af.
3.5.
Woning
3.5.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat zij met uitsluiting van de man gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] in [plaats] en de man te bevelen de woning te verlaten en hem te verbieden de woning verder te betreden, met machtiging voor de vrouw om deze beschikking zo nodig zelf ten uitvoer te leggen met behulp van politie en justitie.
3.5.2.
De man weerspreekt het verzoek niet.
3.5.3.
Het verzoek van de vrouw ten aanzien van het uitsluitend gebruik van de woning wordt, als niet weersproken en op de wet gegrond, toegewezen.
3.5.4.
Het verzoek om de beschikking ten uitvoer te leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie wordt afgewezen. Bij de verkrijging van het uitsluitend gebruik van de woning hoort het bevel dat de andere echtgenoot die woning moet verlaten en deze verder niet mag betreden. Door dit bevel is de vrouw in het bezit van een rechtsgeldige titel voor tenuitvoerlegging van de ontruiming met behulp van de sterke arm.
3.6.
Lasten van de echtelijke woning
3.6.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man de hypotheeklasten van de echtelijke woning, inclusief de inmiddels ontstane achterstand, blijft voldoen tot een beschikking in de bodemprocedure is gewezen.
3.6.2.
De man voert gemotiveerd verweer. Hij verzoekt te bepalen dat partijen ieder voor de helft draagplicht zijn voor de eigenaarslaten van die woning en dat de gebruikerslasten waaronder gas, water, elektriciteit en het gebruikersaandeel van de gemeentelijke heffingen, voor rekening van de vrouw komen.
3.6.3.
De hiervoor genoemde verzoeken van partijen vallen niet onder de in artikel 822 Rv Pro gegeven opsomming van te vragen voorlopige voorzieningen en zullen als niet op de wet gegrond worden afgewezen.
3.7.
Onderhoudsbijdragen
3.7.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man voorlopig moet bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna: de kinderbijdrage) met een bedrag van € 811,- per maand, en ook dat hij voorlopig moet bijdragen in de kosten van haar levensonderhoud (hierna: de partnerbijdrage) met een bedrag van € 514,- bruto per maand.
3.7.2.
De man voert gemotiveerd verweer. Hij verzoekt om te bepalen dat hij aan de vrouw een voorlopige kinderbijdrage moet betalen van € 468,- per maand. Voor de partnerbijdrage ontbreekt draagkracht, aldus de man.
3.7.3.
Tussen partijen is de hoogte van de vast te stellen voorlopige onderhoudsbijdragen in geschil. De rechtbank zal de bijdragen berekenen volgens de aanbevelingen opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport).
3.7.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Kinderbijdrage
De ingangsdatum
3.7.5.
Artikel 822 lid 2 Rv Pro bepaalt dat voor de datum van ingang van de door de rechtbank vastgestelde voorlopige voorzieningen de dag van de dagtekening van de beschikking als uitgangspunt geldt. Op grond van de stukken en dat wat is besproken tijdens de mondelinge behandeling ziet de rechtbank geen aanleiding van dit uitgangspunt af te wijken. De rechtbank stelt de ingangsdatum daarom vast op 3 juni 2026.
De behoefte
3.7.6.
De rechtbank zal eerst het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarige (hierna: de behoefte van de minderjarige) bepalen aan de hand van het netto besteedbaar gezinsinkomen op het moment van het feitelijk uiteengaan van partijen, te verhogen met het kindgebonden budget. Partijen hebben tot begin 2025 in gezinsverband samengeleefd, zodat uitgegaan zal worden van de inkomensgegevens over dat jaar.
3.7.7.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening als bijlage 1) het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw aan de hand van de jaaropgave over het jaar 2024 (productie 4), waarop een jaarloon staat genoemd van € 17.286,-, op € 1.440,- per maand. De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
3.7.8.
De man is ondernemer. Hij heeft een autogarage. Volgens de vrouw moet uitgegaan worden van de winst uit 2023. Volgens de man moet uitgegaan worden van de gemiddelde winst van de afgelopen drie jaar. Voor het NBI van de man gaat de rechtbank, uit van de gemiddelde bruto winst uit onderneming van 2022 tot en met 2024, omdat dit een representatief beeld geeft van de welstand waarin partijen met de minderjarige geleefd hebben. De man heeft over diverse jaren een aangifte inkomstenbelasting overgelegd en de jaarrekening van 2024. Uit deze stukken volgt een bruto winst uit onderneming over 2022 van € 37.313,- een bruto winst uit onderneming over 2023 van € 97.265,- en in het jaar 2024 bedroeg de bruto winst € 82.988,-. Het gemiddelde van deze bedragen is € 75.522,- bruto per jaar. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening als bijlage 1) het NBI van de man aan de hand van deze gegevens op € 4.308,- per maand. Daarbij is rekening gehouden met de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling. Ook zijn de volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
3.7.9.
De rechtbank becijfert het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen aldus op
€ 5.748,- per maand. Dit netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen, levert op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen, die is opgenomen als bijlage bij het rapport, een bedrag op van € 777,- per maand. Geïndexeerd naar 2026 levert dat op een bedrag van € 813,- per maand, zodat de behoefte van de minderjarige wordt vastgesteld op dat bedrag.
Draagkrachtberekening
3.7.10.
Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarige tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht.
3.7.11.
Hiertoe moet eerst het huidige netto NBI van partijen vastgesteld worden. Gelet op de ingangsdatum van de vaststelling van de kinderbijdrage wordt gerekend met de tarieven 2026-1.
Draagkracht vrouw
3.7.12.
De rechtbank is over het algemeen terughoudend met het aannemen van een verdiencapaciteit in een voorlopige voorzieningenprocedure. De man heeft benoemd dat er aan de zijde van de vrouw sprake zou zijn van een verdiencapaciteit. Hij heeft aan deze stelling vervolgens geen concrete consequenties verbonden en tijdens de mondelinge behandeling heeft hij gezegd dat de rechtbank uit kan gaan van de berekening die de man heeft gemaakt op basis van het werkelijke inkomen van de vrouw. Hierom en vanwege de aard van de procedure, zal de rechtbank uitgaan van de werkelijke inkomensgegevens van de vrouw. Het onderwerp van de verdiencapaciteit kan, desgewenst, verder besproken worden in de bodemprocedure.
3.7.13.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de vrouw op € 1.656,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente uitkeringsspecificaties):
- WW-uitkering (afgerond) € 1.194,- per maand
- vakantiegeld 8% op jaarbasis
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting
3.7.14.
Rekening is gehouden met het kindgebonden budget van € 6.720,- per maand, waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op heeft.
3.7.15.
De vrouw heeft een inkomen op bijstandsniveau. Haar draagkracht wordt daarom aan de hand van de draagkrachttabel behorende bij het Alimentatierapport vastgesteld op het minimumbedrag van € 25,- per maand.
Draagkracht man
3.7.16.
Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijkt de rechtbank in beginsel naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. Hoewel dat gemiddelde bruto winst uit onderneming helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen (paragraaf 2.3.2. van het rapport).
3.7.17.
De man heeft uitgelegd dat de afgelopen periode zwaar voor hem was en dat zijn onderneming inmiddels niet goed meer loopt. Hij heeft verklaard dat er geen geld meer is. Aan deze stellingen worden echter geen concrete consequenties verbonden en ook zijn er geen stukken overgelegd waaruit opgemaakt kan worden dat de onderneming van de man zich in zwaar weer bevindt. Bij gebrek aan nadere gegevens gaat de rechtbank daarom opnieuw uit van een gemiddelde bruto winst over de afgelopen drie jaren.
3.7.18.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het NBI van de man € 4.316,- per maand. De zelfstandigenaftrek en de MKB-vrijstelling is daarbij in aanmerking genomen. Ook is rekening gehouden met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.
3.7.19.
De draagkracht van de man wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)] en bedraagt € 1.159,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
3.7.20.
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarige moet de behoefte over partijen worden verdeeld. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
het deel van de man bedraagt: € 1.159,- / € 1.184,- x € 813,- = € 796,-
het deel van de vrouw bedraagt: € 25,- / € 1.184,- x € 813,- =
€ 17,- +
samen € 813,-
Van de totale behoefte van de minderjarige komt dus een gedeelte van € 796,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 17,- per maand voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
3.7.21.
Omdat er al langere tijd geen contact is tussen de man en de minderjarige wordt de toepassing van de zorgkorting achterwege gelaten.
Conclusie
3.7.22.
Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige van € 796,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.
Partnerbijdrage
De ingangsdatum
3.7.23.
De rechtbank stelt de ingangsdatum van de partnerbijdrage vast op 19 december 2025 en verwijst daarbij naar rechtsoverweging 3.7.5.
Behoefte
3.7.24.
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van de vrouw aan de partnerbijdrage berekend moet worden aan de hand van de zogenaamde ‘hofnorm’ zodat de vrouw behoefte heeft aan 60% van het voor partijen beschikbare netto besteedbaar inkomen tijdens het huwelijk, omdat een alleenstaande in zijn algemeenheid duurder uit is dan een gehuwde.
3.7.25.
Tijdens het huwelijk hadden partijen de beschikking over een besteedbaar gezinsinkomen van € 5.748,- netto per maand in 2025. Dit gezinsinkomen wordt verminderd met de kosten van de minderjarige in dat jaar van € 777,- per maand. De netto behoefte van de vrouw bedraagt 60% van dit bedrag, zijnde € 2.983,- netto per maand. Geïndexeerd naar 2026 is dat een bedrag van € 3.120,- netto per maand.
Aanvullende behoefte
3.7.26.
Op de hiervoor berekende behoefte van de vrouw moet haar huidige inkomen in mindering worden gebracht. De rechtbank becijfert het huidige NBI van de vrouw op
€ 1.096,- netto per maand. Zij verwijst voor de motivering daarvan naar rechtsoverwegingen 3.7.12 en 3.7.13. en naar de aan deze beschikking gehechte berekening als bijlage 2. Het NBI van de vrouw is met dezelfde inkomensgegevens als bij de kinderbijdrage lager bij de partnerbijdrage, omdat bij de partnerbijdrage het kindgebonden budget in mindering wordt gebracht. Na aftrek van het NBI van de vrouw een aanvullende behoefte van € 3.740,- bruto per maand.
Draagkracht man
3.7.27.
De man betwist dat hij draagkracht heeft om de gevraagde bijdrage te voldoen. De rechtbank zal de draagkracht van de man berekenen aan de hand van de aanbevelingen opgenomen in het rapport.
3.7.28.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening als bijlage 2) het NBI van de man over het jaar 2026 net als bij de kinderbijdrage op een bedrag van € 4.316,- per maand. Zij verwijst voor de motivering ervan naar de rechtsoverwegingen 3.7.16 tot en met 3.7.18. De draagkracht van de man wordt vervolgens, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 60% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)] en bedraagt € 994,- per maand.
Conclusie
3.7.29.
Na aftrek van de kinderbijdrage van € 796,- per maand resteert een bedrag van
€ 198,- netto per maand, ofwel € 317,- bruto per maand, waarbij de rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekening. Gelet op het voorgaande is een partnerbijdrage van € 317,- bruto per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Het verzoek van de vrouw zal tot dit bedrag worden toegewezen.
3.7.30.
Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.
3.8.
Proceskosten
3.8.1.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
bepaalt dat de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan [adres] in ( [postcode] ) [plaats] ;
4.2.
beveelt de man met ingang van de datum van deze beschikking de echtelijke woning te verlaten en verbiedt de man deze verder te betreden;
4.3.
bepaalt dat de minderjarige aan de vrouw wordt toevertrouwd;
4.4.
neemt op de onderlinge regeling die partijen over de voorlopige regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken hebben getroffen, namelijk dat de man en de minderjarige op 21 mei 2026 een (video)belmoment met elkaar hebben. De minderjarige belt de man om 17.00 uur. De meerderjarige zus of één van de meerderjarige broers mag in de ruimte aanwezig zijn tijdens het belmoment;
4.5.
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking, voorlopig als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 796,- per maand;
4.6.
kent ten laste van de man aan de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking een uitkering tot levensonderhoud toe van € 317,- bruto per maand, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling te voldoen;
4.7.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.8.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.9.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. Moerman, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van J. Veldthuis, griffier, op 3 juni 2026.
Bijlagen: alimentatieberekening
Bijlage 1: behoefteberekening
Partij
Alimentatieplichtige
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde
Berekening
Behoefteberekening
Tarieven
2025-1
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Winst uit onderneming (65-75)
65
Winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek)
72.522
70
Winst uit onderneming
72.522
Specificaties voor post: 65 (Gemiddelde)
2024
82.988
jaar
2023
97.265
jaar
2022
37.313
jaar
Ondernemersaftrek
71/ 72
Zelfstandigenaftrek
-
2.47
- Zelfstandigenaftrek
2.47
MKB Winstvrijstelling
-
8.897
75
Belastbare winst uit onderneming
61.155
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
61.155
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)
13.769
- Schijf 2, 37,48% over € 38.441 (€ 40.502) t/m € 76.817
8.513
95
Inkomensheffing box 1
22.282
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
72.522
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
22.282
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
4.675
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
17.607
Inkomen na aftrek inkomensheffing
54.915
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
993
jaar
Arbeidskorting
3.682
jaar
117a Op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
Winst uit onderneming
61.155
Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
61.155
Maximum bijdrage loon
75.864
Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd
75.864
Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
61.155
Percentage Zvw
%
5,26
Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
3.217
Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
-
3.217
120
Besteedbaar inkomen
51.698
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
51.698
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
4.308
Partij
Alimentatiegerechtigde
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde
Berekening
Behoefteberekening
Tarieven
2025-1
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon volgens jaaropgaaf
(60)
60
Loon volgens jaaropgaaf
17.286
Op het bruto loon ingehouden
59
Inkomsten (transport)
17.286
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
17.286
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
17.286
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)
6.191
95
Inkomensheffing box 1
6.191
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
17.286
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
6.191
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
6.861
Inkomen na aftrek inkomensheffing
17.286
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
3.068
jaar
Arbeidskorting
2.517
jaar
Combinatiekorting
1.276
jaar
120
Besteedbaar inkomen
17.286
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
17.286
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
1.44
NBGI voor scheiding
Netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding
NBI voor scheiding Alimentatieplichtige
4.308
NBI voor scheiding Alimentatiegerechtigde
1.44
Netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding
5.748
Eigen aandeel kosten kinderen
Eigen aandeel kosten kinderen
Ouders hebben in gezinsverband geleefd
ja
NBGI voor scheiding
5.748
Tabel aantal kinderen
1
Eigen aandeel ouders in de kosten kinderen volgens tabel
777
#
Indexeren
ja
Startjaar
2025
Eindjaar
2026
Eigen aandeel ouders geïndexeerd
813
Behoefte obv 60% norm
Netto Behoefte
Netto gezinsinkomen
5.748
Af: kosten van de kinderen
-
777
Saldo
4.971
Netto behoefte obv 60%
2.983
Netto behoefte
2.983
#
Indexeren
ja
Startjaar
2025
Eindjaar
2026
Netto behoefte geïndexeerd
3.12
Bijlage 2: draagkrachtberekening
Partij
Alimentatieplichtige
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde
Berekening
Draagkrachtberekening
Tarieven
2026-1
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Winst uit onderneming (65-75)
65
Winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek)
72.522
70
Winst uit onderneming
72.522
Specificaties voor post: 65 (Gemiddelde)
2024
82.988
jaar
2023
97.265
jaar
2022
37.313
jaar
Ondernemersaftrek
71/ 72
Zelfstandigenaftrek
-
1.2
- Zelfstandigenaftrek
1.2
MKB Winstvrijstelling
-
9.058
75
Belastbare winst uit onderneming
62.264
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
62.264
- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)
13.9
- Schijf 2, 37,56% over € 38.883 (€ 41.124) t/m € 78.426
8.782
95
Inkomensheffing box 1
22.682
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
72.522
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
22.682
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
4.966
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
17.716
Inkomen na aftrek inkomensheffing
54.806
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
1.034
jaar
Arbeidskorting
3.932
jaar
117a Op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
Winst uit onderneming
62.264
Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
62.264
Maximum bijdrage loon
79.412
Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd
79.412
Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
62.264
Percentage Zvw
%
4,85
Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
3.02
Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
-
3.02
120
Besteedbaar inkomen
51.786
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
51.786
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
4.316
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per jaar)
51.786
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per maand)
4.316
Draagkracht tbv kinderalimentatie
Draagkracht tbv kinderalimentatie
120a
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie
4.316
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122a
Kosten van levensonderhoud
1.365
123a
Woonbudget
1.295
135a
Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie
2.66
136a
Draagkrachtruimte
1.656
137a
Draagkrachtpercentage
%
70
Beschikbaar
1.159
140a
Draagkracht tbv kinderalimentatie
1.159
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
120b
Netto besteedbaar inkomen tbv partneralimentatie
4.316
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122b
Kosten van levensonderhoud
1.365
123b
Woonbudget
1.295
135b
Draagkrachtloos inkomen tbv partneralimentatie
2.66
136b
Draagkrachtruimte
1.656
Draagkracht tbv partneralimentatie
136b
Draagkrachtruimte
1.656
137b
Draagkrachtpercentage
%
60
Draagkracht tbv partneralimentatie
994
140
Beschikbaar
994
Partneralimentatie (141-144)
141
Bijdrage in de kosten van kinderen (inclusief zorgkorting)
-
796
Bijdrage in de kosten van kinderen uit andere relatie
-
Totale bijdrage in de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting)
-
796
142
Fiscaal voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen
Berekende ruimte voor partneralimentatie
198
143
Resteert voor partneralimentatie vóór berekening belastingvoordeel
198
144
Resultaat van brutering van 143 volgens de methode Buijs (bruto partneralimentatie)
317
Specificaties voor post: 144
Het beschikbare nettobedrag voor partneralimentatie van € 2.376 per jaar wordt gebruteerd in Box 1 bij een belastbaar inkomen van:
62.264
jaar
In de schijf van 37,56% valt € 2.376, € 2.376 x ( 100 / (100 - 37,56)) =
3.805
jaar
In de schijf van 35,75% valt € 0, € 0 x ( 100 / (100 - 35,75)) =
jaar
Het resultaat van de brutering is per jaar
3.805
jaar
Of per maand
317
maand
Partij
Alimentatiegerechtigde
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde
Berekening
Draagkrachtberekening
Tarieven
2026-1
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon (41-50)
43
Bruto uitkering andere sociale verzekeringswetten
14.328
44
Vakantietoeslag
1.29
Bruto inkomsten
15.618
Premies (51-59)
Pensioenpremie
54
Loon voor de premies werknemersverzekeringen
15.618
59
Inkomsten
15.618
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
15.618
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
15.618
- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)
5.583
95
Inkomensheffing box 1
5.583
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
15.618
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
5.583
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
3.115
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
2.468
Inkomen na aftrek inkomensheffing
13.15
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
3.115
jaar
Bij: Kindgebonden budget
6.72
120
Besteedbaar inkomen
19.87
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
19.87
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
1.656
120b
Af: correctie kindgebonden budget
-
6.72
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per jaar)
13.15
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per maand)
1.096
Draagkracht tbv kinderalimentatie
Draagkracht tbv kinderalimentatie
120a
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie
1.656
Draagkracht wordt berekend op basis van
Tabel
Afwijken van de tabel?
nee
140a
Draagkracht tbv kinderalimentatie
25
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
120b
Netto besteedbaar inkomen tbv partneralimentatie
1.096
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
Afwijken van de tabel?
nee
122b
Kosten van levensonderhoud
1.365
123b
Woonbudget
329
135b
Draagkrachtloos inkomen tbv partneralimentatie
1.694
136b
Draagkrachtruimte
-598
Draagkracht tbv partneralimentatie
136b
Draagkrachtruimte
-598
137b
Draagkrachtpercentage
%
60
Partneralimentatie (141-144)
141
Bijdrage in de kosten van kinderen (inclusief zorgkorting)
-
17
Bijdrage in de kosten van kinderen uit andere relatie
-
Totale bijdrage in de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting)
-
17
142
Fiscaal voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen
Berekende ruimte voor partneralimentatie
-17
143
Resteert voor partneralimentatie vóór berekening belastingvoordeel
144
Resultaat van brutering van 143 volgens de methode Buijs (bruto partneralimentatie)
Specificaties voor post: 144
Het beschikbare nettobedrag voor partneralimentatie van € 0 per jaar wordt gebruteerd in Box 1 bij een belastbaar inkomen van:
15.618
jaar
Het resultaat van de brutering is per jaar
jaar
Of per maand
maand
Bruto aanvullende behoefte
Netto Behoefte
Netto behoefte
3.12
Berekening Bruto aanvullende Behoefte
Netto behoefte aan inkomen
3.12
Eigen netto inkomsten (+ aanv. verdiencapaciteit)
1.096
Post 141 Bijdrage in de kosten van de kinderen
17
Af: Post 119a kindgebonden budget
-
560
Restant:
-543
Kosten kinderen uit eigen inkomen
Zelf beschikbaar netto inkomen
-
1.096
Netto aanvullende behoefte
2.024
Bruto aanvullende behoefte
3.74