ECLI:NL:RBROT:2026:6810

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
C/10/719296 / KG ZA 26-439
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:127 BWArt. 3:94 BWArt. 6:130 BWArt. 2:23c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verbod op executie na geslaagde verrekening ondanks cessie van vordering

In deze kortgedingprocedure vordert eiseres een verbod op executie door Beheergroep, die een vordering op haar heeft verkregen via cessie van Leerwerkbedrijf. Eiseres had een arbeidsovereenkomst met Leerwerkbedrijf, dat haar een transitievergoeding verschuldigd was, maar deze niet betaalde. Na turboliquidatie en ontbinding van Leerwerkbedrijf werd het faillissement aangevraagd en later door het hof afgewezen.

Eiseres stelde zich op het standpunt dat zij haar schuld aan Leerwerkbedrijf mocht verrekenen met haar vordering op die vennootschap, waardoor de vordering van Leerwerkbedrijf op haar tenietging. De cessie van deze vordering aan Beheergroep zou daardoor feitelijk geen effect hebben. De rechtbank oordeelt dat aan de voorwaarden voor verrekening is voldaan en dat de cessie geen rechtsgevolg heeft.

Ook als de cessie wel effect zou hebben gehad, zou eiseres haar vordering mogen verrekenen met de aan Beheergroep overgedragen vordering. Beheergroep wordt daarom verboden om executie te verrichten en veroordeeld tot betaling van proceskosten en een dwangsom bij overtreding van het verbod.

Uitkomst: Beheergroep wordt verboden executie te verrichten wegens geslaagde verrekening, cessie heeft geen effect.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/719296 / KG ZA 26-439
Vonnis in kort geding van 11 juni 2026
in de zaak van
[eiseres 1],
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres 2] ,
advocaat: mr. P.A. Visser te Rotterdam,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in Ridderkerk,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Beheergroep,
advocaat: mr. S.A.G. de Vries te Heerenveen.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 13 mei 2026;
- de 10 producties van [eiseres 2] ;
- de 6 producties van Beheergroep;
- de mondelinge behandeling op 28 mei 2026;
- de pleitnota van [eiseres 2] ;
- de pleitnota van Beheergroep.

2.De feiten

2.1.
Beheergroep is enig aandeelhouder en bestuurder van [Leerwerkbedrijf] (hierna: Leerwerkbedrijf).
2.2.
[eiseres 2] heeft met Leerwerkbedrijf een arbeidsovereenkomst gehad. Leerwerkbedrijf heeft die arbeidsovereenkomst tegen 1 februari 2025 opgezegd. Bij beschikking van 28 mei 2025 heeft de kantonrechter van deze rechtbank Leerwerkbedrijf veroordeeld om aan [eiseres 2] een transitievergoeding van € 20.577,76 bruto te betalen. Leerwerkbedrijf heeft dat bedrag niet voldaan.
2.3.
Leerwerkbedrijf is na een turboliquidatie ontbonden. Op 28 september 2025 is bij het handelsregister van de Kamer van Koophandel geregistreerd dat de ontbonden rechtspersoon is opgehouden te bestaan omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 19 september 2025.
2.4.
Op 1 december 2025 heeft [eiseres 2] het faillissement van Leerwerkbedrijf aangevraagd. Bij vonnis van 13 januari 2026 heeft deze rechtbank Leerwerkbedrijf in staat van faillissement verklaard.
2.5.
Leerwerkbedrijf is tegen dat vonnis in hoger beroep gekomen.
Bij arrest van 17 maart 2026 heeft het gerechtshof Den Haag het vonnis van 13 januari 2026 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, het verzoek tot faillietverklaring van Leerwerkbedrijf afgewezen. Daarbij is [eiseres 2] veroordeeld in de proceskosten van Leerwerkbedrijf. Op 14 april 2026 heeft het hof een herstelbeslissing gegeven, waarin zij de proceskosten van Leerwerkbedrijf heeft begroot op € 4.737,00.
2.6.
Op 17 maart 2026 heeft [eiseres 2] aan Leerwerkbedrijf schriftelijk meegedeeld dat zij zich, voor wat betreft de proceskosten, beroept op verrekening met haar vordering op Leerwerkbedrijf.
2.7.
Op 18 maart 2026 heeft Leerwerkbedrijf haar vordering op [eiseres 2] ter zake van de proceskosten gecedeerd aan Beheergroep.
2.8.
Op 23 maart 2026 heeft Leerwerkbedrijf aan [eiseres 2] schriftelijk meegedeeld dat zij haar vordering op [eiseres 2] heeft overgedragen aan Beheergroep, dat [eiseres 2] vanaf dat moment slechts bevrijdend kan betalen aan Beheergroep, en dat aan [eiseres 2] geen beroep op verrekening toekomt.
2.9.
Op 15 april 2026 heeft Leerwerkbedrijf per deurwaardersexploot het arrest van 17 maart 2026 laten betekenen aan [eiseres 2] , met het bevel om het daaruit voortvloeiende bedrag inclusief kosten te voldoen.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres 2] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, een verbod tot executie door Beheergroep op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of dagdeel dat Beheergroep hiermee in gebreke blijft tot een maximum van € 15.000,00, met veroordeling van Beheergroep in de kosten van deze procedure.
3.2.
Beheergroep concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiseres 2] in de kosten van deze procedure.

4.De beoordeling

4.1.
Het verzoek van Beheergroep om bepaalde producties van [eiseres 2] buiten beschouwing te laten, wordt afgewezen. [eiseres 2] heeft haar producties tijdig ingediend en Beheergroep heeft voldoende gelegenheid gehad om daartegen verweer te voeren. De vraag of de overgelegde stukken als relevant bewijs kunnen dienen, komt hierna aan de orde bij de inhoudelijke beoordeling.
4.2.
Vaststaat dat [eiseres 2] op basis van de beschikking van 28 mei 2025 (zie 2.2.) een vordering heeft op Leerwerkbedrijf van € 20.577,76 bruto aan transitievergoeding. Ook staat vast dat Leerwerkbedrijf op basis van het arrest van 17 maart 2026 en de herstelbeslissing van 14 april 2026 (zie 2.5.) een vordering heeft op [eiseres 2] van € 4.737,00 aan proceskosten. De genoemde bedragen zijn exclusief bijkomende kosten en/of rente.
4.3.
[eiseres 2] stelt dat zij tegenover Leerwerkbedrijf een rechtsgeldig beroep heeft gedaan op verrekening, met het gevolg dat de vordering van Leerwerkbedrijf op haar – die kleiner is dan haar tegenvordering – teniet is gegaan. Ten tijde van de cessie aan Beheergroep bestond de vordering van Leerwerkbedrijf op [eiseres 2] al niet meer, zodat er volgens [eiseres 2] feitelijk niets is overgedragen.
4.4.
Beheergroep betoogt dat aan [eiseres 2] geen beroep op verrekening toekomt, omdat er geen sprake is van zuivere wederkerigheid. Leerwerkbedrijf was immers ten tijde van het beroep op verrekening al geliquideerd en daarmee opgehouden te bestaan.
4.5.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het beroep van [eiseres 2] op verrekening slaagt, omdat zij voldoet aan de vereisten om te mogen verrekenen zoals bedoeld in artikel 6:127 lid 2 BW Pro:
[eiseres 2] en Leerwerkbedrijf zijn wederkerig elkaars schuldeiser en schuldenaar. Het standpunt van Beheergroep dat Leerwerkbedrijf ten tijde van het beroep op verrekening al was opgehouden te bestaan, rijmt niet met de omstandigheid dat Leerwerkbedrijf na de verrekening op 17 maart 2026 nog zelfstandig rechtshandelingen heeft verricht. Zo heeft Leerwerkbedrijf op 18 maart 2026 een cessie-overeenkomst gesloten met Beheergroep, op 23 maart 2026 aan [eiseres 2] mededeling gedaan van die cessie, en op 15 april 2026 het arrest van het hof betekend aan [eiseres 2] . Bovendien, maar dat ten overvloede, geldt dat, voor zover Leerwerkbedrijf wel is opgehouden te bestaan, [eiseres 2] als belanghebbende een procedure op basis van artikel 2:23c lid 1 BW kan voeren om Leerwerkbedrijf tijdelijk te laten herleven ten behoeve van de vereffening van gebleken baten zoals hier aan de orde.
[eiseres 2] kan haar schuld aan Leerwerkbedrijf voldoen met de prestatie die zij van Leerwerkbedrijf te vorderen heeft, omdat sprake is van gelijksoortigheid van prestaties.
[eiseres 2] is bevoegd tot betaling van de schuld aan Leerwerkbedrijf. Ten tijde van haar beroep op verrekening, had de cessie immers nog niet plaatsgevonden.
[eiseres 2] is bevoegd de betaling van haar vordering op Leerwerkbedrijf af te dwingen.
4.6.
De ingeroepen verrekening door [eiseres 2] brengt met zich dat de vordering van Leerwerkbedrijf op [eiseres 2] op 17 maart 2026 teniet is gegaan, zodat de cessie aan Beheergroep – die ingevolge artikel 3:94 lid 1 BW Pro pas op 23 maart 2026 is voltooid met de mededeling van de cessie – geen effect heeft gehad.
4.7.
Daar komt bij dat, in de situatie dat de cessie wel effect zou hebben gehad, ook dan aan Beheergroep geen vordering op [eiseres 2] toekomt. In dat geval heeft [eiseres 2] op grond van artikel 6:130 lid 1 BW Pro het recht om haar vordering op Leerwerkbedrijf in verrekening te brengen met de aan Beheergroep gecedeerde vordering op haar, reeds omdat de tegenvordering van [eiseres 2] al vóór de cessie bestond en opeisbaar was geworden. Los daarvan geldt dat de vorderingen zodanig met elkaar samenhangen dat gezegd kan worden dat zij uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeien. De procedure waaruit de vordering van Leerwerkbedrijf op [eiseres 2] ten titel van proceskosten is ontstaan, houdt immers verband met de vordering van [eiseres 2] op Leerwerkbedrijf ten titel van transitievergoeding.
4.8.
Dit alles leidt tot de conclusie dat Beheergroep geen vordering heeft op [eiseres 2] . Niettemin stelt Beheergroep zich op het standpunt dat zij door de rechtsgeldige cessie rechthebbende is geworden op de proceskostenveroordeling en daarom bevoegd is om tot executie over te gaan. Dat maakt dat [eiseres 2] een belang heeft bij het opleggen van een verbod op Beheergroep om daartoe over te gaan.
4.9.
Het gevorderde verbod wordt dan ook toegewezen zoals in de beslissing vermeld. Aan dat verbod wordt een dwangsom verbonden, maar dan beperkt en gemaximeerd.
4.10.
Beheergroep is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiseres 2] betalen. Deze kosten worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
151,94
- griffierecht
341,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.858,94

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
verbiedt Beheergroep om uit hoofde van de cessie-overeenkomst met Leerwerkbedrijf het arrest van 17 maart 2026 en de herstelbeslissing van 14 april 2026 ten uitvoer te leggen;
5.2.
veroordeelt Beheergroep om aan [eiseres 2] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij na de betekening van dit vonnis niet aan het verbod in 5.1. voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt;
5.3.
veroordeelt Beheergroep in de proceskosten van € 1.858,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als dit vonnis wordt betekend;
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026. 2091 / 2009