Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6802

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
10-036583-24
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 47 SrArt. 63 SrArt. 77a SrArt. 77g Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen opzettelijk veroorzaken explosie in portiek met jeugddetentie en taakstraf

Op 29 januari 2024 vond een ontploffing plaats in een portiek aan de Medemblikstraat te 's-Gravenhage. De verdachte, toen 16 jaar oud, werd beschuldigd van medeplegen van deze explosie. Bewijs bestond uit locatiegegevens van telefoons, chatberichten via Snapchat en getuigenverklaringen. De verdachte ontkende aanwezig te zijn geweest, maar zijn alternatieve verklaring werd door de rechtbank verworpen.

De rechtbank achtte het bewezen dat de verdachte samen met anderen opzettelijk een Cobra 6 of zwaar vuurwerk tot ontploffing bracht, waardoor gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor bewoners ontstond. Er waren geen omstandigheden die strafuitsluiting rechtvaardigden. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder een positief advies van de Raad voor de Kinderbescherming en het ontbreken van eerdere veroordelingen, werden meegewogen.

De rechtbank legde een jeugddetentie van 65 dagen op, waarvan 50 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar en een meldplicht bij de jeugdreclassering. Daarnaast werd een taakstraf van 60 uur opgelegd, met een vervangende jeugddetentie van 30 dagen bij niet-naleving. De vorderingen van vijf benadeelde partijen werden deels toegewezen voor immateriële schade, met wettelijke rente vanaf de datum van de explosie. Materiële schadevorderingen werden niet-ontvankelijk verklaard en verwezen naar de burgerlijke rechter.

De verdachte werd hoofdelijk aansprakelijk gesteld samen met mededaders voor de schadevergoedingen. De rechtbank sprak de verdachte vrij van overige tenlastegelegde feiten en bepaalde dat de opgelegde straf passend en geboden was gezien de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 65 dagen jeugddetentie (waarvan 50 voorwaardelijk) en 60 uur taakstraf voor medeplegen van opzettelijke explosie met deels toegewezen schadevergoedingen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Jeugd
Parketnummer: 10-036583-24
Datum uitspraak: 7 mei 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2007,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres 1], [postcode] in [plaatsnaam],
raadsman mr. T. Kocabas, advocaat in Zoetermeer.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 23 april 2026.

2.Tenlastelegging

De verdachte wordt – kort gezegd – verdacht van het medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing op 29 januari 2024 in een portiek aan de Medemblikstraat in 's-Gravenhage. De tekst van de tenlastelegging opgenomen in bijlage I.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. H.J. du Croix heeft gevorderd:
  • bewezenverklaring van het ten laste gelegde;
  • veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 65 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 50 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar en de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal melden bij de jeugdreclassering;
  • met opdracht aan de gecertificeerde instelling te weten de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van de bijzondere voorwaarde en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
  • veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, in de vorm van een werkstraf, voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende jeugddetentie.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Bewijswaardering
4.1.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte medepleger is van het teweegbrengen van de ontploffing, gelet op onder meer de aangiftes, de getuigenverklaringen en de bevindingen uit de telefoons van de verdachte en de medeverdachte, [medeverdachte] (de chatgesprekken, locatiegegevens en zoekopdrachten).
4.1.2.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich als medepleger aan de ontploffing schuldig heeft gemaakt. De verdachte ontkent namelijk op die bewuste avond aanwezig te zijn geweest op de Medemblikstraat, alwaar de ontploffing heeft plaatsgevonden. Volgens de verdachte was zijn telefoon, die ten tijde van de ontploffing zijn locatie registreerde op de Medemblikstraat, eerder die avond opgehaald en meegenomen door een vriend en pas midden in de nacht aan hem teruggegeven.
4.1.3.
Beoordeling
Op 29 januari 2024 heeft een ontploffing plaatsgevonden op de Medemblikstraat in ’s-Gravenhage. Deze ontploffing vond omstreeks 23:00 uur plaats in de portiek van de [huisnummers]. Als gevolg hiervan is schade ontstaan.
Bevindingen
Uit onderzoek in de telefoons van de verdachte en de medeverdachte is gebleken dat de telefoon van de verdachte ten tijde van de ontploffing, tussen 23:00:59 uur en 23:01:21 uur, zijn locatie registreerde op de Medemblikstraat, ter hoogte van de [huisnummers], en dat de telefoon van de medeverdachte ten tijde van de ontploffing zijn locatie registreerde in de directe omgeving van de Medemblikstraat. Direct na de ontploffing verplaatsten beide telefoons zich naar de Naarderstraat. Verder is gebleken dat zowel voor als na de ontploffing veelvuldig contact is geweest via Snapchat tussen de verdachte en de medeverdachte met betrekking tot deze ontploffing en dat de medeverdachte vlak na de ontploffing, om 23:22 uur, via Snapchat een spraakbericht van de verdachte heeft ontvangen met de tekst “ik gooide allebei en ik rende naar boven, daarom ook”. Dit bericht en de andere berichten die zijn aangetroffen, zijn belastend.
Alternatief scenario
De verdachte heeft verklaard dat hij zijn telefoon aan een vriend heeft uitgeleend. Die vriend heeft de telefoon eerder op de avond van 29 januari 2024 opgehaald en meegenomen. Een naam of andere gegevens van die vriend heeft de verdachte niet willen geven. In algemene zin heeft de verdachte verklaard dat hij zijn telefoon vaker aan vrienden uitleende, omdat hij een telefoonabonnement had.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte zijn verklaring pas in een zeer laat stadium voor het eerst heeft afgelegd, namelijk ter zitting, waardoor de politie geen onderzoek heeft kunnen doen naar die verklaring. De rechtbank is verder van oordeel dat het door de verdachte geschetste alternatieve scenario op geen enkele wijze steun vindt in het dossier. Uit het dossier volgt wel dat de medeverdachte de gebruiker van de telefoon van de verdachte, in de gesprekken rondom de ontploffing, ‘[naam 1]’ noemt. In de telefoon van de medeverdachte staat het telefoonnummer van de verdachte opgeslagen onder de naam ‘[naam 1]’ en ‘[naam 2]’. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de verdachte ten tijde van de ontploffing zelf de gebruiker was van zijn telefoon en dat het dus de verdachte zelf was die met zijn telefoon bij de ontploffing aanwezig is geweest. Het alternatieve scenario van de verdachte wordt hiermee door de bewijsmiddelen weerlegd, zodat de rechtbank deze terzijde schuift. Dat het spraakbericht niet forensisch is onderzocht, maakt dit niet anders.
Door aldus te handelen is sprake geweest van een bewuste en nauwe samenwerking en heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan medeplegen van de ontploffing op 29 januari 2024.
4.1.4.
Conclusie
De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
4.2.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op
of omstreeks29 januari 2024 te 's-Gravenhage,
tezamen en in vereniging met
een of meeranderen,
althans alleen,
opzettelijk
een ontploffing teweeg heeft gebracht door in een portiek van de [adres 2] een Cobra 6, althans een stuk (zwaar) vuurwerk, in aanraking te brengen met vuur en/of aan te steken, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten die portiek en
/ofde woningen, gelegen aan de [adres 2] en
/ofde in die woningen aanwezige goederen en
/of
- levensgevaar en
/ofgevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de in die woningen en
/ofomliggende woningen aanwezige personen
te duchten was.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5.Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:
medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6.Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7.Motivering straf

7.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feit waarop de straf is gebaseerd
Begin 2024 heeft de verdachte, toen 16 jaar oud, zich schuldig gemaakt aan het samen met anderen plaatsen en tot ontploffing brengen van een explosief in een portiek met meerdere woningen. In een van die woningen woonde een meisje dat de medeverdachte kende van school. Hoe en waarom de verdachte hierbij betrokken is geraakt, is niet duidelijk geworden, nu de verdachte daar niet over heeft willen verklaren.
Het teweegbrengen van een ontploffing bij een woning is een ernstig strafbaar feit en een zeer intimiderende vorm van geweld. Het zorgt in de samenleving voor grote gevoelens van onrust en onveiligheid en maakt een grote inbreuk op de rechtsorde. Bovendien kan grote materiële schade worden veroorzaakt. De rechtbank neemt het de verdachte zeer kwalijk dat hij een dergelijk ernstig misdrijf heeft gepleegd en zich van de gevolgen niets heeft aangetrokken. Samen met anderen heeft hij schade toegebracht aan de portiek. Tevens heeft hij de bewoners van de woningen in dat portiek in gevaar gebracht en angst aangejaagd.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 20 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
7.3.2.
Rapportage en verklaringen van deskundigen op de zitting
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft op 15 april 2026 een rapport over de verdachte opgemaakt. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.
Er zijn zorgen om de houding en gewetensontwikkeling van de verdachte. De verdachte heeft de afgelopen twee jaar onvoldoende verantwoordelijkheid voor zijn gedrag genomen.
Het recidiverisico is heel hoog omdat de verdachte meerdere keren in aanraking is gekomen met de politie. Er zijn echter weinig risicofactoren en veel beschermende factoren aanwezig zijn die de kans op herhaling verkleinen. De Raad vindt het positief dat de verdachte de wens heeft geen antisociaal gedrag meer te laten zien en zich wil richten op zijn school en daarmee zijn toekomst. De verdachte laat al ruim twee jaar zien zich aan zijn schorsende voorwaarden te houden. De jeugdreclasseerder geeft aan dat de verdachte over het algemeen een positieve ontwikkeling heeft laten zien. Het is belangrijk dat de verdachte zich blijft focussen op zijn eigen toekomst door zich thuis aan de afspraken te houden, een positieve dagbesteding te hebben in de vorm van school en/of werk en afstand te houden van antisociale leeftijdsgenoten. Om hem daarbij te helpen is het belangrijk dat zijn ouders betrokken bij hem blijven.
De Raad is van mening dat een deels voorwaardelijke werkstraf vanuit pedagogisch oogpunt de meest wenselijke strafrechtelijke reactie is. Daarnaast adviseert de Raad ook een geheel onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, gelijk aan het voorarrest. De Raad is van mening dat een langere onvoorwaardelijke detentie zijn positieve ontwikkeling kan doorkruisen.
De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.
Tijdens de zitting heeft de jeugdreclasseerder van de verdachte, [naam 3], verklaard zich te kunnen vinden in het advies van de Raad. De jeugdreclasseerder heeft aangegeven dat hij het van belang vindt nog langer betrokken te blijven bij de verdachte zodat hij hem kan blijven motiveren om naar school te gaan.
7.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op wat de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank weegt het tijdsverloop van de behandeling van de strafzaak in zijn voordeel mee. Het feit is namelijk al lange tijd geleden gepleegd, waardoor een onvoorwaardelijke jeugddetentie onvoldoende pedagogisch effect zal hebben. Gelet op de adviezen van de deskundigen vindt de rechtbank het ook van belang om een voorwaardelijke straf met voorwaarden op te leggen.
Alles afwegend zal de rechtbank een onvoorwaardelijke jeugddetentie opleggen gelijk aan de duur van het voorarrest van 15 dagen. Dat betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de jeugdgevangenis. Daarnaast zal de rechtbank een forse voorwaardelijke jeugddetentie opleggen, met een proeftijd van 1 jaar. Dit voorwaardelijk strafdeel heeft als doel de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan dit voorwaardelijk strafdeel wordt ook een meldplicht gekoppeld, zodat de jeugdreclasseerder langer bij de verdachte betrokken kan blijven. Tot slot zal de rechtbank een onvoorwaardelijke werkstraf opleggen.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8.Vorderingen benadeelde partijen

[benadeelde partij 1]
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij 1], ter zake van het tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 350,00 aan materiële schade en een bedrag van € 2.066,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
[benadeelde partij 2]
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij 2], ter zake van het tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 1.418,77 aan materiële schade en een bedrag van € 508,36 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
[benadeelde partij 3]
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij 3], ter zake van het tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een onbekend bedrag aan materiële schade en een bedrag van € 200,00 aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
[benadeelde partij 4]
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij 4], ter zake van het tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 10.000,00 aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
[benadeelde partij 5]
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij 5], ter zake van het tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 3.000,00 aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.1.
Standpunt officier van justitie
[benadeelde partij 1]
De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering voorzover het de materiële schade betreft, omdat deze onvoldoende is onderbouwd. Het gevorderde bedrag aan immateriële schade dient te worden gematigd, omdat de vordering meerdere ontploffingen betreft. De vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van € 750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het overige dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.
[benadeelde partij 2]
De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering voorzover het de materiële schade betreft, omdat de gevorderde kosten moeilijk aan het strafbare feit zijn te relateren. Het gevorderde bedrag aan immateriële schade dient te worden gematigd, omdat de vordering meerdere ontploffingen betreft. De vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van € 300,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het overige dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.
[benadeelde partij 3]
De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering voorzover het de materiële schade betreft, omdat geen bedrag is ingevuld op de vordering. Het gevorderde bedrag aan immateriële schade dient te worden gematigd, omdat de vordering meerdere ontploffingen betreft. De vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van € 150,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het overige dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.
[benadeelde partij 4]
Het gevorderde bedrag aan immateriële schade dient te worden gematigd, omdat de vordering meerdere ontploffingen betreft. De vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van € 2.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het overige dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.
[benadeelde partij 5]
Het gevorderde bedrag aan immateriële schade dient te worden gematigd, omdat de vordering meerdere ontploffingen betreft. De vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van € 1.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het overige dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.
8.2.
Standpunt verdediging
De benadeelde partijen moeten primair niet-ontvankelijk worden verklaard vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair verzoekt de verdediging om de vorderingen te matigen, omdat alle vorderingen zien op vier ontploffingen, terwijl de verdachte alleen wordt vervolgd voor de ontploffing op 29 januari 2024.
8.3.
Beoordeling
[benadeelde partij 1]
De benadeelde partij zal in de vordering ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk worden verklaard, nu dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. Dit deel van de vordering kan daarom slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Wel is vast komen te staan dat de benadeelde partij door het bewezen feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment op basis van de gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 1.000,00. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Ook dit deel van de vordering kan daarom slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
[benadeelde partij 2]
De benadeelde partij zal in de vordering ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk worden verklaard, nu dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. Dit deel van de vordering kan daarom slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Wel is vast komen te staan dat de benadeelde partij door het bewezen feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment op basis van de gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 200,00. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Ook dit deel van de vordering kan daarom slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
[benadeelde partij 3]
De benadeelde partij zal in de vordering ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk worden verklaard, nu dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. Dit deel van de vordering kan daarom slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Wel is vast komen te staan dat de benadeelde partij door het bewezen feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment op basis van de gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 200,00.
[benadeelde partij 4]
Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment op basis van de gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 2.000,00. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan daarom slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
[benadeelde partij 5]
Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment op basis van de gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 1.000,00. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan daarom slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Wettelijke rente
De benadeelde partijen hebben gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat de te vergoeden schadebedragen vermeerderd worden met wettelijke rente vanaf 29 januari 2024.
Proceskosten
Nu de vorderingen van de benadeelde partijen deels zullen worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Hoofdelijke veroordeling
Nu de verdachte het strafbare feit samen met (een) mededader(s) heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader(s) de benadeelde partijen heeft/hebben betaald is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partijen van deze betalingsverplichting bevrijd.
8.4.
Conclusie
[benadeelde partij 1]
De verdachte moet de [benadeelde partij 1] een schadevergoeding betalen van € 1.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2024 en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Ook wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
[benadeelde partij 2]
De verdachte moet de [benadeelde partij 2] een schadevergoeding betalen van € 200,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2024 en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Ook wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
[benadeelde partij 3]
De verdachte moet de [benadeelde partij 3] een schadevergoeding betalen van € 200,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2024 en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Ook wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
[benadeelde partij 4]
De verdachte moet de [benadeelde partij 4] een schadevergoeding betalen van € 2.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2024 en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Ook wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
[benadeelde partij 5]
De verdachte moet de [benadeelde partij 5] een schadevergoeding betalen van € 1.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2024 en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Ook wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 47, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 157 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11.Beslissing

De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie
voor de duur van 65 (vijfenzestig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie,
50 (vijftig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op
1 (één) jaar;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende een door de gecertificeerde instelling te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de gecertificeerde instelling te bepalen tijdstippen zal melden, zo frequent en zo lang die instelling dat gedurende de proeftijd noodzakelijk acht en zijn medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken;
verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarde:
  • de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
  • de veroordeelde zal medewerking verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
geeft opdracht aan William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een
werkstrafvoor de duur van
60 (zestig)
uren;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van
30 (dertig) dagen;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader(s), om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij 1], te betalen een bedrag van
€ 1.000,00 (zegge: duizend euro), bestaande uit aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 29 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader(s) van de verdachte aan de [benadeelde partij 1], zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
verklaart de [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de [benadeelde partij 1] gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader(s)
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de [benadeelde partij 1] te betalen
€ 1.000,00(hoofdsom,
zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de [benadeelde partij 1], waaronder begrepen betaling door zijn mededader(s), tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader(s), om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij 2], te betalen een bedrag van
€ 200,00 (zegge: tweehonderd euro), bestaande uit aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 29 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader(s) van de verdachte aan de [benadeelde partij 2], zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
verklaart de [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de [benadeelde partij 2] gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader(s)
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de [benadeelde partij 2] te betalen
€ 200,00(hoofdsom,
zegge: tweehonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de [benadeelde partij 2], waaronder begrepen betaling door zijn mededader(s), tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader(s), om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij 3], te betalen een bedrag van
€ 200,00 (zegge: tweehonderd euro), bestaande uit aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 29 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader(s) van de verdachte aan de [benadeelde partij 3], zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
verklaart de [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de [benadeelde partij 3] gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader(s)
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de [benadeelde partij 3] te betalen
€ 200,00(hoofdsom,
zegge: tweehonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de [benadeelde partij 3], waaronder begrepen betaling door zijn mededader(s), tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader(s), om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij 4], te betalen een bedrag van
€ 2.000,00 (zegge: tweeduizend euro), bestaande uit aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 29 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader(s) van de verdachte aan de [benadeelde partij 4], zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
verklaart de [benadeelde partij 4] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de [benadeelde partij 4] gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader(s)
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de [benadeelde partij 4] te betalen
€ 2.000,00(hoofdsom,
zegge: tweeduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de [benadeelde partij 4], waaronder begrepen betaling door zijn mededader(s), tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader(s), om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij 5], te betalen een bedrag van
€ 1.000,00 (zegge: duizend euro), bestaande uit aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 29 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader(s) van de verdachte aan de [benadeelde partij 5], zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
verklaart de [benadeelde partij 5] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de [benadeelde partij 5] gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader(s)
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de [benadeelde partij 5] te betalen
€ 1.000,00(hoofdsom,
zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de [benadeelde partij 5], waaronder begrepen betaling door zijn mededader(s), tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S. Jordaan, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. D.I. Hendriks-van Wel en R. van der Wal, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.C. Suiker, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 mei 2026.
De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 29 januari 2024 te 's-Gravenhage,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
een ontploffing teweeg heeft gebracht door in een portiek van de [adres 2] een Cobra 6, althans een stuk (zwaar) vuurwerk, in aanraking te brengen met vuur en/of aan te steken,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten die portiek en/of de woningen, gelegen aan de [adres 2] en/of de in die woningen aanwezige goederen en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de in die woningen en/of omliggende woningen aanwezige personen
te duchten was;