ECLI:NL:RBROT:2026:6800

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
ROT 26/4282
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening afgewezen wegens niet-betaling griffierecht

Verzoeker heeft bij het CBR bezwaar gemaakt tegen een besluit waarbij hij werd verplicht een onderzoek naar zijn alcoholgebruik te ondergaan en zijn rijbewijs werd geschorst. Het CBR handhaafde dit besluit, waarna verzoeker beroep instelde en tevens een voorlopige voorziening vroeg.

De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek om voorlopige voorziening zonder zitting en stelde vast dat het griffierecht van € 200,- niet binnen de gestelde termijn was betaald. De griffier had verzoeker per aangetekende brief op 19 mei 2026 in de gelegenheid gesteld het griffierecht binnen twee weken te voldoen, maar betaling bleef uit zonder verontschuldiging.

Op grond van artikel 8:83, derde lid, Awb verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek daarom kennelijk niet-ontvankelijk en deed geen inhoudelijke uitspraak over het verzoek. Er werd ook geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/4282

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 juni 2026 in de zaak tussen

[naam verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. W.B. Lisi),
en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen(CBR), het CBR
(gemachtigde: mr. drs. M.M. Kleijbeuker).

Inleiding

1. Met het besluit van 24 december 2025 heeft het CBR bepaald dat verzoeker een onderzoek moet laten doen naar zijn alcoholgebruik en de geldigheid van verzoekers rijbewijs geschorst. Met het bestreden besluit van 9 maart 2026 op het bezwaar van verzoeker is het CBR bij dit besluit gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader
3. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. [1] In een zaak als deze is het griffierecht € 200,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
Heeft verzoeker het griffierecht tijdig betaald?
4. De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 19 mei 2026 verzoeker in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 21 mei 2026 om 11:28 uur is bezorgd op het adres van verzoekers gemachtigde en dat voor ontvangst is getekend. Verzoeker heeft het griffierecht niet op tijd betaald. Er is niet gebleken dat er een verontschuldiging is voor dit verzuim.

Conclusie en gevolgen

5. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2026.
De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te tekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit is geregeld in artikel 8:82 van Pro de Awb in samenhang met artikel 8:41 van Pro de Awb.