Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6798

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
C/10/718642 / JE RK 26-771
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 BWArt. 1:265b lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van ongeboren kind wegens ernstige veiligheidszorgen moeder

De gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering verzocht spoedig een machtiging tot uithuisplaatsing van een ongeboren kind, vanwege ernstige zorgen over de veiligheid van de moeder en het kind. De moeder is hoogzwanger en er bestaat een voorgeschiedenis van zorg- en politiemeldingen, waaronder huiselijk geweld, drugsgebruik en problematisch gedrag. De moeder werkt onvoldoende mee aan hulpverlening en vertoont geen probleembesef.

De moeder betwist de ernst van de situatie en stelt dat zij wel degelijk kan zorgen voor het kind, eventueel in een moeder-kindhuis. De rechtbank oordeelt echter dat plaatsing in een moeder-kindhuis momenteel niet passend of mogelijk is, mede door problematiek en wachtlijsten. Het kind zal na geboorte eerst in het ziekenhuis worden geobserveerd en vervolgens geplaatst in een gezinshuis waar ook de oudere kinderen verblijven.

De rechtbank verklaart het ongeboren kind als geboren in juridische zin en verleent een trajectmachtiging tot uithuisplaatsing tot 30 juni 2026. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak of betekening.

Uitkomst: De rechtbank verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van het ongeboren kind vanaf de geboorte tot 30 juni 2026 wegens ernstige zorgen over de veiligheid van de moeder en het kind.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/718642 / JE RK 26-771
Datum uitspraak: 24 april 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd in Amsterdam, hierna te noemen: de GI,
over
het ongeboren kind [ongeboren kind],
hierna te noemen: het ongeboren kind.
De rechtbank merkt als belanghebbende aan:
[moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. S. Ben Ahmed, kantoorhoudende in Rotterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 22 april 2026, door de rechtbank ontvangen op diezelfde datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat mr. S. Koçak (die waarneemt voor mr. S. Ben Ahmed);
  • twee vertegenwoordigers van de GI, [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] .

2.De feiten

2.1.
De moeder is zwanger van het ongeboren kind. Zij is uitgerekend op 9 mei 2026. Op 27 april 2026 staat de inleiding van de bevalling gepland.
2.2.
Het ongeboren kind is niet op voorhand erkend door de vader.
2.3.
Het ouderlijk gezag over het ongeboren kind zal (in beginsel) vanaf de dag van de geboorte van rechtswege worden uitgeoefend door de moeder.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 30 maart 2026 het ongeboren kind voorlopig onder toezicht gesteld tot 30 juni 2026.

3.Het (gewijzigde) verzoek

3.1.
De GI heeft het onderhavige verzoek ingediend als spoedverzoek. De GI verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing van het ongeboren kind in een pleeggezin te verlenen voor de duur van vier weken en daarop te beslissen zonder de belanghebbenden voorafgaand te horen. Daarnaast verzocht de GI aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van het ongeboren kind in een pleeggezin te verlenen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling
.
3.2.
De piketkinderrechter in deze rechtbank heeft geen beslissing genomen op het spoedverzoek van de GI, maar heeft bepaald dat het verzoek versneld op zitting moest worden behandeld.
3.3.
Tijdens de zitting heeft de GI het verzoek gewijzigd, in die zin dat wordt verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing van het ongeboren kind in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (gezinshuis) te verlenen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.

4.De standpunten

4.1.
De GI licht het verzoek ter zitting als volgt toe.
4.1.1.
Er bestaan ernstige zorgen over de veiligheid van de moeder, onder meer vanwege de contacten die zij onderhoudt en de mannen die bij haar over de vloer komen. De moeder lijkt geen probleembesef te hebben en legt de verantwoordelijkheid voor de ontstane situatie steeds buiten zichzelf. Daarnaast slaagt de moeder er niet in om met hulpverleningsinstanties samen te werken. Ook de mentor van de moeder is er niet in geslaagd haar te bewegen tot begeleid wonen, behandeling en samenwerking met het Leger des Heils, waarmee zij een woonzorgcontract heeft.
4.1.2.
De moeder is hoogzwanger. Vanwege het medicatiegebruik van de moeder zal het ongeboren kind na de geboorte minimaal 24 uur ter observatie in het ziekenhuis moeten verblijven. Kort voor de zitting is duidelijk geworden dat het ongeboren kind na de geboorte in het gezinshuis kan worden geplaatst waar ook de oudere twee kinderen van de moeder verblijven. Het voornemen is om vervolgens direct een intensieve omgangsregeling tussen de moeder en het kind vast te stellen. Daarnaast wil de GI samen met de moeder bodemeisen opstellen waaraan de moeder moet voldoen voordat wordt beoordeeld of het kind – op termijn – met de moeder kan worden geplaatst in een moeder-kindhuis of in de eigen woning van de moeder.
4.1.3.
Het is onjuist dat de GI heeft gesteld dat [moeder-kindhuis 1] niet passend is voor de moeder. Wel heeft de GI twijfels geuit over de geschiktheid van [moeder-kindhuis 1] , gelet op de problematiek van de moeder en de zorgen van het Leger des Heils met betrekking tot het vermogen van de moeder om op een groep te wonen. Daarbij komt dat [moeder-kindhuis 1] een wachtlijst heeft. Ook bij andere moeder-kindhuizen bestaan wachtlijsten van vier tot zes maanden.
4.1.4.
De GI is in het kader van een voogdijmaatregel ook betrokken bij de twee oudere kinderen van de moeder. Op het moment dat bij de GI bekend werd dat de moeder opnieuw zwanger was, heeft de GI een zogenoemde brusjesmelding gedaan. Via het Jeugdbeschermingsplein is vervolgens Intensieve Hulp (IH) ingezet. IH heeft geprobeerd met de moeder samen te werken, maar dit is niet gelukt. De Raad voor de Kinderbescherming heeft daarop een voorlopige ondertoezichtstelling van het ongeboren kind verzocht, die op 30 maart jl. is uitgesproken, waarna de GI betrokken is geraakt bij het ongeboren kind.
4.2.
Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI.
4.2.1.
De moeder vraagt zich af waarom de GI nu pas met het verzoek komt, terwijl zij bijna gaat bevallen. Het is juist dat de twee oudere kinderen van de moeder uit huis zijn geplaatst, maar de moeder wil niet dat dit leidt tot vooringenomenheid in de beoordeling van haar situatie. Volgens de moeder wordt ten onrechte gedacht dat zij werkzaam is in de (dwang)prostitutie, dit wordt enkel aangenomen omdat één keer mannen bij haar thuis zijn gezien. Het betrof volgens de moeder scholieren die bij haar thuis aan het chillen waren. Van andere aanwijzingen voor prostitutie is geen sprake. Ook de stelling dat het netwerk van de moeder onveilig zou zijn is volgens haar onvoldoende geconcretiseerd.
4.2.2.
De moeder heeft in het verleden een psychose gehad. Zij ontvangt nu wekelijks medicatie en heeft inmiddels al vijf jaar geen psychose meer gehad. Anders dan de GI stelt, werkt de moeder wel degelijk mee aan de hulpverlening. Vanwege haar zwangerschap had zij echter minder energie, waardoor het niet altijd eenvoudig was om aan alle verwachtingen te voldoen. De moeder heeft medio mei 2026 een afspraak bij de huisarts voor een doorverwijzing naar een psycholoog, met het oog op EMDR of een andere vorm van traumatherapie. Daarnaast heeft zij kraamzorg geregeld.
4.2.3.
Ook heeft de moeder voorgesteld om te worden geplaatst in [moeder-kindhuis 1] in [locatie] . De GI vindt dat echter niet passend, mede gelet op de zorgen van het Leger des Heils. Volgens de moeder is echter niet duidelijk gemaakt waarom het Leger des Heils haar niet (langer) geschikt vindt voor plaatsing in een moeder-kindhuis, waardoor het voor haar onmogelijk is deze zorgen gemotiveerd te betwisten. De moeder geeft aan dat het goed met haar gaat. Ze houdt haar woning schoon, doet boodschappen en heeft de babyuitzet aangeschaft. Het klopt dat er eerder problemen waren met de buren, maar volgens de moeder zijn deze problemen beëindigd sinds zij is verhuisd en de buren een contactverbod hebben gekregen.

5.De beoordeling

5.1.
De rechtbank kan een ongeboren kind als geboren beschouwen, als dit in zijn belang is. [1] Op basis van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat het ongeboren kind als geboren moet worden aangemerkt en dat een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. [2] De rechtbank legt hieronder uit waarom.
5.2.
Er bestaan ernstige zorgen over de veiligheid van de moeder en het ongeboren kind. De moeder heeft een belast verleden. Uit het gezinsplan van de GI volgt dat sinds 2017 veel zorg- en politiemeldingen zijn gedaan met betrekking tot de moeder. Deze meldingen gaan onder meer over huiselijk geweld, een vervuilde woning, drugsgebruik en overlast als gevolg van verward gedrag. Daarnaast is gebleken dat de moeder meermalen onderdak heeft geboden aan mannen die haar mogelijk in gevaar brengen. Verder is – zowel op haar vorige als haar huidige adres – sprake geweest van problemen met buren. Ook nu zijn de zorgen over de moeder onverminderd aanwezig. In januari 2026 heeft de politie een huisbezoek bij de moeder gedaan wegens signalen over (gedwongen) prostitutie terwijl zij zwanger is. Op het moment dat de politie aanbelde werd het licht uitgedaan en werd de deur niet opengedaan. De politie heeft de deur geopend en trof de moeder en een vriend aan. De vriend had een mes bij zich en is aangehouden op grond van de Wet Wapens en Munitie. Ook werd een hennepgeur geroken in de woning en lagen er geld en condooms op tafel. De medewerkers belast met de WMO hebben aangegeven dat de samenwerking met de moeder wisselend is, dat zij zichzelf niet kan voorzien van een goede dagstructuur, onvoldoende overzicht heeft over haar leven en dat een beschermde woonvorm wellicht beter bij de moeder past. Al met al is de situatie van de moeder te instabiel en onveilig om voor een jonge kwetsbare baby te zorgen.
5.3.
De moeder heeft de zorgen betwist dan wel de oorzaak daarvan buiten zichzelf gelegd. Zij is van mening dat zij zelf voor haar ongeboren kind kan zorgen, zo nodig in een moeder-kindhuis. De rechtbank overweegt echter dat plaatsing in een moeder-kindhuis op dit moment niet passend is en ook feitelijk niet mogelijk is. Volgens het moeder-kindhuis [moeder-kindhuis 2] van het Leger des Heils, waar de moeder eerder met haar oudere zoon heeft verbleven, is de moeder vanwege haar problematiek en houding niet geschikt voor verblijf op een groep. Daarnaast is van belang dat de moeder weliswaar heeft aangegeven dat zij bereid en in staat is om met de hulpverlening samen te werken, maar zij dat in het verleden onvoldoende heeft laten zien. De inzet van IH is niet van de grond gekomen doordat de moeder dit afhield en ook de samenwerking tussen de moeder en haar mentor verloopt moeizaam. Hoewel het positief is dat de moeder sinds kort meer openstaat voor contact met de hulpverlening, is deze ontwikkeling nog erg pril en is de vraag of dit voldoende is. In de komende periode zal moeten blijken of de moeder deze prille positieve lijn weet vast te houden en zich kan houden aan de bodemeisen die de GI in overleg met haar zal opstellen.
5.4.
De rechtbank verleent daarom een machtiging tot uithuisplaatsing van het ongeboren kind met ingang van de datum van geboorte tot 30 juni 2026. Ter zitting is gebleken dat het kind na de geboorte, en na een korte observatieperiode in het ziekenhuis, kan worden geplaatst in het gezinshuis waar ook de twee oudere kinderen van de moeder verblijven. Gelet op het voorgaande verleent de rechtbank een trajectmachtiging voor een uithuisplaatsing in het ziekenhuis, gevolgd door een uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder / gezinshuis.
5.5.
De rechtbank zal de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals verzocht. Dit betekent dat de beslissing direct geldt, ook als daartegen hoger beroep wordt ingesteld.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
beschouwt het ongeboren kind als geboren;
6.2.
verleent een trajectmachtiging tot uithuisplaatsing van het ongeboren kind in het ziekenhuis, gevolgd door een plaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder / gezinshuis, met ingang van de datum waarop het ongeboren kind wordt geboren, tot 30 juni 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad
6.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026 door mr. N. Doorduijn, voorzitter en tevens kinderrechter, mr. A.L Pöll en mr. R. van der Wal, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. M.M.C. van der Knaap als griffier, en op schrift gesteld op 6 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:2 Burgerlijk Pro Wetboek (BW).
2.Artikel 1:265b, eerste lid, BW.