Uitspraak
1.Tenlastelegging
- een of meer anderen benaderd en/of (een) ontmoeting(en) gehad en/of (vervolgens) medegedeeld dat een persoon (genaamd [naam 1] ) om het leven gebracht moest worden en/of
- een of meer anderen een aanzienlijke geldelijke beloning in het vooruitzicht gesteld voor het om het leven brengen van een persoon (genaamd [naam 1] ) en/of - een of meer andere(n) informatie verstrekt over de woonplaats en/of verblijfplaats en/of gewoonte(n) en/of gebruiken van die persoon (genaamd [naam 1] ).
- een of meer anderen benaderd en/of (een) ontmoeting(en) gehad en/of (vervolgens) medegedeeld dat een persoon genaamd [naam 1] om het leven gebracht moest worden en/of
- een of meer anderen een aanzienlijke geldelijke beloning in het vooruitzicht gesteld voor het om het leven brengen van [naam 1] en/of
- een of meer andere(n) informatie verstrekt over de woonplaats en/of verblijfplaats en/of gewoonte(n) en/of gebruiken van [naam 1] .
2.Bewijswaardering
Inleiding
[naam 2]
[naam 3]
begrependat de verdachte de opdracht zou hebben gegeven om [naam 1] dood te schieten. Met deze ontkleuring blijft van de bewijskracht van de verklaring van [naam 3] al heel weinig over.
[naam 4]
‘ [verdachte] opdrachte gever [naam 6] uitvoerder. Dat is mijn info en [verdachte] heeft persoonlijk verteld om mij te intimideren’zien op de liquidatie van [naam 7] . ‘ [naam 8] ’ vraagt namelijk pas daarna of dezelfde schutter ook op [slachtoffer ] heeft geschoten. [naam 4] zegt dan dat hij dat niet weet, maar dat
‘ [verdachte] sowieso opdracht heeft gegeven ivm zijn ruzie met [naam 1]’. De rechtbank leest daarin slechts dat [naam 4] de verdachte verdenkt als opdrachtgever van de moord omdat hij daarvoor een motief heeft. Daar komt bij dat uit het gesprek blijkt dat [naam 4] graag wil dat ‘ [naam 8] ’ zijn vrouw en dochter bescherming biedt en dat ‘ [naam 8] ’ hem onder druk zet om in ruil daarvoor informatie te verstrekken. Daarmee dringt de vraag zich op of deze informatie überhaupt betrouwbaar is. Van een rechtstreekse bekentenis van de verdachte tegenover [naam 4] rept dit Whatsapp-gesprek in elk geval niet.
‘dat heb tie tegen mij gezegd’. Ook hier volgt uit de uitwerking van het gesprek dat [naam 4] dit zegt over de liquidatie van [naam 7] . Pas daarna komt ook in dat gesprek de moord op [slachtoffer ] aan de orde. Dan zegt [naam 4] nogmaals dat de verdachte die op zijn geweten heeft, maar niet dat hij dit rechtstreeks van de verdachte heeft gehoord. Dat ‘ [naam 9] ’ bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat [naam 4] het van de verdachte zelf heeft gehoord, legt nauwelijks gewicht in de schaal, nu daarover in het geheel niet is doorgevraagd. Zo is niet duidelijk wanneer [naam 4] dit aan hem zou hebben verteld. Goed mogelijk is dat ‘ [naam 9] ’ dezelfde vergissing heeft gemaakt als de officieren van justitie en de uitspraak van [naam 4]
‘dat heb tie tegen mij gezegd’ten onrechte aan deze moord heeft gekoppeld. Daar komt nog bij dat [naam 4] zelf over het gesprek met ‘ [naam 9] ’ heeft verklaard dat het een gestuurd gesprek was vanuit de TCI en dat hij benieuwd was hoe de rechter hier naar zou kijken. De rechtbank leidt hier uit af dat er tenminste vraagtekens zijn te plaatsen bij het waarheidsgehalte van die verklaring.
[naam 5] en de anonieme bedreigde getuige
heeft gehoord’dat de verdachte opdrachtgever zou zijn van de moord. Van wie, hoe en waar hij dat dan heeft gehoord en hoe betrouwbaar die boodschap is geweest, is niet duidelijk. Daar is de getuige overigens ook niet over bevraagd.
Andere getuigen