ECLI:NL:RBROT:2026:6761

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
11562860 CV EXPL 25-4370
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 6:101 BWArt. 6:83 BWArt. 6:96 BWArt. 6:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid voor festivalmishandeling met toekenning schadevergoeding

Op 2 september 2023 vond op een festival in Rotterdam een incident plaats waarbij gedaagde eiser zonder aanleiding sloeg, wat leidde tot ernstig tandletsel. Gedaagde erkende de klap maar beriep zich op noodweer, stellende dat eiser hem eerst aanviel door hem bij de nek te grijpen. De rechtbank oordeelde dat dit niet is komen vast te staan, mede gelet op getuigenverklaringen, politieverklaringen en een onherroepelijke strafbeschikking wegens mishandeling.

De rechtbank stelde vast dat gedaagde onrechtmatig handelde en aansprakelijk is voor de schade van eiser. De schadeposten omvatten medische kosten, inkomensverlies, toekomstige tandheelkundige kosten en smartengeld. De rechtbank wees een deel van het inkomensverlies toe, wees reis- en parkeerkosten af wegens onvoldoende onderbouwing, en kende smartengeld toe op basis van de Rotterdamse schaal en de Letsellijst Geweldsmisdrijven.

Het beroep op eigen schuld door gedaagde werd verworpen omdat niet is gebleken dat eiser de confrontatie startte. Daarnaast werden buitengerechtelijke incassokosten deels toegewezen conform wettelijke normen. De wettelijke rente werd toegekend vanaf 5 augustus 2024 over de hoofdsom en vanaf veertien dagen na het vonnis over incassokosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde is aansprakelijk en moet eiser een schadevergoeding van €5.616,01 plus incassokosten, proceskosten en rente betalen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11562860 CV EXPL 25-4370
datum uitspraak: 12 juni 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: [woonplaats 1],
eiser,
gemachtigde: mr. M.H. Cassa,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats 2],
gedaagde,
gemachtigde: mr. S.G.H. Langeweg.
Partijen worden hierna ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 10 februari 2025, met bijlagen;
  • het antwoord, met bijlage;
  • de nadere producties van [eiser] van 6 februari 2026.
1.2.
Op 17 maart 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken met partijen en hun gemachtigden.

2.De kern van de zaak

2.1.
Volgens [eiser] heeft [gedaagde] hem op 2 september 2023 op een festival in Rotterdam zonder aanleiding geslagen waardoor hij ernstig tandletsel en andere schade heeft opgelopen. Hij eist daarom op grond van onrechtmatige daad betaling van € 6.727,70 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente, € 2.199,18 aan buitengerechtelijke kosten en proceskosten. [gedaagde] is het hier niet mee eens. Hij erkent dat hij heeft geslagen, maar voert aan dat hij zichzelf moest verdedigen (noodweer) omdat hij eerst door [eiser] bij zijn nek werd gegrepen.

3.De beoordeling

Onrechtmatig handelen
3.1.
Tussen partijen is in geschil of [gedaagde] uit onrechtmatige daad aansprakelijk is voor de door [eiser] gestelde schade als gevolg van het incident op 2 september 2023. Om te kunnen spreken van een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) en een plicht tot schadevergoeding, moet de kantonrechter eerst beoordelen of sprake was onrechtmatig handelen door [gedaagde].
3.2.
Vast staat dat op 2 september 2023 een incident tussen [eiser] en [gedaagde] heeft plaatsgevonden. [gedaagde] heeft erkend dat hij [eiser] op enig moment een klap heeft gegeven. Hiermee heeft [gedaagde] de lichamelijke integriteit van [eiser] geschonden en zich in beginsel onrechtmatig gedragen jegens [eiser]. Van onrechtmatig handelen is echter geen sprake indien vast komt te staan dat voor het handelen van [gedaagde] een rechtvaardigingsgrond bestond (artikel 6:162 lid 2 BW Pro). [gedaagde] heeft aangevoerd dat zo’n rechtvaardigingsgrond aanwezig is, omdat hij heeft gehandeld uit noodweer. Hiervoor moet aangenomen kunnen worden dat de klap van [gedaagde] noodzakelijk was om zijn lijf, eerbaarheid of goed te verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door [eiser]. Het is aan [gedaagde] om in dit verband het nodige naar voren te brengen.
3.3.
[gedaagde] heeft aan zijn beroep op noodweer ten grondslag gelegd dat [eiser] als eerste de confrontatie op zocht en hem aanviel. Tijdens de zitting heeft [gedaagde] dit aangevuld met de stelling dat [eiser] zijn nek greep en hem sloeg. Ter onderbouwing hiervan heeft [eiser] een schriftelijke verklaring van [naam 1] van 15 maart 2026 overgelegd, waarin staat vermeld dat [naam 1] zag dat [eiser] [gedaagde] bij de nek greep en enkele malen naar hem uithaalde. Ook heeft [gedaagde] foto’s van zichzelf overgelegd, waaruit volgens hem blijkt dat hij letsel heeft opgelopen.
3.4.
In reactie op het beroep op noodweer heeft [eiser] aangevoerd dat [gedaagde] hem eerst uit het niets heeft geslagen. [eiser] heeft [gedaagde] pas op een later moment – namelijk toen [eiser] na de klap achter [gedaagde] aan rende en dus ook op een andere locatie – bij de nek gegrepen. [eiser] heeft dit onderbouwd met zijn aangifte, waarin hij over deze twee verschillende momenten heeft verklaard en hierbij heeft benoemd dat [naam 1] bij het tweede moment aanwezig was. Overigens gaat ook [gedaagde] in de conclusie van antwoord uit van twee verschillende momenten, waarbij [eiser] tijdens het tweede moment [gedaagde] in een soort nekklem heeft gehouden. Verder heeft [eiser] de door hem gestelde feitelijke gang van zaken onderbouwd met twee processen-verbaal. Hierin zijn de verklaringen van twee getuigen opgenomen die bevestigen dat [gedaagde] [eiser] “gelijk” en “uit het niets” sloeg in (de richting van) het gezicht. Hieruit volgt dus niet dat [eiser] [gedaagde] voorafgaand aan de klap bij de nek heeft gegrepen en hem heeft geslagen. Het gestelde noodweer blijkt ook niet uit de door [eiser] overgelegde verklaring van getuige (en vriend van [gedaagde]) [naam 2] die hij bij de politie heeft afgelegd. [naam 2] heeft verklaard dat hij alleen heeft gezien dat [eiser] [gedaagde] vast had en dat hij niet heeft gezien wat er daarvoor is gebeurd.
3.5.
Tot slot heeft [eiser] nog gewezen op de geldboete van € 1.000,00 die de officier van justitie via een strafbeschikking aan [gedaagde] voor mishandeling heeft opgelegd. Vast staat dat de officier van justitie het noodweerverweer tijdens de zogenaamde OM-hoorzitting waarin de strafbeschikking werd opgelegd, heeft verworpen. De strafbeschikking is op 23 december 2023 onherroepelijk geworden, omdat [gedaagde] deze – naar eigen zeggen vanwege proceseconomische redenen – heeft geaccepteerd. Weliswaar heeft deze strafbeschikking niet net als een vonnis van de strafrechter dwingende bewijskracht, maar gelet op de wetsgeschiedenis van de strafbeschikking wordt wel verwacht dat een civiele rechter aan een onherroepelijke strafbeschikking meer dan gemiddelde bewijskracht zal toekennen.
3.6.
Gelet op deze uitgebreide en onderbouwde betwisting van de gestelde noodweersituatie had van [gedaagde] mogen worden verwacht dat hij was ingegaan op de stelling dat het grijpen bij de nek door [eiser] pas ruimschoots na de klap van [gedaagde] heeft plaatsgevonden of dat hij zijn beroep op noodweer op andere wijze (beter) had onderbouwd. [gedaagde] kan niet volstaan met het overleggen van een enkele verklaring en de genoemde foto’s. De foto’s van het gestelde letsel bieden net als de eerder besproken verklaring van [naam 1] – in het licht van de betwisting van [eiser] – onvoldoende steun voor het noodweerscenario van [gedaagde]. Het gestelde letsel is hierop lastig te zien en kan bovendien ook goed passen bij de worsteling tijdens het tweede moment.
3.7.
Dat betekent dat het door [gedaagde] gestelde noodweer, in het licht van de betwisting door [eiser] (inclusief de overgelegde stukken en de opgelegde strafbeschikking), niet is komen vast te staan. [gedaagde] heeft gelet op het voorgaande ook onvoldoende gesteld om tot bewijslevering te worden toegelaten.
Schade en het causale verband
3.8.
Nu sprake is van een aan [gedaagde] toerekenbare onrechtmatige daad, is [gedaagde] verplicht de schade die [eiser] door die onrechtmatige daad lijdt, te vergoeden. [eiser] stelt dat hij als gevolg van de mishandeling ernstig tandletsel heeft opgelopen en daardoor de volgende materiële en immateriële schade heeft:
  • medische kosten (tandarts) van € 849,70;
  • verlies van verdienvermogen van € 1.053,00;
  • reis- en parkeerkosten van € 75,00;
  • toekomstige medische kosten van € 2.415,31;
  • immateriële schade van € 2.000,00.
3.9.
[gedaagde] heeft de meeste schadeposten en het causale verband tussen de schade en de onrechtmatige daad betwist. Hierna zal worden ingegaan op de verschillende schadeposten en het causale verband met het onrechtmatige handelen van [gedaagde].
Medische kosten van € 849,70
3.10.
[gedaagde] heeft tijdens de zitting verklaard dat hij zijn verweer tegen de medische kosten niet langer handhaaft gelet op de aanvullende verklaring van de tandarts. Het gevorderde bedrag van € 849,70 aan medische kosten wordt daarom toegewezen.
Verlies van verdienvermogen van € 351,00
3.11.
[eiser] heeft gesteld dat hij als gevolg van het letsel op 8 en 9 september 2023 niet kon werken als zelfstandig ondernemer. Daarnaast heeft hij door afspraken met de tandarts en de politie bepaalde uren niet kunnen werken. In totaal betreft het 27 gemiste uren à € 39,00 netto (€ 60,00 bruto), zodat het verlies van verdienvermogen € 1.053,00 bedraagt. [gedaagde] heeft deze schade op meerdere punten betwist. Uit de overgelegde stukken blijkt volgens hem onder meer niet dat [eiser] tijdens de betreffende dagen/uren daadwerkelijk opdrachten had die zijn geannuleerd, waardoor hij inkomsten zou hebben gemist.
3.12.
Naar aanleiding van de betwisting heeft [eiser] nog een aangifte inkomstenbelasting uit 2023 overgelegd alsmede een verklaring van zijn opdrachtgevers in die periode. In deze verklaring wordt bevestigd dat hij daadwerkelijk afspraken had in de periode na de mishandeling. Verder blijkt hieruit dat een aantal afspraken daadwerkelijk is geannuleerd en dat het uurtarief € 60,00 bruto bedroeg. Dat betekent dat voor die uren (2 uur op 4 september 2023, 4 uur op 7 september 2023, 3 uur op 13 oktober 2023) de vordering voldoende is onderbouwd en kan worden vastgesteld. Een bedrag van € 351,00 (9 uur à € 39,00 netto) zal daarom worden toegewezen. Gelet op de betwisting is onvoldoende onderbouwd dat [eiser] ook door de verplaatste afspraken verlies van inkomen heeft gehad. [eiser] heeft slechts in algemene zin gesteld dat hij daardoor geen (andere) opdrachten kon verrichten. Gelet op de uitgebreide betwisting had van hem gevergd mogen worden dat hij dit gedeelte nader had onderbouwd, bijvoorbeeld door stukken met daarin een vergelijking van zijn inkomsten na de mishandeling met zijn inkomsten in een andere overeenkomstige periode. Het resterende deel van de vordering zal daarom worden afgewezen.
Geen reis- of parkeerkosten
3.13.
[eiser] heeft gesteld dat hij verschillende afspraken heeft gehad, waaronder bij de tandarts en het politiebureau. Dit heeft geleid tot reis- en parkeerkosten. Hiervoor wordt een bedrag van € 75,00 gevorderd. [gedaagde] heeft dit bedrag betwist. Hoe dit bedrag is berekend, is niet nader gespecifieerd. Ook na de betwisting heeft [eiser] niet verder inzicht gegeven in hoe dit bedrag tot stand is gekomen; er is slechts in algemene zin verwezen naar De Letselschade Richtlijn Kilometervergoeding. Het bedrag wordt daarom afgewezen.
Toekomstige medische schade van € 2.415,31
3.14.
[eiser] heeft gesteld dat vanwege de loszittende tand in de toekomst nog tandheelkundige kosten van € 2.415,31 moeten worden gemaakt voor het plaatsen van een implantaat. Ter onderbouwing heeft [eiser] een kostenbegroting van de tandarts overgelegd. Nadat [gedaagde] deze kosten en het causale verband hiervan had betwist, heeft [eiser] een verklaring van de tandarts ingebracht waarin de tandarts heeft verklaard dat het implantaat medisch noodzakelijk is en een direct gevolg is van het tandtrauma dat door de mishandeling was veroorzaakt. [gedaagde] heeft hier vervolgens niets tegenover gesteld, zodat ook dit bedrag zal worden toegewezen.
Immateriële schade van € 2.000,00
3.15.
[eiser] vordert een bedrag van € 2.000,00 aan smartengeld. [eiser] heeft aangevoerd dat hij ernstig tandletsel heeft opgelopen, waardoor hij zich onder behandeling van een tandarts moest stellen. Naast pijnklachten heeft [eiser] hierdoor bijna anderhalve maand vloeibaar voedsel moeten eten en moest daarom veel thuis zijn. Ondanks behandelingen heeft [eiser] nog steeds een los zittende tand, waardoor hij moeite heeft met eten. Daarnaast was de mentale impact van het incident groot. [eiser] is onder meer angstig in grote menigten. [gedaagde] heeft betwist dat het bedrag van € 2.000,00 billijk is. Op grond van de letsellijst van het Schadefonds Geweldsmisdrijven is volgens hem een bedrag van € 1.000,00 passender, omdat het letsel in categorie 1 past.
3.16.
Smartengeld is een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor ander nadeel dan vermogensschade. Dit is onder meer mogelijk in geval van lichamelijk letsel waarvan hier sprake is (artikel 6:106 lid 1 aanhef Pro en onder b BW). Bij de begroting van smartengeld moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, zoals de aard van de aansprakelijkheid, de aard en de ernst van het toegebrachte letsel en de mate waarin het slachtoffer daardoor is getroffen. Verder zal rekening moeten worden gehouden met de bedragen aan smartengeld die rechters in Nederland in vergelijkbare gevallen hebben toegewezen.
3.17.
Onder verwijzing naar het voorgaande, waaronder de verklaringen bij de politie, is vastgesteld dat [gedaagde] [eiser] in het gezicht heeft geslagen. In combinatie met de verklaringen van de tandarts kan worden vastgesteld dat het tandletsel, de pijn en de overige gevolgen zijn veroorzaakt door deze mishandeling. Gelet op de beschreven aard, duur en ernst van het letsel en de gevolgen daarvan wordt een bedrag van € 2.000,00 aan smartengeld billijk geacht. De kantonrechter heeft hierbij in de eerste plaats aansluiting gezocht bij de ‘Rotterdamse schaal’ [1] in samenhang met de ‘Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW Pro [2] . De Rotterdamse schaal is een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen op basis van rechtspraak en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding. De kantonrechter heeft daarbij rekening gehouden met het gegeven dat de daarin genoemde bedragen een indicatie zijn van het smartengeldpeil medio 2025, terwijl de mishandeling plaatsvond in 2023. Bij verlies of ernstige beschadiging van één voortand zijn bedragen tussen € 1.500,00 tot € 2.000,00 gangbaar. Gelet op het feit dat niet is betwist dat [eiser] anderhalve maand vloeibaar voedsel heeft moeten eten, ligt het bedrag van € 2.000,00 daarom meer voor de hand. Ook wanneer de Letsellijst Schadefonds Geweldsmisdrijven hierbij wordt betrokken, zoals partijen hebben gedaan, is de conclusie dat dat bedrag billijk is. De door [gedaagde] genoemde categorie 1 voor gebitsletsel lijkt niet passend, want een implantaat voor de voortand is noodzakelijk. Op basis van de Letsellijst Schadefonds Geweldsmisdrijven die in 2023 gold, is categorie 2 met een bedrag van € 2.500,00 daarom passender. Gelet op het voorgaande zal het gevorderde bedrag van € 2.000,00 dan ook worden toegewezen.
Eigen schuld
3.18.
Ten aanzien van de schade voert [gedaagde] tot slot aan dat sprake is van eigen schuld, waardoor de verschillende schadeposten verminderd moet worden met 50%. Volgens [gedaagde] was het [eiser] die provocerend gedrag vertoonde door hem als eerste een klap te geven en bij de nek te grijpen.
3.19.
Artikel 6:101 BW Pro geeft als uitgangspunt dat de schade over de benadeelde en de aansprakelijke wordt verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Als de billijkheid het vereist wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval, kan een andere verdeling plaatsvinden, of de vergoeding geheel vervallen of in stand blijven.
3.20.
Aangezien [gedaagde] zich beroept op vermindering van zijn vergoedingsplicht rusten de stelplicht en bewijslast van de feiten die hij daartoe aanvoert. Hierin is [gedaagde] niet geslaagd. Uit de verwerping van beroep op noodweer volgt dat niet is komen vast te staan dat [eiser] [gedaagde] eerst bij de nek heeft gegrepen of heeft geslagen. Dat betekent dat de toegewezen schade niet mede het gevolg is van een omstandigheid die aan de schuld van [eiser] is te wijten dan wel voor zijn risico komt. Dat betekent dat de eerder genoemde schadeposten niet zullen worden verminderd.
Buitengerechtelijke kosten
3.21.
[eiser] vordert een bedrag van € 2.199,18 en heeft ter zitting gesteld dat dit kosten zijn ter vaststelling van aansprakelijkheid en schade (artikel 6:96 lid 2 sub b BW Pro). De kantonrechter volgt hem hierin niet. De verrichte werkzaamheden (waaronder het herhaaldelijk rappelleren na aansprakelijkstelling) vallen onder reguliere buitengerechtelijke incassohandelingen. Daarbij komt dat [eiser] tijdens de zitting heeft uitgelegd dat de dagvaardingskosten van € 146,36 ten onrechte in het geëiste bedrag zijn opgenomen. Hoewel niet direct van toepassing, geldt dat de tarieven die zijn weergegeven in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, in dit geval worden geacht redelijk te zijn. Bij een hoofdsom van € 5.616,01 hoort een maximaal tarief van € 793,52 (inclusief btw) aan incassokosten. Voor de buitengerechtelijke kosten wordt daarom een bedrag van € 793,52 toegewezen.
Wettelijke rente
3.22.
[eiser] vordert de wettelijke rente over de gevorderde hoofdsom. Omdat de aansprakelijkheid van [gedaagde] voortvloeit uit onrechtmatige daad, is de schadevergoeding direct opeisbaar op het moment dat de schade is ingetreden en is [gedaagde] vanaf dat moment in verzuim (artikel 6:83 sub b BW Pro). [eiser] heeft de wettelijke rente over de hoofdsom gevorderd vanaf 5 augustus 2024. Aangezien deze datum na de onrechtmatige daad ligt, is deze vordering toewijsbaar. De wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro) zal daarom worden toegewezen over het totale toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schade van € 5.616,01 met ingang van 5 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling.
3.23.
De wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis, zoals door [eiser] is gevorderd.
Proceskosten
3.24.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen op € 146,36 aan dagvaardingskosten, € 257,00 aan griffierecht, € 720,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 360,00) en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.267,36. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.25.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.616,01, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag met ingang van 5 augustus 2024 tot de dag dat volledig is betaald;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 793,52 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.267,36 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst af het anders of meer gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F.A. Hut en in het openbaar uitgesproken.
53954

Voetnoten

1.rotterdamseschaal.nl en [naam 3], [naam 4], [naam 5] & [naam 6], De Rotterdamse schaal. Ordening van smartengeldbedragen bij lichamelijk letsel en andere persoonsaantastingen, Research Memoranda 2025-4 (