Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6755

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
C/10/705547 / FA RK 25-6469
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:247 BWArt. 1:253c lid 4 BWArt. 798 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouding verzoek gezagsbevoegde vader en toewijzing hoofdverblijfplaats minderjarigen

De rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek van de vader om het eenhoofdig gezag over zijn minderjarige kinderen over te nemen van de voogd, een gecertificeerde instelling. De moeder, die niet het gezag heeft, werd als belanghebbende aangemerkt en de verzorgende stiefouder als informant. De rechtbank besloot het verzoek om gezag aan te houden vanwege de noodzaak van nader onderzoek naar een mogelijke ondertoezichtstelling en de omgang tussen moeder en kinderen.

De vader kreeg wel alvast de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen toegewezen, omdat de moeder zich niet tegen dit verzoek verzette en het in het belang van de kinderen was. De rechtbank benadrukte dat de kinderen een stabiele opvoedsituatie bij de vader en zijn partner hebben, maar dat het contact met de moeder problematisch is en hulpverlening vereist.

De raad voor de kinderbescherming wordt verzocht een uitgebreid onderzoek te doen naar de noodzaak van een ondertoezichtstelling, de omgangsregeling en het gezag. De zaak wordt aangehouden tot uiterlijk 1 maart 2027, waarna verdere procedurele stappen worden genomen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en er is mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitkomst: Hoofdverblijfplaats toegewezen aan vader, gezagsverzoek aangehouden voor nader onderzoek.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/705547 / FA RK 25-6469
Beschikking van 22 mei 2026 over het gezag en de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen
in de zaak van:
[naam man], hierna: de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. J.J.C. Engels te Heerhugowaard.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, hierna: de GI,
gevestigd te Amsterdam,
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. F. Pool te Rotterdam.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[naam 1], hierna: [naam 1],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de verwijsbeschikking van de rechtbank Amsterdam van 22 augustus 2025 met daarbij het verzoekschrift met bijlagen van de man van 6 augustus 2025;
  • het bericht met bijlagen van de man van 22 september 2025;
  • het bericht met bijlagen van de man van 6 november 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 21 april 2026. Daarbij zijn verschenen:
  • de man, bijgestaan door mr. C. Guzel als waarnemend advocaat;
  • de GI, vertegenwoordigd door [naam 2];
  • de vrouw, bijgestaan door mr. N. Schiettekatte als waarnemend advocaat;
  • [naam 1];
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam 3].
1.3.
De oudste minderjarige is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft haar mening schriftelijk kenbaar gemaakt.
2. De vaststaande feiten
2.1.
De man en de vrouw zijn de ouders van de [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2016 te [geboorteplaats].
2.2.
Uit een andere relatie van de vrouw is op [geboortedatum 2] 2018 de [minderjarige 2]
geboren te [geboorteplaats].
2.3.
De man heeft beide minderjarigen erkend op 23 november 2021.
2.4.
Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 30 augustus 2022 is het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van de vrouw beëindigd en is de GI benoemd tot voogd. Deze beschikking is door het gerechtshof Den Haag bekrachtigd op 25 januari 2023.

3.De beoordeling

3.1.
Belanghebbende of informant?
3.1.1.
Artikel 798 Rv Pro bepaalt wie in zaken betreffende het personen- en familierecht, niet zijnde scheidingszaken, belanghebbende is. Lid 1 bepaalt dat belanghebbend is degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. Degene die niet de ouder is en de minderjarige op wie de zaak betrekking heeft gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, wordt aangemerkt als belanghebbende.
3.1.2.
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw als belanghebbende moet worden aangemerkt. Haar recht bij omgang met en informatie over de minderjarigen wordt rechtstreeks geraakt door toe- of afwijzing van de verzoeken van de man. Het is immers ofwel de voogd met wie zij te maken heeft als het gaat om het verkrijgen van informatie en het contact met de minderjarigen ofwel de man. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw recht heeft op de processtukken, verweer mag voeren en bij toewijzing van het verzoek van de man, hoger beroep moet kunnen instellen tegen die uitspraak om haar rechten veilig te stellen.
3.1.3.
[naam 1] is geen juridisch ouder maar de minderjarigen behoren al wel ten minste een jaar tot het gezin van haar en de man. Omdat de tweede zin van artikel 798 lid 1 Rv Pro ziet op pleegouders en niet op stiefouders, zal de rechtbank haar als informant aanmerken. De rechtbank ziet niet in waarom [naam 1] bij afwijzing van het verzoek van de man recht heeft om daartegen hoger beroep in te stellen, enkel omdat zij een relatie heeft met de man en de minderjarigen door haar mede worden verzorgd en opgevoed.
3.2.
Gezag
3.2.1.
De man verzoekt te bepalen dat het huidige regime van voogdij van de betrokken GI gewijzigd zal worden in die zin dat hij voortaan zal worden belast met het eenhoofdig
gezag over de minderjarigen.
3.2.2.
De GI betoogt achter het verzoek van de man te kunnen staan. Ze legt daaraan ten grondslag dat de man al langer dan een jaar voor de minderjarigen zorgt en dat zij zich goed ontwikkelen. De minderjarigen krijgen structuur en voorspelbaarheid aangeboden en er wordt ingezet op contact met de familie van de vrouw. Ook de hulp die de GI noodzakelijk acht voor de minderjarigen wordt door de man geaccepteerd. De enige zorg van de GI ziet op het contact tussen ouders onderling en tussen de vrouw en de minderjarigen. De GI zou om die reden betrokken willen blijven middels een ondertoezichtstelling. Een neutrale partij is van belang voor het contact tussen moeder en de minderjarigen. Om die reden meent de GI dat het verzoek van de man moet worden aangehouden in afwachting van een ondertoezichtstelling dan wel hulpverlening in het vrijwillig kader. De raad sluit zich hierbij aan.
3.2.3.
De vrouw voert gemotiveerd verweer. Hoewel toewijzing van het verzoek aansluit bij de feitelijke situatie, maakt de vrouw zich zorgen over haar rol in het leven van de minderjarigen als de GI niet meer de voogdij heeft. Een ondertoezichtstelling heeft het voordeel dat het contact tussen de vrouw en de minderjarigen wordt vormgegeven en dat het contact tussen partijen in goede banen wordt geleid, aldus de vrouw.
3.2.4.
Op grond van artikel 1:253c lid 4 BW wordt wanneer niet in het gezag is voorzien of wanneer een voogd het gezag uitoefent, het verzoek om de tot het gezag bevoegde ouder, bedoeld in het eerste lid, alleen met het gezag te belasten slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.
3.2.5.
De rechtbank zal het verzoek van de man aanhouden in afwachting van een onderzoek naar de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel (ondertoezichtstelling), het gezag en de omgang. De rechtbank legt hieronder uit waarom.
De minderjarigen hebben veel wisselingen in hun opvoedsituatie meegemaakt. In 2020 hebben zij een aantal maanden in een crisispleeggezin gewoond en vervolgens aansluitend ruim vijf jaar bij hun oma van moederszijde. Op enig moment is oma ziek geworden en zijn de minderjarigen tijdelijk bij de man geplaatst. In januari 2025 is de oma van moederszijde overleden. De minderjarigen ontwikkelen zich zo goed bij de man en zijn nieuwe partner dat de minderjarigen daar kunnen blijven.
De man zou eigenlijk ‘beloond’ moeten worden voor het feit dat hij de verzorging en opvoeding van de minderjarigen met [naam 1] zo goed doet door zijn verzoek om hem met het gezag te belasten toe te wijzen. De rechtbank heeft evenwel zorgen over wat dit zou betekenen voor het weer opstarten van het contact tussen de vrouw en de minderjarigen. Nu het verzoek van de man toewijzen, zou betekenen dat hij gelet op artikel 1:247 BW Pro gehouden is het contact tussen de vrouw en de minderjarigen te bevorderen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man aangegeven dat zijn hoofd en zijn hart met betrekking tot het contact tussen de vrouw en de minderjarigen iets anders zeggen: zijn hoofd weet dat de minderjarigen recht hebben op contact met hun moeder en hij staat daar ook welwillend tegenover. Maar zijn hart heeft te maken met het effect op de minderjarigen als hun moeder de afspraken niet nakomt of als zij ontregeld terugkomen. Hij moet hen ook beschermen, aldus de man. De rechtbank is van oordeel dat daarbij hulpverlening noodzakelijk is, ook vanwege het (ontbreken van) contact tussen ouders. Die hulpverlening zou er niet zijn op het moment dat de rechtbank het verzoek van de man toewijst. De rechtbank acht het te risicovol dit nu aan partijen zelf over te laten. In die zin bestaat er een gegronde vrees dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd in de zin van voormeld artikel.
De rechtbank zal de raad ook vragen om onderzoek te doen naar het gezag omdat de voogd tijdens de mondelinge behandeling heeft aangegeven dat het perspectiefonderzoek bij vader is doorkruist door het overlijden van de oma moederszijde. De rechtbank acht het van belang dat ook ten aanzien van het gezag zorgvuldig wordt onderzocht of het inderdaad in het belang van de minderjarigen is om de gezagsbevoegdheid over te hevelen van de voogd naar de man.
3.2.6.
Voordat verder kan worden beslist over het ouderlijk gezag over de minderjarigen, acht de rechtbank het noodzakelijk dat de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht onderzoek doet ten aanzien van de volgende vragen:
  • Is er, gelet op het ontbreken van contact tussen de vrouw en de minderjarigen, sprake van een dusdanig ernstig bedreigde ontwikkeling van de minderjarigen dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is?
  • Zijn er andere feiten en/of omstandigheden die – bij toewijzing van het gezag aan de man – gegronde vrees voor het verwaarlozen van de belangen de minderjarigen zouden opleveren?
  • Op welke wijze is contactherstel tussen de vrouw en de minderjarigen mogelijk?
  • Welke omgangsregeling met de vrouw komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarigen?
  • Hoe moet de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
  • Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vraag aan de orde gesteld en zijn wel van belang om in het advies te vermelden?
Om deze reden zal de behandeling op het punt van het gezag worden aangehouden en zal de raad worden verzocht nader te rapporteren. De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven te verwachten 8 maanden nodig te hebben voor een rapport. De rechtbank zal de zaak, zoals te doen gebruikelijk, 9 maanden aanhouden.
Tijdens het onderzoek kan de voogd bezien of het mogelijk is om het contact tussen de vrouw en de minderjarigen weer voorzichtig op te starten.
3.3.
Verblijfplaats
3.3.1.
De man verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij hem zal zijn.
3.3.2.
De vrouw verweert zich niet tegen dit verzoek.
3.3.3.
De rechtbank beslist volgens het verzoek, omdat dit verzoek niet is weersproken en op de wet is gegrond. Niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich hiertegen verzet.
3.4.
Proceskosten
3.4.1.
Omdat ten aanzien van het gezag nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de man zal zijn;
4.2.
verzoekt de raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht om onderzoek of andere bemoeienis over de ondertoezichtstelling, het ouderlijk gezag over de minderjarigen en de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht tussen de vrouw en de minderjarigen en tegen na te noemen pro forma datum aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
4.3.
bepaalt dat – zodra de rechtbank in deze zaak de verzochte rapportage heeft ontvangen – partijen in de gelegenheid gesteld zullen worden hun procedurele wensen kenbaar te maken, waarna – als nodig – de mondelinge behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een dan te bepalen datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, bij mr. S.L. Raphael, rechter tevens kinderrechter;
4.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
en voordat verder wordt beslist:
4.5.
bepaalt dat de beslissing over het gezag en een eventueel verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarigen wordt aangehouden tot
1 maart 2027 PRO FORMA.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.L. Raphael, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. C.A. Sedoc, griffier, op 22 mei 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.