Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6731

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
ROT 24/11174
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.2 Wet dierenArt. 8.7 Wet dierenArt. 5.8 Regeling houders van dierenArt. 3 Verordening 1099/2009Art. 4 Verordening 1099/2009
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Boete vernietigd wegens onvoldoende bewijs van overtreding dierenwelzijn bij slachthuis

De rechtbank Rotterdam heeft op 12 juni 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak over een boete van €15.000,- opgelegd aan een slachthuis wegens vermeende overtredingen van de Wet dieren. De boete betrof drie beboetbare feiten rondom het niet aanhouden van bewusteloosheid en gevoelloosheid bij kalveren tot de dood intreedt, en het niet volgen van de eigen standaardwerkwijze.

De rechtbank oordeelde dat het bestuursorgaan onvoldoende bewijs had geleverd dat de kalveren daadwerkelijk bij bewustzijn waren toen de halssnede werd gezet. Hoewel toezichthouders spontaan knipperen van de ogen hadden geconstateerd, was dit volgens de rechtbank onvoldoende om buiten redelijke twijfel vast te stellen dat de dieren bewust waren. De analyse van een deskundige bevestigde dat meerdere indicatoren nodig zijn om bewustzijn vast te stellen en dat het knipperen niet spontaan was.

Wel was vastgesteld dat de slachterij niet de eigen standaardwerkwijze inzake de corneareflex had gevolgd, maar volgens het interventiebeleid van het bestuursorgaan had dit slechts tot een waarschuwing mogen leiden en niet tot een boete. De rechtbank vernietigde daarom het boetebesluit, herroept het primaire besluit en veroordeelde het bestuursorgaan tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de boete van €15.000 wegens onvoldoende bewijs van overtreding en onjuiste toepassing van het interventiebeleid.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/11174

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. M.J.J.E. Stassen),
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
(gemachtigde: mr. D.J. van der Bij).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een boete van in totaal € 15.000,- die verweerder met het besluit van 5 juli 2024 aan eiseres heeft opgelegd voor overtredingen van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de boete ten onrechte heeft opgelegd. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2.
Onder 2. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4.1. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 29 oktober 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij het boetebesluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op een zitting behandeld, tegelijk met het beroep ROT 24/10138. Hieraan hebben namens eiseres deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [naam] (bestuurder van eiseres) en prof. dr. B. Driessen (faculteit diergeneeskunde universiteit Gent, hierna: Driessen). Namens verweerder zijn verschenen: de gemachtigde van verweerder en [naam] (toezichthoudend dierenarts bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)).

Totstandkoming van het bestreden besluit

3.1.
Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 7 mei 2024 is opgemaakt door drie toezichthouders van de NVWA. De toezichthouders schrijven in het rapport onder meer het volgende.

Ik, toezichthouder 0104229, bevond mij op 06 februari 2024 omstreeks 09:15 uur bij [eiseres] te [plaats] . Ik heb hier camerabeelden bekeken in het kader van cameratoezicht opdierenwelzijn. Ik zag op het beeldscherm de beelden van de camera “steken” van 22 januari2024 om 08:26 uur en van 25 januari 2024 om 08:58 uur en 12:42 uur. Ik kon de situatie goed zien, het beeld was scherp en helder, de situatie was goed in beeld.
Ik zag op beelden die opgenomen waren door de camera die gericht is op de omgeving vanhet zetten van de halssnede, op 22 januari 2024 om 08:26 uur, een kalf uit defixatiebox/schietkooi op de kribbe vallen. De kribbe is de tafel waar het kalf op valt vanuit de fixatiebox/schietkooi, om deze vervolgens aan te ketten en de halssnede te zetten (hetzetten of aanbrengen van de halssnede bij een dier, wordt ook wel “steken” genoemd). Ikzag het kalf 1 keer spontaan knipperen. De medewerker van [eiseres] (de steker), controleert wel de corneareflex (dit is een controle die kan waarborgen dat het kalf goedbedwelmd is), maar reageert niet op het spontaan knipperen van het kalf en zet vervolgensde halssnede bij het kalf.
Ik zag tevens op beelden die opgenomen waren door de camera die gericht is op de omgeving van het zetten van de halssnede, op 25 januari 2024 om 08:58 uur, een kalf uit tefixatiebox /schietkooi op de kribbe vallen. Ik zag het kalf 1 keer spontaan knipperen. De medewerker van [eiseres] (de steker), controleert geen oogreflexen (corneareflex, dreigreflex en/of ooglidreflex) bij dit kalf en zet meteen de halssnede bij dit kalf. [eiseres] heeft in hun eigen standaardwerkwijze staan (Safety Guard [eiseres] .D01.08 - Werkplekinstructie Bedwelmen, steken en aanketten Versie: 011 - 02-02-2021), dat zij een 100% controle uitvoeren op de oogreflex (zie bijlage).
Nadat ik bovengenoemde bevindingen had geconstateerd heb ik toezichthouder 38872,toezichthoudend dierenarts van de NVWA, gevraagd om de beelden samen te bekijken.
[…]
Na 2 minuten zag ik de hierna genoemde beelden.
Ik zag op beelden die opgenomen waren door de camera die gericht is op de omgeving vanhet zetten van de halssnede, op 25 januari 2024 om 12:42 uur, een kalf uit defixatiebox/schietkooi op de kribbe vallen. Ik zag dit kalf meerdere malen spontaan knipperen. De medewerker van [eiseres] (de steker), controleert de corneareflex wel maar reageert niet op het spontaan knipperen van dit kalf en zet vervolgens de halssnede.[…]
Op 13 februari 2024 zijn de hiervoor genoemde camerabeelden uitgekeken door seniortoezichthoudend dierenarts 39407.
[…]
Ik, toezichthouder 39407, heb op 13 februari 2024, alle hierboven genoemde camerabeeldenbekeken. Op de camerabeelden van 25 januari 2024 zie ik een kalf dat na bedwelming op dekribbe rolt en dan meerdere malen spontaan knippert met de ogen. Dit meermaals spontaanknipperen wordt niet opgemerkt door medewerkers die belast zijn met het bedwelmen, steken en aanketten. De steker kijkt naar het linker oog van het kalf en tikt vluchtig op deoogbol om een corneareflex op te wekken en zet daarna de halssnede. De steker had hetspontane knipperen van het kalf kunnen opmerken. Het spontaan knipperen met de ogen nabedwelming en vóór het zetten van de halssnede is een teken van bewustzijn (zie bijlage 4bij WLZVL-017: “Tekenen van (afwezig zijn van) bewustzijn, gevoeligheid en leven bijverschillende bedwelmingsmethoden bij runderen, varkens, schapen en geiten”).
Hiermee heb ik vastgesteld dat er een teken van bewustzijn aanwezig was bij dit kalf op hetmoment dat de halssnede werd gezet. Doordat de halssnede is gezet bij dit kalf waarbij eenteken van bewustzijn aanwezig was, is dit kalf ernstige pijn, spanning en lijden toegebracht.
Op de camerabeelden van 25 januari 2024 om 08:58 uur zie ik een kalf dat na bedwelmenop de kribbe rolt en 1x spontaan knippert. De steker zet vervolgens de halssnede zonder tecontroleren of er nog oogreflexen aanwezig zijn. In de standaardwerkwijze“Werkplekinstructie Bedwelmen, Steken en Aanketten” ( [eiseres] .D01.08 - Versie: 011 - 02-02-2021) uit Safety Guard [eiseres] , staat beschreven dat “Bij [eiseres] is gekozen voor een 100%controle op de oogreflex”. De steker heeft deze standaardwerkwijze niet goed uitgevoerd,waardoor niet vastgesteld kon worden of het kalf nog tekenen van bewustzijn vertoonde.Mogelijk is hierdoor ernstige pijn, spanning en/of lijden bij het kalf veroorzaakt.
Ik (toezichthouder 104229) heb toezichthouder 38872, toezichthoudend dierenarts van deNVWA, gevraagd om de camerabeelden van 25 januari 2024 om 12:42 uur te bekijken.
Ik, toezichthouder 38872, heb op 6 februari 2024 de camerabeelden van 25 januari 2024 om12:42 uur bekeken. Ik zag dat een kalf na de bedwelming en vóór het zetten van dehalssnede, spontaan met de ogen knipperde. Vanwege het spontaan knipperen met de ogenstelde ik vast dat er een teken van bewustzijn aanwezig was vóór het zetten van de halssnede (zie bijlage 4 bij WLZVL-017: “Tekenen van (afwezig zijn van) bewustzijn,gevoeligheid en leven bij verschillende bedwelmingsmethoden bij runderen, varkens,schapen en geiten”). Doordat er bij dit kalf een teken van bewustzijn aanwezig was op hetmoment van het zetten van de halssnede, werd het kalf ernstige vermijdbare pijn, spanningen lijden berokkend.
Wij stelden vast dat er geen goede controles werden uitgevoerd om te waarborgen dat dekalveren na de bedwelming geen tekenen van bewustzijn of gevoeligheid meer vertonen. Opde camerabeelden is duidelijk te zien dat de kalveren nog knipperen na de bedwelming endat hierop geen actie werd ondernomen.
Wij stelden vast dat het bewustzijnsverlies na de bedwelming niet aanhield tot de kalverendood waren. Wij zagen namelijk dat de kalveren nog spontaan knipperden na de bedwelming.
3.2.
Op grond van het rapport van bevindingen heeft verweerder vastgesteld dat eiseres drie beboetbare feiten heeft gepleegd:
3.2.1.
Beboetbaar feit 1: Op 22 en 25 januari 2024 werd bij het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten er niet voor gezorgd dat de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden werd bespaard.
Volgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 5.8 van de Regeling houders van dieren, en met artikel 3, eerste lid, van Verordening 1099/2009 [1] .
3.2.2.
Beboetbaar feit 2: Op 22 en 25 januari 2024 werd na het bedwelmen de toestand van bewusteloosheid en gevoelloosheid niet aangehouden tot bij het dier de dood is ingetreden.
Volgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 5.8 van de Regeling houders van dieren, en met artikel 4, eerste lid, van Verordening 1099/2009.
3.2.3.
Beboetbaar feit 3: Op 22 en 25 januari 2024 heeft de bedrijfsexploitant het doden van dieren niet uitgevoerd overeenkomstig de standaardwerkwijzen om te waarborgen dat het doden en de daarmee verband houdende activiteiten overeenkomstig artikel 3, eerste lid, van de Verordening 1099/2009 plaatsvinden.
Volgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 5.8 van de Regeling houders van dieren, en met artikel 6, eerste lid en tweede lid, van Verordening 1099/2009.
3.2.4.
Vanwege samenhang heeft verweerder volstaan met de oplegging van één boete van € 7.500,- voor de drie feiten op 22 januari 2024 en één boete van € 7.500,- voor de drie feiten op 25 januari 2024. Deze boetebedragen zijn een verhoging van het standaardboetebedrag omdat volgens verweerder sprake is van recidive. De totaal opgelegde boete bedraagt dus € 15.000,-.

Beoordeling door de rechtbank

4. Eiseres voert aan dat op basis van het rapport van bevindingen niet eenduidig de volgorde van handelingen en waarnemingen is vast te stellen en dat de beschrijvingen in het rapport niet overeenkomen met de camerabeelden. Voorts wijst eiseres op een analyse van Driessen, die het rapport van bevindingen en de camerabeelden heeft bestudeerd en concludeert dat alle kalveren goed bedwelmd zijn. Driessen stelt vast dat bij geen enkel kalf sprake is van (spontaan) oogknipperen zoals door de EFSA [2] in een scientific opinion is gedefinieerd. Er was hooguit sprake van een oogbeweging en niet van het sluiten en openen van de ogen en bovendien was het niet spontaan, nu de EFSA daarvoor uitgaat van knipperen zonder ‘stimulation’, terwijl daar in dit geval wel sprake van was, namelijk het vallen uit de korf, het aanhaken en het testen van de corneareflex. Bovendien zijn volgens Driessen meerdere indicatoren vereist om de effectiviteit van een bedwelming te bepalen. Verweerder stelt dan ook ten onrechte dat de dieren bij bewustzijn waren en dat nabedwelming nodig was. Ten aanzien van het verwijt dat bij één kalf de corneareflex niet is getest, voert eiseres aan dat dit op basis van de beperkte beschrijving in het rapport van bevindingen niet is vast te stellen en die beschrijving bovendien afwijkt van wat op de camerabeelden is te zien. Subsidiair voert eiseres aan dat het niet testen van de corneareflex niet maakt dat sprake is van een overtreding, omdat deze test slechts één van de in de werkinstructie van eiseres beschreven herkenningspunten van een juiste bedwelming is en op basis van het totaalbeeld duidelijk was dat het dier juist was bedwelmd. Daarbij merkt eiseres op dat haar werkinstructie een afwijking toestaat van 1 %. Voor zover het niet testen van de corneareflex wel als een overtreding zou kunnen worden aangemerkt, zou dit bovendien hooguit tot een waarschuwing kunnen leiden en niet tot de thans opgelegde hoge boete. Ook overigens is de boete onevenredig hoog, gelet op de bevindingen van Driessen dat de dieren correct waren bedwelmd en geen tekenen van bewustzijn meer vertoonden, aldus eiseres.
Toetsingskader
4.1.
In een geval als het onderhavige, waarin een boete is opgelegd rust de bewijslast dat sprake is van een overtreding, gelet op het vermoeden van onschuld, op het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. Volgens vaste jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) [3] , mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de bevindingen in een toezichtrapport, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder mag daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.
Spontaan knipperen?
4.2.
In het rapport van bevindingen is beschreven dat drie toezichthouders van de NVWA de camerabeelden hebben bekeken en dat daarbij werd gezien dat op drie momenten (op 22 januari 2024 om 8.26 uur en op 25 januari 2024 om 8.58 uur en om 12.42 uur) een kalf na bedwelming spontaan met de ogen knipperde en vervolgens de halssnede werd gezet. Volgens eiseres is bij de drie kalveren geen oogknipperen te zien. De rechtbank heeft de camerabeelden bekeken. Bij het op 22 januari 2025 geslachte kalf heeft zij geen oogbeweging waargenomen, bij de andere twee kalveren wel. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat de kwaliteit van de beelden die de toezichthouders op het slachthuis hebben gezien, beter was dan die van de beelden die naar de rechtbank zijn gestuurd, wat zou kunnen verklaren waarom niet bij alle kalveren de oogbewegingen goed zichtbaar zijn. Voor zover sprake is van oogbewegingen, zijn partijen het er bovendien niet over eens of dit te kwalificeren is als ‘spontaan knipperen’. De rechtbank is echter van oordeel dat in het midden kan blijven of bij de drie kalveren sprake was van (spontaan) oogknipperen, gelet op het navolgende.
Indicator voor bewustzijn
4.3.
Bij de drie kalveren is eerst een methode van mechanische bedwelming toegepast, waarna de kalveren uit de schietkooi vielen en vervolgens een halssnede kregen toegebracht die ertoe moest leiden dat door verbloeding de dood intrad. In de kern verwijt verweerder eiseres dat zij artikel 4, eerste lid, van Verordening 1099/2009 heeft overtreden, waarin staat dat de toestand van bewusteloosheid en gevoelloosheid moet worden aangehouden tot bij het dier de dood is ingetreden. Volgens verweerder was sprake van spontaan oogknipperen na de bedwelming en vóór de halssnede, wat betekent dat de toestand van bewusteloosheid niet tot de dood is aangehouden. Verweerder verwijst daarbij naar een bijlage bij een NVWA-werkvoorschrift [4] . In dit stuk staat bij ‘mechanische bedwelming’ en ‘Beeld na correcte bedwelming’ vermeld: “
Ogen zijn open en “starend”; geleidelijk verwijden van pupil, géén weggedraaide oogbollen, géén spontaan knipperen.” Verder staat als alarmsignalen het volgende vermeld: “
Niet/onvolledig optreden bovenstaande tekenen -» dier is niet goed bedwelmd. Tekenen van (terugkerend) bewustzijn tijdens verbloeden: Ritmisch ademen, positieve oogreflexen, spontaan knipperen met de ogen, pogingen om zich op te richten, geluid maken (gillen, grommen, kreunen, smakken).” Volgens verweerder is de enkele aanwezigheid van één van de genoemde tekenen voldoende voor de conclusie dat de toestand van bewusteloosheid niet is aangehouden.
4.4.
Eiseres betwist dat de enkele indicator van spontaan knipperen – waarvan volgens haar bij de drie kalveren geen sprake van was – voldoende is om de effectiviteit van de bedwelming te bepalen. Zij wijst daarbij op de analyse van Driessen. Volgens Driessen kan niet gesteund worden op één indicator voor de conclusie dat een dier bij bewustzijn was. Volgens Driessen hebben studies aangetoond dat reflexen zoals de corneareflex en spontane ooglidbewegingen kunnen optreden bij dieren die niet bij bewustzijn zijn. Volgens Driessen gaat ook de EFSA ervan uit dat er meerdere indicatoren zijn vereist om de effectiviteit van een bedwelming te bepalen.
4.5.
De rechtbank stelt vast dat Verordening 1099/2009 geen beschrijving van tekenen van bewustzijn bevat en ook niet nader duidt wanneer de toestand van bewusteloosheid bij een dier niet is aangehouden. Wel wordt in overweging 6 van de preambule verwezen naar adviezen opgesteld door de EFSA over de welzijnsaspecten van de meest gebruikte methoden voor het bedwelmen en doden van bepaalde diersoorten, waaronder het rapport ‘Welfare Aspects of Animal Stunning and Killing methods’ [5] . Ook in genoemd werkvoorschrift van verweerder wordt naar dit rapport verwezen. In onderdeel 5.9 worden de tekenen benoemd die wijzen op een succesvolle dan wel een ineffectieve bedwelming en de tekenen die wijzen op terugkerend bewustzijn. In de paragrafen die (mede) van toepassing zijn op mechanische bedwelming [6] worden allerlei tekenen benoemd, waaronder ook tekenen die in het NVWA-werkvoorschrift worden genoemd, zoals vocalisatie, ritmisch ademhalen en corneareflex. De rechtbank stelt evenwel vast dat ‘spontaan knipperen’ niet als teken van bewustzijn of ineffectieve bedwelming in dit EFSA-rapport wordt genoemd.
4.6.
Partijen hebben daarnaast naar een ander stuk van de EFSA verwezen, namelijk ‘Scientific opinion on monitoring procedures at slaughterhouses for bovine’. [7] Daarin worden indicatoren genoemd die kunnen worden gebruikt om bewustzijn vast te stellen, althans indicatoren die wijzen op een risico op bewustzijn. In paragraaf 3.4 worden indicatoren beschreven bij gebruik van de mechanische bedwelmingsmethode met een penschiettoestel (zoals bij de drie kalveren is toegepast) en daarin wordt spontaan oogknipperen wel als indicator genoemd. Op pagina 49 (figuur 5) is een stroomschema opgenomen met indicatoren om bewustzijn te detecteren. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen drie fases in het slachtproces met drie bijbehorende toolboxen. Bij de fases 1 en 2 wordt daarbij bovendien onderscheid gemaakt tussen ‘recommended indicators’ (in de toolboxen weergegeven boven de stippellijn) en ‘additional indicators’ (in de toolboxen weergegeven onder de stippellijn). De rechtbank heeft ter zitting met partijen vastgesteld dat op de situatie van de drie kalveren key stage 2 en de bijbehorende toolbox 2 van toepassing zijn. Daarin worden zes indicatoren voor bewustzijn benoemd, waarvan drie weergegeven boven de stippellijn en drie weergegeven onder de stippellijn. Eén van de indicatoren onder de stippellijn is spontaan knipperen. Verder is in een rood vak en in een groen vak per indicator beschreven wat de uitkomsten zijn bij bewustzijn respectievelijk de afwezigheid van bewustzijn. In geval van één of meer van de indicatoren in het rode vak bestaat er ‘risk of consciousness’ en moet actie worden ondernomen. In paragraaf 4.2 wordt een toelichting op dit stroomschema gegeven. Daarin staat onder meer het volgende:

The flow chart in Figure 5 illustrates this opinion’s recommendations regarding the three key stages of monitoring, the recommended outcomes of consciousness or unconsciousness and the course of action to be taken when outcomes of consciousness are detected in cattle following captive bolt stunning. Following the stun, and prior to shackling (key stage 1), the four indicators listed above the dashed line in the blue Toolbox 1 are recommended to be used to recognise consciousness. The indicators below the dashed line also can be used to check for signs of consciousness, but their sensitivity is low and they should not be relied upon on their own. If the animal shows any of the signs of consciousness (red box), then appropriate intervention should be applied.
If all indicators suggest that the animal is unconscious (green box), then the animal can be shackled and bled out by a neck cut or chest stick. In the Toolbox 2, three recommended indicators are presented above the dashed line, and these can be used to check for consciousness at key stage 2. There are additional indicators below the dashed line in this Toolbox 2 which may also be used to check for outcomes of consciousness, but with low sensitivity. If the animal shows any of the outcomes of consciousness (red box), then appropriate intervention should be applied.
If all the indicators suggest unconsciousness (green box), then the animal should continue to be checked during bleeding (key stage 3). The blue Toolbox 3 recommends indicators to be used to check for consciousness. If any one outcome of these indicators suggests consciousness (red box), then appropriate intervention should be applied. If the indicators presented in the Toolbox 3 suggest unconsciousness (green box), then it can be concluded there is no risk of consciousness being regained.
Out of the recommended indicators above the dashed line, a minimum of two indicators relevant to each key stage should be employed for an effective monitoring of the process.
4.7.
Uit dit rapport volgt duidelijk dat in geval van de indicator spontaan knipperen actie moet worden ondernomen omdat het risico bestaat dat het dier bij bewustzijn is gekomen. Een andere vraag is of de enkele aanwezigheid van de indicator spontaan knipperen een zodanige mate van zekerheid geeft dat het dier daadwerkelijk bij bewustzijn is gekomen, dat hiervan in een procedure waarin een boete wordt opgelegd, kan worden uitgegaan. De rechtbank kan die vraag niet bevestigend beantwoorden. Het EFSA-rapport vormt daarvoor onvoldoende basis. Hierbij is van belang dat uit het EFSA-rapport kan worden afgeleid dat spontaan knipperen in fase 2 niet als een sterke indicator wordt beschouwd (zoals de ‘recommended’ indicatoren lichaamsbeweging, spierspanning en ademhaling boven de stippellijn in de toolbox). Het rapport geeft bovendien aanknopingspunten om aan te nemen dat enkel de aanwezigheid van spontaan knipperen niet voldoende is voor de conclusie dat sprake is van bewustzijn. De rechtbank neemt bij haar oordeel ook de opinie van Driessen in aanmerking. De rechtbank merkt op dat ter zitting namens verweerder is toegelicht dat het bij de aanwezigheid van slechts één van de tekenen wellicht niet 100% zeker is dat het dier bij bewustzijn is gekomen, maar dat de slachterij in zo’n geval hoe dan ook actie had moeten ondernemen. Dat laatste mag het geval zijn, maar dat neemt niet weg dat op verweerder de last rust om te bewijzen dat de overtreding is begaan. Dat betekent in dit geval dat buiten redelijke twijfel moet zijn aangetoond dat de toestand van bewusteloosheid en gevoelloosheid niet werd aangehouden tot bij het dier de dood was ingetreden.
Tussenconclusie beboetbaar feit 1 en 2
4.8.
Gelet op het voorgaande kan de rechtbank niet vaststellen dat eiseres beboetbaar feit 2 heeft begaan. Nu niet buiten redelijke twijfel is aangetoond dat de drie kalveren zijn aangesneden terwijl ze bij bewustzijn waren, is evenmin gebleken dat de dieren vermijdbare pijn, spanning of lijden is toegebracht. De rechtbank kan dus evenmin vaststellen dat eiseres beboetbaar feit 1 heeft begaan.
Beboetbaar feit 3
4.9.
Beboetbaar feit 3 betreft het verwijt dat eiseres het doden van de kalveren niet overeenkomstig haar standaard werkwijze heeft uitgevoerd, namelijk overeenkomstig de ‘Werkplekinstructie bedwelmen, steken en aanketten’. In deze instructie staat onder meer “
Indien het dier onvoldoende bedwelmd is wordt het kalf opnieuw geschoten”. Zoals hiervoor is overwogen staat voor de rechtbank niet vast dat de drie kalveren na de mechanische bedwelming bij bewustzijn kwamen. Er kan dus ook niet worden geconcludeerd dat de kalveren onvoldoende bedwelmd waren en dat eiseres de dieren overeenkomstig haar werkinstructie opnieuw had moeten schieten.
4.10.
Verweerder verwijt eiseres echter ook dat zij op een ander punt haar werkinstructie niet heeft nageleefd, namelijk ten aanzien van de corneareflex. In genoemde werkinstructie staat: “
Bij Ekro is gekozen voor een 100 % controle op de oogreflex. Indien er nog een oogreflex wordt geconstateerd wordt dit aangegeven op de aanvoerlijst. De norm is < 1 % mag een afwijking vertonen.” In het rapport van bevindingen is duidelijk beschreven dat de toezichthouders zagen dat bij het kalf op de camerabeelden van 25 januari 2024 om 8.58 uur de medewerker de halssnede aanbracht zonder voorafgaand te controleren op oogreflexen. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid van deze waarneming te twijfelen. De betreffende camerabeelden geven geen aanleiding voor twijfel omdat daarop niet is te zien dat een dergelijke test bij het kalf is uitgevoerd. Het beroep van eiseres op de in de werkinstructie genoemde afwijkingsnorm van 1 % treft geen doel nu dit geen betrekking kan hebben op het uitvoeren van de oogreflextest. In de werkinstructie is immers duidelijk vermeld dat bij alle dieren een dergelijke test wordt uitgevoerd. Nu dit bij een van de drie kalveren niet is gebeurd, concludeert verweerder terecht dat eiseres niet overeenkomstig haar eigen standaardwerkwijze heeft gehandeld en daarmee beboetbaar feit 3 heeft begaan.
4.11.
Nu verweerder terecht overtreding van artikel 6, eerste en tweede lid, van Verordening 1099/2009 heeft vastgesteld, was verweerder op grond van artikel 8.7 van de Wet dieren [8] in beginsel bevoegd om eiseres daarvoor een boete op te leggen. Verweerder heeft in zijn interventiebeleid neergelegd hoe met deze boetebevoegdheid wordt omgegaan. In dit geval is het Specifiek interventiebeleid doden van gehouden dieren [9] van toepassing. Daarin is overtreding van artikel 6, eerste en tweede lid, van Verordening 1099/2009 aangemerkt als klasse C-overtreding, waarvoor geldt dat bij de eerste overtreding een waarschuwing wordt gegeven en pas bij een volgende overtreding een boete. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiseres deze overtreding al eerder heeft begaan. Verweerder heeft dit ook niet gesteld. Verweerder heeft niet gesteld dat er in dit geval aanleiding was om van zijn interventiebeleid af te wijken. Dit betekent dat verweerder overeenkomstig zijn interventiebeleid voor feit 3 had moeten volstaan met een waarschuwing. De rechtbank concludeert dan ook dat eiseres beboetbaar feit 3 wel heeft begaan, maar dat verweerder daarvoor eiseres geen boete heeft mogen opleggen.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond omdat verweerder niet bevoegd was de boete op te leggen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en herroept het primaire besluit. Dit betekent dat de boete vervalt.
6. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, een beroepschrift ingediend en aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.534,-.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 29 oktober 2024;
  • herroept het primaire besluit;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.534,- aan proceskosten van eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

BIJLAGE: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Verordening 1099/2009

Artikel 3, eerste lid
Bij het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten wordt ervoor gezorgd dat de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden wordt bespaard.
Artikel 4, eerste lid
Dieren worden uitsluitend gedood nadat zij zijn bedwelmd volgens de methoden en de desbetreffende specifieke toepassingsvoorschriften zoals beschreven in bijlage I. De toestand van bewusteloosheid en gevoelloosheid wordt aangehouden tot bij het dier de dood is ingetreden.
Artikel 6, eerste en tweede lid
Bedrijfsexploitanten plannen vooraf het doden van dieren en de daarmee verband houdende activiteiten, en voeren het doden uit overeenkomstig de standaardwerkwijzen.
Bedrijfsexploitanten stellen dienovereenkomstige standaardwerkwijzen op en voeren die uit om te waarborgen dat het doden van dieren en de daarmee verband houdende activiteiten overeenkomstig artikel 3, lid 1, plaatsvinden.
Met betrekking tot de bedwelming wordt in de standaardwerkwijzen:
a)
a) rekening gehouden met de aanbevelingen van de producent;
b) op basis van het beschikbare wetenschappelijk bewijs voor elke gebruikte methode aangegeven welke cruciale parameters bedoeld in bijlage I, hoofdstuk I, een doeltreffende bedwelming van de dieren garanderen;
c) vermeld welke maatregelen er moeten worden genomen indien de in artikel 5 bedoelde Pro controles erop wijzen dat een dier niet adequaat is bedwelmd of, indien een dier geslacht is overeenkomstig artikel 4, lid 4, dat een dier nog tekenen van leven vertoont.

Wet dieren

Artikel 6.2, eerste lid
Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen en EU-besluiten betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.
Artikel 8.7
Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.

Regeling houders van dieren

Artikel 5.8
Als voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet worden aangewezen de artikelen 3, 4, eerste en vierde lid, 5, eerste en tweede lid, 6, eerste en tweede lid, 7, 8, 9, 12, 14, eerste en tweede lid, 15, eerste, tweede en derde lid, 16, eerste tot en met vierde lid, 17, 19, 21, zesde lid, 24 en 28, eerste lid, van verordening (EG) nr. 1099/2009.

Voetnoten

1.Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden
2.European Food Safety Authority, Scientific opinion on monitoring procedures at slaughterhouses for bovine (2013)
4.Tekenen van (afwezigheid van) bewustzijn, gevoeligheid en leven bij verschillende bedwelmingsmethoden bij runderen, varkens, schapen en geiten (Bijlage 4 bij WLZVL-017)
5.Rapport van Scientific Panel for Animal Health and Welfare, juni 2004 (EFSA-Q-2003-093)
6.Paragraaf 5.9.1, paragraaf 5.9.5 en paragraaf 5.9.6
7.Scientific Opinion on monitoring procedures at slaughterhouses for bovines, EFSA Panel on Animal Health and Welfare, Parma, Italy, EFSA Journal 2013;11(12):3460
8.Gelezen in samenhang met artikel 6.2, eerste lid, Wet dieren en artikel 5.8 Regeling houders van dieren
9.IB03-SPEC 72, versie 06 en de Bijlage (regel 14 en 15)