Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6730

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2608939:R-RK - NL:TZ:2608941:R-RK
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing moratorium en opschorting ontruiming huurwoning voor zes maanden

Verzoekster heeft op 8 april 2026 een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van haar huurwoning opschort. De rechtbank heeft op 23 april 2026 de zaak behandeld en op 30 april 2026 uitspraak gedaan.

Verzoekster ontvangt een Participatiewet-uitkering en toeslagen, en heeft een betalingsachterstand op de huur van € 714,93 per maand. Hoewel zij zich niet volledig aan de betalingsregeling kon houden, zijn de lopende huurtermijnen wel voldaan. Schuldhulpverlening is bezig met het stabiliseren van haar financiële situatie en het voorbereiden van een schuldregeling.

De rechtbank oordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming op 13 april 2026. Het moratorium biedt verzoekster een adempauze om een schuldregeling te treffen. De belangenafweging leidt tot toewijzing van het moratorium voor zes maanden, onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan.

Daarnaast verklaart de rechtbank verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet, omdat het minnelijk traject naar verwachting niet snel zal zijn afgerond. Verzoekster kan later een nieuw verzoek indienen.

De ontruiming wordt geschorst en de huurovereenkomst wordt verlengd voor de duur van het moratorium. Schuldhulpverlening dient uiterlijk twee weken voor afloop van de voorziening verslag uit te brengen.

Uitkomst: De rechtbank wijst het moratorium toe voor zes maanden en schorst de ontruiming van de huurwoning, terwijl verzoekster niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 30 april 2026
[verzoekster],
wonende te [adres],
[postcode] te [plaatsnaam],
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 8 april 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 9 april 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 23 april 2026.
Ter zitting van 23 april 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • de heer mr. V.T.E. Kuijpers, advocaat van verzoekster.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 24 juni 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster over te gaan.
Verzoekster ontvangt inkomsten uit een Participatiewet-uitkering. Daarnaast ontvangt zij huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget. De kale huur van de woning bedraagt € 714,93 per maand. Verzoekster heeft met verweerster tijdens de mondelinge behandeling van 24 juni 2025 afspraken gemaakt omtrent de opgelopen huurachterstand. Door omstandigheden heeft verzoekster zich niet volledig aan de betalingsregeling kunnen houden. De lopende huurtermijnen zijn echter wel door verzoekster voldaan. Verder is schuldhulpverlening momenteel bezig met het stabiliseren van de situatie en het in kaart brengen van de schulden van verzoekster. Er dienen nog enkele zaken te worden geregeld voordat er definitief kan worden gestart met een schuldregelingstraject.

3.Het verweer

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het proces-verbaal van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 24 juni 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 27 maart 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 13 april 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het proces-verbaal van 24 juni 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster ontvangt een Participatiewet-uitkering en diverse toeslagen. Dit inkomen is voldoende om de kale huur van € 714,93 te voldoen. De lopende huurtermijnen zijn tijdig en volledig voldaan. Daarnaast wordt de aanvraag voor schuldhulpverlening voortvarend opgepakt. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard.
Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van de uit het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van 24 juni 2025 voortvloeiende bevoegdheid van verweerster om tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [adres] te [plaatsnaam], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 9 april 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. de Jong, rechter, en in aanwezigheid van mr. J.A. Kuijvenhoven, griffier, in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026.