Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6728

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2607531:R-RK – NL:TZ:2607534:R-RK
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing dwangakkoord tegen schuldeiser Hef Wonen in schuldregeling

Verzoekster heeft een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, waarbij zij een percentage van 3,28% aan preferente en 1,64% aan concurrente schuldeisers wil betalen. Zes schuldeisers stemden in, maar Hef Wonen, met een vordering van bijna de helft van de totale schuld, weigerde.

Hef Wonen stelde dat verzoekster jong is en mogelijk in de toekomst meer inkomen zal genereren, en dat zij belang heeft bij afwijzing. De rechtbank oordeelde dat het aanbod goed onderbouwd is, gebaseerd op de Participatiewet-uitkering en dat verzoekster geen inkomen boven het huidige niveau zal verwerven.

De rechtbank vond dat het belang van verzoekster en de meerderheid van schuldeisers zwaarder weegt dan dat van Hef Wonen. De dwangakkoord wordt toegewezen, waardoor verzoekster haar schulden kan blijven aflossen zonder toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Hef Wonen wordt veroordeeld in de proceskosten, die nihil zijn omdat geen advocaat is ingeschakeld en geen griffierecht verschuldigd is. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen acht dagen worden bestreden door hoger beroep.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot dwangakkoord toe en beveelt Hef Wonen in te stemmen met de schuldregeling.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team insolventie
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 30 april 2026
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende te [adres],
[postcode] [plaatsnaam],
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 24 maart 2026, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om één schuldeiser, te weten:
- Hef Wonen, in behandeling bij GGN Mastering Credit (hierna: Hef Wonen);
die weigert mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
GGN Mastering Credit heeft namens Hef Wonen voorafgaand aan de zitting een verweerschrift toegezonden en aangegeven niet ter zitting te zullen verschijnen.
Ter zitting van 23 april 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • de heer M. Barakzei en mevrouw T. Boomsma, beiden werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
  • mevrouw E.C. Mast-de Ruiter, werkzaam bij het Leger des Heils (hierna: begeleidster);
  • mevrouw S. Braaf, werkzaam bij de Reclassering Nederland (hierna: reclassering)
De uitspraak is bepaald op heden.

2.Het verzoek

Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift zeven schuldeisers, waarvan één preferente schuldeiser met één vordering en zes concurrente schuldeisers met zeven vorderingen. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 22.167,88 van verzoekster te vorderen. Verzoekster heeft bij brief van 4 november 2025 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, inhoudende een betaling van 3,28% aan de preferente schuldeisers en 1,64% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting. Daarnaast heeft verzoekster bij brief van 10 februari 2026 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, die inhoudt dat er geen sprake is van afloscapaciteit maar er een uitdeling op basis van beschikbaar vermogen zal plaatsvinden. Wel wordt er in dit aanbod ook uitgegaan van een betaling van 3,28% aan de preferente schuldeisers en 1,64% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting. Ter zitting heeft schuldhulpverlening echter verklaard dat er geen sprake is van beschikbaar vermogen en dat dit niet juist in het aanbod is opgenomen.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoekster is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van haar Participatiewet-uitkering. Verzoekster is door de uitkeringsinstantie vrijgesteld van de sollicitatieplicht voor de periode van 14 april 2026 tot en met 13 april 2027. Verzoekster heeft een dagbesteding gevolgd en start binnenkort met een cursus Nederlands via Alsare. Hiermee voldoet verzoekster aan de verplichting vanuit de Participatiewet-uitkering om een tegenprestatie te leveren. Verder heeft de reclassering ter zitting verklaard dat het traject bijna is afgerond en dat verzoekster deze tot zover positief heeft doorlopen. De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen. Ter zitting heeft schuldhulpverlening verklaard dat er thans geen sprake meer is van afloscapaciteit doordat verzoekster inmiddels beschikt over een eigen woning. Hierdoor dient er rekening te worden gehouden met woonlasten waardoor het vrij te laten bedrag is toegenomen. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en haar vaste lasten worden inmiddels door haar budgetbeheerder voldaan.
Zes schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. Hef Wonen stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 10.507,88 op verzoekster, welke 47,4% van de totale schuldenlast beloopt.

3.Het verweer

In haar verweerschrift stelt Hef Wonen zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Hef Wonen heeft op grond van een verkregen titel de woning van verzoekster ontruimd, waarmee kosten gemoeid zijn. De titel dateert van mei 2023. Daarnaast stelt Hef Wonen dat verzoekster nog jong is en er niet valt uit te sluiten dat zij in de loop der jaren meer inkomen zal genereren. Hierdoor zou de vordering van Hef Wonen alsnog volledig kunnen worden voldaan. Verder meent Hef Wonen dat hun aandeel bijna de helft van de totale schuldenlast betreft. Hef Wonen stelt zich daarom op het standpunt dat zij er belang bij heeft dat het verzoek wordt afgewezen.

4.De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van Hef Wonen bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Hef Wonen in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van Hef Wonen een aandeel vormt in de totale schuldenlast van 47,4%.
Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk zes van de zeven schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.
De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Geldplein. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster niet beschikt over betaald werk. Verzoekster is door de uitkeringsinstantie vrijgesteld van de sollicitatieplicht voor de periode van 14 april 2026 tot en met 13 april 2027. Voldoende aannemelijk is geworden dat zij in de komende jaren geen inkomen zal kunnen verwerven dat hoger is dan haar huidige inkomen. Door schuldhulpverlening is ter zitting verklaard dat aan alle waarborgen, die ervoor moeten zorgen dat verzoekster het maximale ten behoeve van haar schuldeisers zal afdragen, is voldaan. Verzoekster zit in budgetbeheer. Het ontstaan van nieuwe schulden ligt niet in de rede.
Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoekster van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoekster zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoekster die vanuit een stabiele situatie haar schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van Hef Wonen, die geweigerd hebben in te stemmen.
Het verzoek om Hef Wonen te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
Hef Wonen zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoekster niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoekster zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden en dat zij niet verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- beveelt Hef Wonen om in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt Hef Wonen in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op nihil;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;
- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. de Jong, rechter, en in aanwezigheid van mr. J.A. Kuijvenhoven, griffier, in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.