Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- de tussenbeschikking van 10 september 2025;
- de tussenbeschikking van 15 december 2025, waarin de bijzondere curator is benoemd;
- de berichten (met bijlagen) van de man van 12 (2x) en 13 januari 2026 en
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] ;
- de bijzondere curator.
- de man rijdt iedere woensdag naar de vrouw in [plaats] en heeft daar vanaf ongeveer van 11:00 uur de zorg over de minderjarige tot ongeveer 14:00 uur, afhankelijk van het moment waarop de minderjarige wakker wordt en weer gaat slapen. Vervolgens heeft de man de zorg na het middagslaapje van de minderjarige tot ongeveer 20:00 uur. De minderjarige slaapt in het huis waar de vrouw ook verblijft. De vader van de vrouw mag tijdens de omgang aanwezig zijn, maar geen bemoeienis hebben met de man dan wel de minderjarige;
- de vrouw rijdt iedere zaterdag naar de man in [woonplaats 1] en arriveert daar tussen 11:00 uur en 11:30 uur, waarbij de vrouw de man zal laten weten wanneer zij uit Heerlen vertrekt. Vervolgens heeft de man in zijn huis in [woonplaats 1] de zorg voor de minderjarige, waarbij de minderjarige ook in zijn huis zijn middagslaapje zal doen. De vrouw mag desgewenst in het huis van de man verblijven. De zorg duurt tot ongeveer 20:00 uur. De moeder van de man is tijdens de omgang aanwezig, maar heeft geen bemoeienis met de man of de minderjarige;
- partijen kunnen in onderling overleg andere afspraken maken over de invulling van de zorg van de man voor de minderjarige;
- partijen gaan een mediation- en/of ouderschapsbemiddelingstraject volgen waarbij de man op vrijdag 29 augustus 2025 een voorstel doet aan de vrouw voor drie mediators of ouderschapsbemiddelaars, bij voorkeur met een pedagogische achtergrond in de regio Eindhoven. Als de vrouw geen van de mediators of ouderschapsbemiddelaars geschikt acht, zal zij zelf met drie namen komen en kan de man vervolgens één van deze mediators of ouderschapsbemiddelaars kiezen.
€ 23.000,- per jaar. Dit is gelijk aan het bedrag dat hij de afgelopen jaren op zijn rekening heeft gehad. De rechtbank kan de man daarin niet volgen. Niet is aangetoond dat hij méér dan de helft van zijn bruto winst moet reserveren, ten laste van zijn draagkracht in de kosten van zijn zoon. In dat kader had van de man verwacht mogen worden dat hij offertes van pensioenfondsen of verzekeringsmaatschappijen had overgelegd waarmee hij de hoogte van de kosten onderbouwt. Omdat de man heeft nagelaten om zijn stelling te onderbouwen, zal de rechtbank bij bepaling van zijn draagkracht geen rekening houden met een reservering.
€ 3.655,- en dat zij daarbij aansluiting heeft gezocht bij de Btw-aangiftes van 2025 (producties 26h tot en met 26k van de vrouw). Omdat voor de rechtbank onduidelijk is gebleven hoe de vrouw met de hiervoor genoemde stukken op een bruto winst van € 3.655,- is uitgekomen, ziet zij geen andere mogelijkheden dan voor het inkomen van de vrouw uit te gaan van dezelfde gegevens als in het kader van de behoefte. De rechtbank acht het ook redelijk dat de vrouw tenminste dat bedrag moet kunnen verdienen. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening als bijlage 2) het NBI hiermee op € 1.127,- per maand. De zelfstandigenaftrek en MKB-winstvrijstelling zijn daarbij in aanmerking genomen. Ook is rekening gehouden met de algemene heffingskorting en een arbeidskorting.
€ 114,-. Dat bedrag wordt afgetrokken van de zorgkorting zodat resteert € 35,- (€ 149,- minus € 114,-). Het restant komt in mindering op de eerder berekende bijdrage: € 341,- minus € 35,- = € 306,-. De aan de man op te leggen bijdrage in 2025 wordt dus: € 306,- per maand.
3.De beslissing
€ 320,- per maand;