Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6676

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
10.329706.25 en 10.032851.26
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling mishandeling zorgmedewerkster en opzettelijke brandstichting met gemeen gevaar

De rechtbank Rotterdam heeft de verdachte veroordeeld voor het mishandelen van een medewerkster van een zorginstelling door haar een trap tegen het been te geven en voor het opzettelijk stichten van brand in zijn flatwoning, waarbij gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor omwonenden ontstond.

De mishandeling vond plaats op 3 december 2025 in Poortugaal, toen de verdachte zich verzette tegen beëindiging van zijn opname. De brandstichting gebeurde op 30 januari 2026 in zijn woning te Hoogvliet, waarbij hij huishoudelijke goederen op de elektrische kookplaat legde en deze inschakelde. De brand veroorzaakte rookschade en leidde tot evacuatie van omliggende woningen.

De rechtbank achtte de feiten bewezen op basis van verklaringen van het slachtoffer, getuigen, politie en forensisch onderzoek. De verdediging voerde noodweer aan voor de mishandeling, maar dit werd verworpen. De verdachte leed aan een borderline persoonlijkheidsstoornis en andere psychische aandoeningen, waardoor de feiten in verminderde mate aan hem werden toegerekend.

De straf bestaat uit 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, gekoppeld aan bijzondere voorwaarden gericht op zorg en begeleiding. Daarnaast is de verdachte veroordeeld tot een schadevergoeding van €350 aan het slachtoffer wegens immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden en schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummers: 10.329706.25 en 10.032851.26
Datum uitspraak: 26 mei 2026
Datum zitting: 12 mei 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1993 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres: [adres 1] , [postcode 1] te [woonplaats] ,
gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.] .
Advocaat van de verdachte: mr. A. Karacelik
Officier van justitie: mr. E.M. Blanken
Benadeelde partij: [benadeelde] , [nummer X]
Kern van het vonnis
De verdachte wordt veroordeeld voor het mishandelen van een medewerkster van een zorginstelling en opzettelijke brandstichting in zijn flatwoning waardoor gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten was. Er wordt een gevangenisstraf opgelegd van 30 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, met daaraan gekoppeld de algemene en bijzondere voorwaarden zodat de verdachte na zijn detentie passende zorg en begeleiding zal krijgen.

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - een medewerkster van Antes heeft mishandeld door een trap te geven tegen haar been en opzettelijk brand heeft gesticht in zijn woning waardoor gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:
1
hij op of omstreeks 3 december 2025 te Poortugaal, gemeente Albrandswaard een medewerkster van Antes (in de processtukken bekend onder nummer [nummer X] ) heeft mishandeld, door die Antes medewerkster een trap tegen het been, althans het lichaam, te geven;
2
hij, op of omstreeks 30 januari 2026 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam, opzettelijk, brand heeft gesticht (in een woning aan de [adres 2] ), door huishoudelijke goederen op de elektrische kookplaat te leggen en de elektrische kookplaat in te schakelen en/of open vuur of hitte in aanraking te brengen met deze huishoudelijke goederen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor die woning en/of omliggende woningen en/of goederen in die woning en/of goederen in omliggende woningen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor de in omliggende woningen aanwezige personen,
te duchten was.

2.Bewijs

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor feit 1. De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte een medewerkster van Antes heeft mishandeld door een trap tegen haar been te geven en brand heeft gesticht in zijn woning. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen [1] en de onderstaande bewijsmotivering.
1.
Proces-verbaal van de politie, aangifte [slachtoffer 1] [nummer X] [2]
Op 3 december 2025 was ik werkzaam als verpleegkundige bij de kliniek Antes in Poortugaal. Ik was belast met het ondersteunen bij het ontslaan van cliënt [verdachte] . Ik ging samen met mijn collega's naar de kamer waar [verdachte] verbleef om hem mede te delen dat de opname per direct werd beëindigd en hij moest vertrekken. [verdachte] reageerde door zich te verzetten. Hierop pakten mijn collega's [verdachte] bij zijn armen vast om hem te fixeren en naar buiten te begeleiden. Ik zag dat [verdachte] zijn linkerbeen optilde en mij trapte. Ik voelde pijn aan mijn bovenbenen van de trap.
2.
Proces-verbaal van de politie, verklaring getuige [naam getuige] 20632417 [3]
Wij hebben [verdachte] vanmorgen, 3 december 2025, medegedeeld dat per vandaag zijn behandeling zou worden beëindigd. Ik heb hem dit samen met mij collega [slachtoffer 1] , de beveiliging en andere collega's van andere afdelingen op zijn kamer verteld. Wij verzochten hem rustig mee te werken maar dit deed hij niet. Hierop heeft de beveiliging [verdachte] beet gepakt en zag ik dat [slachtoffer 1] op ongeveer een meter van [verdachte] stond. Ik zag dat [verdachte] een voorwaartse trappende beweging richting [slachtoffer 1] maakte. Ik zag [slachtoffer 1] geraakt werd door de trappende beweging door [verdachte] .
3.
Proces-verbaal van de politie [4]
Op 30 januari 2026, omstreeks 15:30 uur, werd een politie-eenheid gestuurd naar de [adres 2] te Hoogvliet. De deur werd geopend door [verdachte] . Verbalisanten hoorden dat [verdachte] tegen hen zei dat als zij niet snel gingen regelen dat hij opgenomen zou worden dat hij dan niet meer voor zichzelf in zou staan. Op de vraag wat dat dan betekende verklaarde [verdachte] dat hij zijn woning in brand zou steken of weer een overdosis pillen zou nemen. De verbalisanten verlieten de woning.
Vervolgens werd er op 30 januari 2026, om 17:15 uur, een politie-eenheid gestuurd naar hetzelfde adres, de [adres 2] , omdat er brand in de woning was. Aangekomen op de tweede etage van de flat zagen verbalisanten dat er een lichte rookwalm in de gang hing en roken zij een sterke brandlucht. Bij de woning van nummer [huisnummer X] werd niet opengedaan. De bewoners van de omliggende woningen werden geëvacueerd. Toen de brandweer ter plaatse was betraden zij de woning. In de woning hingen dikke, zwarte rookwolken. Vervolgens haalde de brandweer één persoon uit de woning welke bleek te zijn [verdachte] . Één van de brandweermannen zei dat [verdachte] , terwijl zij met hem naar beneden liepen, had verklaard dat hij zelf de brand had aangestoken en dat hij niet meer wilde leven.
4.
Proces-verbaal van de politie, aangifte [slachtoffer 2] namens Pameijer Stichting [5]
Ik doe namens mijn werkgever Stichting Pameijer aangifte van brandstichting, gepleegd door [verdachte] en momenteel woonachtig in een huurwoning aan de [adres 2] in Hoogvliet-Rotterdam. De woning wordt gehuurd door Stichting Pameijer van Woonbron Rotterdam, welke gebruikt wordt als Noodbedplaatsing. Sinds 16 januari 2026 is [verdachte] tijdelijk geplaatst in deze woning.
5.
Proces-verbaal van de politie, forensisch onderzoek woning [adres 2] Hoogvliet-Rotterdam [6]
Op 31 januari 2026 kwam ik, verbalisant [naam verbalisant] , naar aanleiding van een brand, voor forensisch onderzoek aan op de locatie [adres 2] , [postcode 2] te Hoogvliet Rotterdam.
Omschrijving onderzoekslocatie
De flatwoning bevond zich op de tweede etage, het flatgebouw bestond uit dertien woonlagen inclusief de begane grond.
Brandschade
De schade door vuur en hitte bestond uit een door vuur en hitte aangetaste keuken. Ik zag dat de brandschade zich primair had bevonden in de keuken op de elektrische kookplaat. Ik zag namelijk in deze hoek aantasting door hitte en vuur. Ik zag dat het houten keukenkastje aan de zijde van de kookplaat door vuur en hitte was aangetast. Ik zag op het aanrecht, in de gootsteen en op vloer in de keuken meerdere door vuur en hitte aangetaste huishoudelijke goederen. Ik zag namelijk:
- verbrande stukken textiel gelijkend op beddengoed en mogelijk een T-shirt;
- onherkenbaar geworden versmolten kunststof;
- één door hitte aangetaste steelpan met glazendeksel.
Gezien de spreiding van de goederen op het aanrecht en de vloer en het ontbreken van
brandschade op andere delen van het aanrecht hadden deze door vuur en hitte aangetaste goederen zich allemaal op de kookplaat bevonden.
Op de vloer zag ik enkele stukken versmolten en verbrand kunststof tegen de plint van
het aanrecht. Dit paste bij het beeld van brandende goederen die van het aanrecht
afgevallen waren.
Ik zag dat er in de keuken tegenover het aanrecht een soort wasmand stond. Ik zag dat
er een gedeelte van deze wasmand aan de onderzijde verbrand was. Ik kon geen
relatie vinden tussen de brandschade ter hoogte van de plint van het aanrecht en de
brandschade aan de wasmand. Mogelijk betrof dit een tweede brandhaard.
Overige schade
In de woning was er in alle vertrekken schade ontstaan door rook en roet. Ik zag
namelijk in alle vertrekken lichte roet afzetting op de plafonds en muren.
Brandhaard(de plaats van het ontstaan van de brand)
Op de elektrische kookplaat in de keuken.
Technische installaties
Ter hoogte van het ontstaansgebied van de brand, bevond zich een draaischakelaar op
de wand en een elektrische kookplaat. Een elektrische kookplaat in dit geval met een
vermogen van 6000 watt, kan voldoende temperatuur genereren om brand te veroorzaken.
De draaischakelaar op de muur was enkel aangetast vanaf de buitenzijde en kon als
ontstekingsbron worden uitgesloten. De wandcontactdoos (stopcontact) waar de kookplaat op aangesloten was, bevond zich onder het aanrecht en was niet door hitte of vuur aangetast.
Conclusie
De bevindingen van mijn onderzoek laten zich het beste verklaren als de brand is ontstaan
doordat goederen zoals beddengoed, papier en kunststofgoederen welke op de kookplaat zijn gelegd of lagen, zijn ontstoken door het inschakelen van deze kookplaat en dus op deze
wijze bijbrengen van hitte. Een technische oorzaak vanuit de aanwezige draaischakelaar of wandcontact doos in de directe omgeving van de kookplaat kon worden uitgesloten. Bij deze brand is er gevaar voor goederen opgetreden en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten geweest. Er moesten ten gevolge van deze brand en
de spreiding van giftige hete rookgassen meerdere woningen worden ontruimd. Zonder
optreden van de brandweer had deze brand zich verder kunnen ontwikkelen.
2.3.2.
Bewijsmotivering
Uit de aangifte van [slachtoffer 1] , de medewerkster van Antes, blijkt dat de verdachte met opzet tegen haar been heeft getrapt waardoor zij pijn heeft geleden en letsel is ontstaan. De aangifte van [slachtoffer 1] wordt ondersteund door de getuigenverklaring van [naam getuige] . Het verweer dat de verdachte zich in een noodweersituatie bevond, slaagt niet. Niet is gebleken van een wederrechtelijke aanranding waartoe verdediging noodzakelijk was.
Gelet op de bevindingen van de politie kan geconcludeerd worden dat de brand in de woning is ontstaan door goederen in de keuken te ontsteken. De verdachte heeft voorafgaand aan de brand gedreigd met het in brand steken van zijn woning en nadat de brand was gesticht heeft hij verklaard dat hij degene is geweest die de brand heeft aangestoken. Deze uitlatingen in combinatie met het feit dat de verdachte de enige persoon was die aanwezig was in de woning ten tijde van de brand, maken dat de rechtbank bewezen acht dat de verdachte degene is geweest die de brand heeft gesticht. De woning bevond zich in een flatgebouw waardoor door de brand zowel gevaar voor de woning en de omliggende woningen te duchten was, als levensgevaar voor de andere bewoners van het flatgebouw.
2.3.3.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
1
hij op 3 december 2025 te Poortugaal, gemeente Albrandswaard een medewerkster van Antes (in de processtukken bekend onder nummer [nummer X] ) heeft mishandeld, door die Antes medewerkster een trap tegen het been te geven;
2
hij, op 30 januari 2026 te Hoogvliet, gemeente Rotterdam, opzettelijk, brand heeft gesticht (in een woning aan de [adres 2] ), door huishoudelijke goederen op de elektrische kookplaat te leggen en de elektrische kookplaat in te schakelen en/of open vuur of hitte in aanraking te brengen met deze huishoudelijke goederen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor die woning en omliggende woningen en goederen in die woning en goederen in omliggende woningen, en
- levensgevaar voor een ander, te weten voor de in omliggende woningen aanwezige personen,
te duchten was.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
1
mishandeling
2
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is
3.2.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straf

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten veroordeeld worden tot een gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, met aftrek van het voorarrest en daaraan gekoppelde de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft een medewerkster van Antes, de kliniek waar hij destijds opgenomen was, mishandeld door tegen haar been te trappen. Met zijn handelen heeft de verdachte niet alleen haar lichamelijke integriteit geschonden maar haar ook pijn gedaan en letsel toegebracht. De rechtbank acht het handelen van verdachte zorgelijk en verwijtbaar, zeker nu het feit gepleegd is tegen een zorgverlener tijdens de uitoefening van haar werk.
Enige tijd later heeft de verdachte een brand gesticht in zijn woning, waarbij gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor personen te duchten was. De verdachte heeft de brand in zijn keuken aangestoken en is vervolgens op zijn bed gaan liggen. Doordat het brandalarm afging is Stichting Pameijer, de huurder van de woning, gealarmeerd en hebben zij direct 112 gebeld. Gelet op het feit dat de woning van de verdachte zich bevond in een groot flatgebouw heeft hij een levensbedreigende situatie gecreëerd voor de medebewoners van het gebouw, waarbij opgemerkt wordt dat in dit flatgebouw meerdere hulpbehoevende personen wonen. Door snel optreden van de brandweer is de brand beperkt gebleven tot de keuken van de woning en is erger voorkomen. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte aan.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 30 maart 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Rapport van deskundigen en de reclassering
In het rapport van psychiater dr. [persoon A] van 19 maart 2026 staat het volgende.
De verdachte lijdt aan psychische stoornissen in de vorm van een borderline persoonlijkheidsstoornis, een vermijdende persoonlijkheidsstoornis en genderdysforie.
Ook ten tijde van de hem ten laste gelegde brandstichting leed onderzochte aan bovenomschreven psychische stoornissen. De brandstichting kan gezien de bevindingen van het onderzoek worden beschouwd als waarschijnlijk deels voortgekomen uit ziekteverschijnselen en beperkingen veroorzaakt door de borderline persoonlijkheidsstoornis van de verdachte, met name chronisch recidiverende suïcidaliteit, impulsiviteit en affectieve en gedragsmatige instabiliteit.
Enerzijds kan worden overwogen dat de verdachte voor zover thans nog te beoordelen ook ten tijde van de hem ten laste gelegde brandstichting waarschijnlijk wel in staat is geweest het laakbare en strafbare van die brandstichting in te zien. Anderzijds kan ook worden overwogen dat hij voorafgaand aan en ten tijde van die brandstichting door impulsiviteit, suïcidaliteit en affectieve en gedragsmatige instabiliteit als gevolg van een ernstige borderline persoonlijkheidsstoornis aanzienlijk beperkt was in zijn impulscontrole en mogelijk ook enigermate in zijn vermogen tot oordeel en kritiek. Geadviseerd wordt daarom hem de ten laste gelegde brandstichting in een verminderde mate toe te rekenen.
Het risico op recidive kan als hoog worden ingeschat. Geadviseerd wordt het recidiverisico te beperken door klinische psychiatrische en psychologische behandeling van de persoonlijkheidsstoornissen en de genderdysforie van de verdachte in een Forensisch Psychiatrische Kliniek, met aansluitende resocialisatie en ambulante nazorg onder toezicht van de reclassering in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel.
In het rapport van Reclassering Nederland van 7 mei 2026 staat het volgende.
De reclassering constateert de noodzaak tot langdurige (klinische) behandeling van de verdachte ten einde het recidiverisico in te perken. Tegelijkertijd vragen wij ons af of de zorgvraag niet te complex is om binnen het geadviseerde strafrechtelijke juridische kader te kunnen borgen. Met name de gedragingen die behandeling behoeven, chronisch recidiverende suïcidaliteit, impulsiviteit en affectieve en gedragsmatige instabiliteit, zijn zeer moeilijk hanteerbaar. De (gedrags)problematiek, met als mogelijk gevolg suïcidepogingen en acting out gedrag, en ook de recalcitrante houding waarmee de verdachte bekend is, maakt dat wij een klinische behandeling nauwelijks haalbaar achten. Daartegenover staat dat een dergelijk forensisch traject niet eerder heeft plaatsgevonden, het advies van de pro Justitia rapporteur en de intrinsieke motivatie van de verdachte voor behandeling. Om die reden willen wij, met genoemde opmerkingen van een geringe kans van slagen en de moeilijke uitvoerbaarheid, het traject een kans geven, ook bij gebrek aan een passend alternatief. Er is op dit moment echter nog niet bekend of er een forensische kliniek is die de verdachte een behandelaanbod doet. Ook is niet bekend wat de wachttijd is voordat een eventuele opname gerealiseerd kan worden. Wanneer een klinische opname niet aansluit op het einde van zijn detentie, zullen vermoedelijk de risico’s op recidive en letselschade hoog zijn vanwege de psychische problematiek van de verdachte en het ontbreken van een stabiele leefsituatie.
Bij een veroordeling adviseren wij een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden.
• Meldplicht bij reclassering
• Opneming in een zorginstelling
• Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname
• Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
• Dagbesteding
Tevens adviseren wij om een langer durende proeftijd op te leggen zodat er voldoende tijd resteert om na de (langdurige) klinische behandeling een resocialisatietraject vorm te geven met voldoende stabiliteit.
Toerekenbaarheid
Op basis van het rapport van de psychiater dr. [persoon A] , stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte een psychische stoornis bestond en dat deze het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van de strafbare feiten beïnvloedde. De feiten worden daarom in verminderde mate aan de verdachte toegerekend.
4.3.3.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Daarom wordt een gevangenisstraf van 30 maanden opgelegd met aftrek van het voorarrest. Van deze gevangenisstraf worden 12 maanden voorwaardelijk opgelegd, zodat de verdachte passende zorg en begeleiding zal krijgen na zijn detentie. De voorwaardelijke straf heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen. Verdachte heeft verklaard het belang en de noodzaak hiervan in te zien en zich in te willen gaan zetten voor verbetering.

5.Vordering van de benadeelde partij

5.1.
Vordering [slachtoffer 1] , onder nummer [nummer X]
[slachtoffer 1] heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 350,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
5.2.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen.
5.3.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft gelet op de betoogde vrijspraak bepleit dat de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard.
5.4.
Oordeel van de rechtbank
De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit onder 1 rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen, zoals te zien is op foto’s die de benadeelde partij heeft overgelegd. Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 350,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, en de aard en ernst van het letsel. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt geheel toegewezen. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 350,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
5.4.1.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 3 december 2025.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 3 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

6.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 36f, 157 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

7.Beslissingen

De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 30 (dertig) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat
12 (twaalf) maanden, van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 (drie) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
de verdachte meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak;
de verdachte zich tijdens de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door een forensische zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de persoonlijkheidsstoornissen van betrokkene, de genderdysforie en zijn traumatische klachten. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
de verdachte zich na de klinische behandeling gedurende de proeftijd laat behandelen door een forensische polikliniek, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de verdachte dat een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
de verdachte na de klinische behandeling gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
de verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van passende dagbesteding met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
  • meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte, aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] , [nummer X] (feit 1), te betalen een bedrag van € 350,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 3 december 2025 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 1
de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , [nummer X] aan de staat
€ 350,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 3 december 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal
3 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.

8.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. E. Boersma, voorzitter,
en mrs. F.P.J. Schoonen en E. van Vliet, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H. Tchang, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 26 mei 2026.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot.
2.Het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 1]
3.Het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 2]
4.Het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 3]
5.Het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 4]
6.Het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 5]