ECLI:NL:RBROT:2026:6628

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
11770793 CV EXPL 25-14558 en 11846912 CV EXPL 25-18352
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 lid 2 sub c BWArt. 6:119 BWArt. 6:230c BWArt. 6:233 BWArt. 6:234 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verhuurder veroordeeld tot schadevergoeding aan huurder wegens beperkte gebruik bedrijfsruimte door werkzaamheden

Huurder exploiteert een garagebedrijf in een bedrijfsruimte die hij huurt van verhuurder. Op 9 december 2024 voerde aannemer in opdracht van verhuurder werkzaamheden uit aan de lichtstraat van het dak, waarbij stempels werden geplaatst die het gebruik van de ruimte ruim vijf maanden beperkten en een korte periode volledige bedrijfsstilstand veroorzaakten.

Huurder vordert schadevergoeding van € 90.946,94 wegens inkomstenverlies en bedrijfsonderbreking. Verhuurder erkent de vordering niet te betwisten maar spreekt aannemer aan in vrijwaring, stellende dat aannemer zonder overleg constructieve delen verwijderde, waardoor de stempels noodzakelijk waren en schade ontstond.

De rechtbank wijst de vrijwaringsvordering af omdat de aansprakelijkheid van aannemer is uitgesloten in haar algemene voorwaarden, die rechtsgeldig zijn overeengekomen en niet onaanvaardbaar zijn volgens redelijkheid en billijkheid. De hoofdvordering wordt toegewezen omdat verhuurder de eis erkent. Verhuurder wordt veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding, rente en proceskosten. Beide vonnissen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Verhuurder wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan huurder; vrijwaringsvordering tegen aannemer wordt afgewezen wegens uitsluiting aansprakelijkheid.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
datum uitspraak: 5 juni 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de (hoofd)zaak met zaaknummer 11770793 CV EXPL 25-14558
van
[eiser]
handelend onder de naam
AUTOMOBIEL SERVICE [eiser],
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
gemachtigde: mr. L.M. Dragtenstein,
tegen
[naam B.V.] B.V.,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: [naam 1] ,
en
MIDDELLAND INSTALLATIE TECHNIEK B.V.,
gevestigd in Krimpen aan de Lek,
gevoegde partij,
gemachtigde: mr. K. van der Aa-de Graaf,
en in de (vrijwarings)zaak met zaaknummer 11846912 CV EXPL 25-18352
van
[naam B.V.] B.V.,
gevestigd en kantoorhoudend in [vestigingsplaats] ,
eiseres,
gemachtigde: [naam 1] ,
tegen
MIDDELLAND INSTALLATIE TECHNIEK B.V.,
gevestigd in Krimpen aan de Lek,
gedaagde,
gemachtigde: mr. K. van der Aa-de Graaf.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’, ‘ [naam B.V.] ’ en ‘MIT’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
in de hoofdzaak
  • de dagvaarding van 16 juni 2025, met bijlagen;
  • het incidentele verzoek van [naam B.V.] tot oproeping in vrijwaring;
  • de aantekeningen van de griffier van de op de rolzitting van 1 juli 2025 namens [eiser] en namens [naam B.V.] mondeling gegeven reactie;
  • het vonnis in het incident van 4 juli 2025;
in de vrijwaringszaak
  • de dagvaarding van 20 augustus 2025, met bijlagen;
  • de conclusie van antwoord tevens incidentele conclusie tot voeging, met bijlagen;
  • de brief van 19 september 2025 namens [naam B.V.] .
1.2.
Op 31 maart 2026 zijn beide zaken tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:
  • de heer [eiser] met gemachtigde mr. Dragtenstein;
  • van [naam B.V.] , de heer [naam 2] (directeur) met gemachtigde de heer [naam 1] ;
  • van MIT, de heer [naam 3] (bedrijfsleider) en de heer [naam 4] (projectleider) met gemachtigde mr. Van der Aa-de Graaf en verder mr. [naam 5] .
De gemachtigden hebben spreekaantekeningen voorgedragen. Die zijn aan het dossier toegevoegd.
1.3.
De kantonrechter heeft tijdens de zitting MIT toegelaten als gevoegde partij in de hoofdzaak (ex artikel 214 jo Pro. 217 Rv).

2.De beoordeling

Waar gaan de zaken over?
2.1.
[eiser] huurt van [naam B.V.] een bedrijfsruimte. Hij exploiteert daar een garagebedrijf c.q. autowerkplaats. Op 9 december 2024 heeft MIT in opdracht van [naam B.V.] werkzaamheden gedaan aan de lichtstraat van het dak. Daarbij zijn stempels geplaatst in de ruimte. [eiser] stelt dat hij door die stempels ruim vijf maanden slechts een deel van de ruimte heeft kunnen gebruiken en dat hij door de werkzaamheden ook korte tijd zijn bedrijfsvoering helemaal heeft moeten stilleggen. De schade die hij daardoor heeft geleden, moet worden vergoed door [naam B.V.] als verhuurder, vindt [eiser] . Hij begroot zijn schade op € 90.946,94 te vermeerderen met rente en kosten. [naam B.V.] betwist de eis van [eiser] niet en roept MIT in vrijwaring op, omdat [naam B.V.] vindt dat zij de schadevergoeding waartoe zij eventueel wordt veroordeeld kan verhalen op MIT. [naam B.V.] stelt namelijk dat MIT zonder overleg constructieve delen heeft verwijderd, waardoor stempels moesten worden geplaatst in de ruimte en schade is ontstaan voor [eiser] . MIT is het daar niet mee eens en wil dat de eisen worden afgewezen. Zij betwist dat [eiser] schade heeft geleden, de hoogte van de gestelde schade en dat MIT aansprakelijk is; aansprakelijkheid is uitgesloten in de algemene voorwaarden, aldus MIT.
Wat is de uitkomst?
2.2.
In de vrijwaringszaak krijgt MIT gelijk. [naam B.V.] kan MIT niet aanspreken, omdat aansprakelijkheid van MIT is uitgesloten in de algemene voorwaarden. In de hoofdzaak wordt de eis toegewezen, omdat [naam B.V.] de vordering heeft erkend.
Hierna wordt het oordeel in de beide zaken toegelicht, te beginnen bij de vrijwaringszaak.
in de vrijwaringszaak
Aansprakelijkheid uitgesloten
2.3.
De eis wordt afgewezen. [naam B.V.] kan MIT niet aanspreken voor het vergoeden van alles waartoe [naam B.V.] eventueel in de hoofdzaak zal worden veroordeeld. Hierna wordt uitgelegd waarom.
2.4.
De aansprakelijkheid van MIT is uitgesloten in haar algemene voorwaarden. In artikel XII.3 is het volgende bepaald (onderstreping door de kantonrechter):
“Tenzij sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van de tot de bedrijfsleiding behorende medewerkers van de opdrachtnemer en behoudens het bepaalde in art. VI lid 5 en in lid 1 en lid 2 van dit artikel is
alle aansprakelijkheid van de opdrachtnemervoor gebreken in het geleverde product en in verband met de levering, zoals voor schade door overschrijding van de levertijd en door niet-levering,
voor schade als gevolg van aansprakelijkheid jegens derden, voor bedrijfsschade, gevolgschade en indirecte schade, en voor schade als gevolg van enig onrechtmatig handelen of nalaten van (medewerkers van de) opdrachtnemer, uitgesloten.
De toepasselijkheid van de algemene voorwaarden is overeengekomen. Dat is niet in geschil.
2.5.
Voor zover [naam B.V.] bedoelt een beroep te doen op vernietigbaarheid van de algemene voorwaarden, slaagt dat niet. De kantonrechter volgt [naam B.V.] niet in haar stelling dat niet is gebleken dat de algemene voorwaarden op rechtsgeldige wijze ter hand zijn gesteld. MIT heeft wel aan [naam B.V.] de redelijke mogelijkheid geboden van de algemene voorwaarden kennis te nemen. In de schriftelijke aanbieding van MIT aan [naam B.V.] die de basis is van de overeenkomst tussen de partijen is uitdrukkelijk verwezen naar de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden en naar de vindplaats van die voorwaarden op de website van MIT. Ook is vermeld dat op verzoek een exemplaar kan worden toegezonden (artikelen 6:233 aanhef en onder b, 6:234 lid 1 en 6:230c aanhef en onder 3 BW).
2.6.
[naam B.V.] wordt ook niet gevolgd in haar stelling dat een beroep op de exoneratieclausule (artikel XII.3 van de algemene voorwaarden) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is in een situatie waarin de veiligheid van het pand in het geding is.
Vooropgesteld wordt dat een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel niet van toepassing is, voor zover dat in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (artikel 6:248 lid 2 BW Pro). Bij het toepassen hiervan moet de rechter grote terughoudendheid in acht nemen. In het algemeen moet een exoneratieclausule buiten toepassing blijven als aansprakelijkheid is uitgesloten voor schade te wijten aan opzet of bewuste roekeloosheid van de schuldenaar of van met de leiding van zijn bedrijf belaste personen. [1] In dit geval is dat laatste reeds opgenomen in de exoneratieclausule. [naam B.V.] heeft geen feiten of omstandigheden aangedragen waaruit moet worden afgeleid dat het beroep van MIT op de exoneratieclausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De enkele verwijzing door [naam B.V.] naar ‘een situatie waarin de veiligheid van het pand in het geding is’ zonder verdere toelichting is onvoldoende.
Proceskosten
2.7.
De proceskosten komen voor rekening van [naam B.V.] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [naam B.V.] aan MIT moet betalen op € 1.732,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 866,00) en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.876,00. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.8.
De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat MIT dat eist en [naam B.V.] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
in de hoofdzaak
Erkende vordering
2.9.
De eis wordt integraal toegewezen, omdat [naam B.V.] de eis erkent. Weliswaar voert MIT verweer, maar dat is tegen de achtergrond van de vrees van MIT als waarborg in de vrijwaringszaak dat [naam B.V.] in de hoofdzaak geen adequaat verweer zal voeren tegen de eis. In de vrijwaringszaak krijgt MIT gelijk. De kantonrechter ziet in deze omstandigheden geen aanleiding om het verweer van MIT in de hoofdzaak te behandelen.
Proceskosten
2.10.
De proceskosten komen voor rekening van [naam B.V.] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [naam B.V.] aan [eiser] moet betalen op € 122,35 aan dagvaardingskosten, € 732,00 aan griffierecht, € 1.732,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 866,00) en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 2.730,35. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.11.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [naam B.V.] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
in de hoofdzaak
3.1.
veroordeelt [naam B.V.] tot:
 betaling van een bedrag van € 90.946,94 aan [eiser] , bestaande uit:
o € 83.690,48 wegens inkomstenverlies als gevolg van het slechts gedeeltelijk kunnen gebruiken van het gehuurde bedrijfsdeel tussen 9 december 2024 en 30 mei 2025;
o € 7.256,46 wegens volledige bedrijfsonderbreking in de periode van 31 mei tot en met 5 juni 2025, van huurpenningen gedurende de periode waarin het gehuurde slechts beperkt bruikbaar was;
  • betaling van de buitengerechtelijke incassokosten conform artikel 6:96 lid 2 sub c BW Pro, begroot op € 1.684,47;
  • betaling van de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro over voornoemde bedragen vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag van algehele voldoening;
3.2.
veroordeelt [naam B.V.] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 2.730,35;
3.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
in de vrijwaring
3.4.
wijst de eis af;
3.5.
veroordeelt [naam B.V.] in de proceskosten, die aan de kant van MIT worden begroot op € 1.876,00;
3.6.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
34286

Voetnoten

1.HR 12 december 1997,